De Stammen

De stammen

Zeventien vissers en schippers uit Makkum, Lemmer, Steenwijk en Monnickendam hebben een goede dag in augustus 1887 als ze in de buurt van Marken elk een of meer boomstammen op de Zuiderzee zien drijven. Ze duwen de bomen naar elkaar toe, slaan er een lijn omheen en slepen ze naar Lemmer. Daar stappen ze naar de burgemeester om hun vondst te registreren in de hoop het hout te mogen houden. De herkomst van het hout wordt echter achterhaald. De burgemeester schrijft over een hoeveelheid balken, [...] behoorende tot het op den 6.en Juli j.l. nabij Marken uit elkaar geslagen transport van ongeveer 1500 Noordsche vuren en grenen balken, op 2 zijden eenigszins bekapt* Voor de vissers en schippers rest een bergloon.

* De naam van de eigenaar is niet bekend. De Lemster vinders zijn R. Vegter, (1 balk), G. van Keimpema (1), Gerrit Dijkman (2x1), Jilling Kingma (1), Steven R. Visser (2), Gauke Bootsma (3), Gebr. Poepjes (2), Jan R. Visser (1), Rinke de Boer (14), Andries Bergsma (2), Oudheidkamer Lemmer, map K3p2, kopie.

Siebolt Jan de Vries, Rinsjes man, betaalt via de heren Gend en Loos ƒ 846,- voor een lading ruw hout aan Altius te Amsterdam.

Deze vondst werpt licht op de wijze van vervoer van onbewerkt hout over de Nederlandse wateren. Nadat het in Scandinavië, het Oostzeegebied en Noord-Amerika op grote zeil- en stoomschepen is geladen en naar de Nederlandse houthavens gevaren, wordt het vandaar over Nederland verspreid in de vorm van reusachtige vlotten van aan elkaar gebonden stammen.

In het archief De Vries is een paar maal sprake van zo'n houtvlot. In 1886 bemiddelt mastmaker Siebolt Jan de Vries, Rinsjes echtgenoot, voor een assurantiepremie op twee vlotten hout, gesleept door schipper de Waard van Amsterdam naar Lemmer, waarde ƒ 3.300,- ad 1¼%: ƒ 41,25 (+ 40 ct voor de polis. Enkele jaren na Siebolt Jans dood vraagt weduwe Rinsje de Vries, zijn opvolger, een offerte aan de Dordtse handelaars Boonen & Van Hoogstraten & Zoon. Ze bieden bezaagde stammen aan, waarbij Rinsje de keus heeft tussen:

• - Geheele vlotten van ca. 200 stuks zonder uitzoeken 13/8 p,
• - 100 Stuks of meer 1½ p [...],
• - Kleine partijen 1/16 p hoger.

Ook in de tijd van haar zoon drijven de grondstoffen van de mastmakerij in vlotten over de Nederlandse wateren. Jan Siebold koopt vier bekapte Amerikaanse grenen stammen, vijf grenen balken, een den en een vuren bij Loos & Zoon, Houthandel, Stoomzagerij & Schaverij te Blokzijl. Deze handelaar schrijft in de kantlijn van zijn rekening: als vlot gesleept. Met enige fantasie ziet men een stoomsleepboot de tot een klein vlot bijeengebonden balken en stammen langzaam over de Zuiderzee voortzeulen, onder de kust van Blankenham en Kuinre, op weg naar Lemmer.

In toenemende mate echter vervoert de handel de stammen per beurtzeilschip of stoomboot naar Friesland. Dat gaat veel sneller en heeft niet het risico dat stammen losslaan en wegdrijven. In 1926 bijvoorbeeld gaat er veertien keer ruw hout uit Holland en Harlingen naar de firma De Vries in Lemmer, waarvan (tenminste) één keer als vlot, tweemaal per zeilschip en de rest aan boord van een stoomboot.

Al in het land van herkomst heeft de houthakker de stammen van takken ontdaan om ze voor de handel geschikt te maken. Eventueel bezaagt hij ze ook al enigszins. Als handelswaar krijgt het hout soortnamen op grond van zijn gewicht: Een juffer is een grenen of vuren stam van een bepaalde zwaarte. In zwaarte afdalende ronde houtwaren zijn de ellens, kolders, juffers, spieren en sparren.

Per stuk kost een stam of balk waar een mast van te maken is, vóór 1900 tussen de ƒ 50,- en ƒ 250,-. Sparren, spieren en juffers van Europese naaldbomen zijn het goedkoopst. De dunste sparretjes kosten maar een paar gulden per stuk, voor een juffer van 8 meter betaal je in 1892 ƒ 3,50. Hout van de dikte genaamd kolder, aan de voet vierkant beslagen, komt maar één keer in het archief voor: stoomzagerij Wed. C. Sleeswijk zaagt in 1900 voor Rinsje 1 kolder 6.20 M, top 12 cm voor ƒ 2,86.

In totaal kopen Rinsje en haar echtgenoot in de periode 1874-1909 stammen in de volgende soorten:

Het meest opmerkelijke van de grafiek is dat het aantal sparren zo hoog boven de aantallen van de andere stammen uitsteekt. Sparren, de dunste stammetjes, zijn de grondstof voor allerlei palen en stokken, die in volgende hoofdstukken aan de orde komen. Bijlage 3 geeft de volledige lijst met ingekochte stammen in Rinsjes periode.

De inventaris van 1 januari 1927, opgemaakt door Jan Siebold, vermeldt de volgende soorten stammen:

Van den greneboom, den vuchte en den den

Het ruwe of ruige hout dat voor de mastmakerij geschikt is, stamt van naaldbomen. De hoofdmast is bijna altijd van grenen. Grenenhout komt van de grove den of spar (pinus sylvestrus), ook wel pijnboom en vroeger greneboom genoemd. Hij is in Rinsjes tijd 30-35 meter hoog en 50-90 cm dik. De grove den of greneboom onderscheidt zich van den den en de vuchte [=fijnspar] doordien zijne takken naar alle zijden loten schieten, zoodat elke tak, overeind gezet, er als een boom uitziet.

Het grenenhout kenmerkt zich vooral door zijn hoge gehalte aan hars en den eigenaardigen doordringende reuk die daarvan het gevolg is. De hars is ook oorzaak van de hogere kleur van het hout, die vooral in de roodbruine noesten ten duidelijkste uitkomt, van zijn meerder specifiek gewicht en van zijn grotere duurzaamheid in weder en wind. Dat maakt grenen dus geschikter als grondstof voor masten dan vuren of andere houtsoorten.

Rinsje verwerkt Europees en Amerikaans grenen. Mooi grenenhout komt van langs de Main uit Duitsland. Van het Europese grenen is dat uit Riga het beste. Rinsje koopt 13 stuks Riga Greenen balken samen 740 voe voor ƒ 621,60 bij de Russische Houthandel in Arnhem. In Rinsjes tijd (zoals in de 21e eeuw) komt de grove spar op de meeste zandgronden van Nederland voor, maar hij bereikt hier zelden genoegzame afmetingen om tot timmerhout te kunnen dienen.

Beter dan het Europese grenen is het Noord-Amerikaanse. De in de handel meest voorkomende soort is het pitch pine, een zeer duurzaam hout dat in de zuidelijke staten van Amerika groeit. Het is buitengewoon harsrijk, zwaar en sterk. En behalve zijne groote duurzaamheid heeft het pitch pine het voordeel dat het in zeer aanzienlijke afmetingen verkrijgbaar is, wat b.v. bij sluisdeuren van groot belang is.

Van de Amerikaanse stammen in het archief De Vries wordt tweemaal de afkomst gepreciseerd: Maine balken en Oregon pitch pine. Amerikaans grenen, dat doorgaans bezaagd, dus als balken, overzees wordt geëxporteerd, wint in de 19e eeuw aan populariteit. Mastmakers timmeren de hoogste en duurste masten op de Friese en Nederlandse zeilschepen van die pitch pine-balken. Niettemin vervaardigen ze veel andere scheepsmasten nog van goedkoper Rigaasch of Rijnsch grenen.

Vurenhout

Voor gieken en gaffels en kleine bootsmasten gebruikt de mastmaker meestal vaker vurenhout. Vuren stamt van de fijnspar (Pinus of Abies Excelsa), vroeger ook vuchte genoemd*

* In Nederland is de fijnspar oorspronkelijk niet inheems, maar ze wordt veel aangeplant om als kerstboom verkocht te worden, en verwildert spontaan, Pokorný (1973), 62.

De stam van dezen boom onderscheidt zich van die van den zilverden door zijn roodachtige schors, waar de hars hier en daar doorheen dringt. Hij is schilferiger en meer met mos begroeid. Tusschen de groote takken zitten overal kleine aan den stam: van daar de vele kleine noesten die dikwijls in vurenhout voorkomen23. Het in Nederland gebruikte vurenhout is afkomstig uit het Oostzeegebied en Duitsland. Sundsvall in Zweden brengt het beste vuren voort.

Harlingen versus Holland

De firma De Vries koopt haar meeste ruwe hout bij handelaren in Harlingen en Amsterdam. De oudste houtlevering staat op een wissel uit 1864 van Van Loon & Zoon in Harlingen. Het is een voorschot voor gekochte sparren ad ƒ 200,-. Dat is in de tijd dat Siebolt Jan, Rinsjes man, nog leeft.

Hij is ook verantwoordelijk voor de volgende twee aankopen, een Rechte? Greene, Lengte 51 Voet voor ƒ 100,- bij L. Robert & Zn. te Utrecht en 1 Amerik. Greëen Balk (lees grenen) voor ƒ 150,- bij Van Bruggen in Groningen (1878); beide bedragen zijn voorschotten. Alle andere rekeningen uit de beginperiode, de jaren tot 1886, stammen van Amsterdam handelaren: Altius & Co. en Bontekoning & Aukes. Branderhorst uit Amsterdam regelt het vervoer.

Op een wissel van de Harlinger houthandelaar B. van Loon & Zoon staat de oudste bekende houtaankoop van de firma De Vries. De wissel is tevens het oudste stuk in het archief

De houthandel van Harlingen keert vanaf 1886 met P.J. Holstein & Zoon, Hubert Jans & Co en Van Loon & Zoon, in Houtwaren, in de boeken terug. Rinsje koopt bij Jans o.a. Hernösand-juffers.Van Loon levert grenen spieren die hij via het Kopenhaagse havengebied Christiania invoert: Wij hebben de spieren toch maar voor U genoteerd. Indien niet naar genoegen, ons even goed, maar dan svp de nota per ommegaande terug, [w.g.:] alsboven.

Van Loon laat ook vijf vuren spieren (ƒ 105,-) uit Christiania naar Lemmer vervoeren: De schipper heeft ze heden in ontvangst genomen[...]. Vervolgens delen wij u mede dat wij elken dag van Christiania wachtende zijn Sparren van 15 tot 34 vt*

* 26. Archief De Vries, rekeningen 1900, Jans 11 mei en Loon 11 mei, 8 sept; idem 1902 Jans, 30 mei; idem, correspondentie 1901, Van Loon 18 aug. Onderstreping van Van Loon. Zijn alsboven vervangt een handtekening en verwijst naar zijn naam in het brievenhoofd.

Siebolt Jan de Vries, kocht in 1886 '10 36/38 voets spieren' bij Holstein & Zoon

Daarnaast koopt Rinsje rond de eeuwwisseling stammen van Hollandse handelaren. De Amsterdamse firma Willemsz & Morel, Fijne houtsoorten, Bindrotting, Hengelriet, Malaccastokken en alle soorten van slijp-, wet- en oliesteene levert hout uit een pakhuis in Keulen*

* Archief De Vries, rekeningen 1895, Willemsz. 24 sept. De firma aan de Oudezijdskolk was de opvolger van Rijfsnijder.

Een Zaanse leverancier is de Werf De Juffer, van Wed. G. Gras & Zonen, in Harde houtwaren, Pokhout, Bindrotting, Sparren en Amerikaanse molenroede. Bij weduwe Gras in Zaandam koopt weduwe De Vries in 1900 1 stuk Bulletrie, 2.52 K, voor ƒ 35,28. Bulletrie (ook wel bolletrie) is een verbastering van bulltree, een tropische boomsoort, met name uit Suriname. Vanwege de roodbruine kleur wordt bolletrie door onze timmerlieden wel met de naam paardenvleeshout en boerewei aangeduid, een uitermate sterk hout*

* Kloes (1892), 480. De “bulltree” geniet enige bekendheid als logo van Bull Computers.

Vanaf 1899 duikt de Zaankanter William Pont in de boeken op. Hij zal volgens de Zaanse Encyclopedie de grootste houthandelaar ter wereld worden.

In afwachting met achting, Altius

Maar Rinsje betrekt de natuurlijke grondstoffen voor de mastproductie niet meer alleen uit Harlingen en Noord-Holland, maar uit steeds meer verschillende hout havens. Vanaf 1903 komen ook houthandelaren uit de kop van Overijssel, ja zelfs uit Arnhem (De Russische Houthandel) en de havens van Rotterdam en omgeving in beeld*

* Vanaf 1909 doet de wereldhaven Rotterdam zich gelden. De handelaren W.S. van de Wetering & Co en Gebr. Hulsinga leveren dan veel stammen. Ook de Schiedammer houthandelaar H.J. Plant komt een keer in de boeken voor, en wel met vier 'Odessa vuren spieren', Archief De Vries, rekeningen 1909, Wetering, resp. 1899, Plant 23 mei. Maar de houthavens van Amsterdam en Zaandam zijn
belangrijker dan die aan de Maas en de Dordt.

Boonen & Van Hoogstraten uit Dordrecht zagen balken van Duits hout, die ze Rinsje te koop aanbieden. Dordt is al sinds de middeleeuwen een houtcentrum. De stammen komen in vlotten de Rijn afgezakt. Als kleinere Friese leveranciers mogen Wed. W.J. Oppedijk, Houthandel in IJlst, IJ. S. IJpma, Loonhoutzagerij te Woudsend en houthandel G.J. ter Horst uit Sneek niet onvermeld blijven. Maar hoe belangrijk Amsterdam, Zaandam en Harlingen als houthavens voor de firma De Vries zijn, blijkt uit de grafiek.

Lemmer-6.png

Bron van de grafiek: Archief De Vries, rekeningen 1899 en 1902. (N=totaal percentage).
Ook bij deze grafiek een slag om de arm, omdat mogelijk niet alle houtrekeningen
bewaard zijn gebleven.

Amsterdam en Zaandam danken hun hoge positie op de lijst aan hun handel in Amerikaans (pine) grenen. Harlingen, dat weliswaar als zeehaven zwaar heeft ingeboet*, kan zich als houthaven nog lange tijd handhaven. Eeuwenlang is het op Scandinavië en het Oostzeegebied georiënteerd geweest en Rinsje blijft de sparren nodig hebben die uit die gebieden afkomstig zijn.

* Harlinger ondernemers in 1892: 'Zoo moeten wij [...] wijzen op de afbreuk ons door Amsterdam, Zaandam en Delfzijl aangedaan, wegens de grootere capaciteit der havens tot het ontvangen van diepgaande schepen,' naar Van der Woude (1998), 68.

Bij de inkoop van het ruwe hout gaan forse bedragen om. De aankoop van ƒ 1.700,- van februari 1885 bij Altius in Amsterdam is een van de grootste in de hele boekhouding. Het is denkbaar dat Rinsje dankzij dergelijke geldverslindende inkopen nu en dan met liquiditeitsproblemen kampt. In ieder geval zijn enkele leveranciers ontevreden over haar tempo van betalen.

Er zijn herinneringen van Altius en Bontekoning & Aukes uit Amsterdam. Altius stuurt op 18 april 1902 dit memorandum: Mijn Heer! [sic] Wij vinden nog onbetaald openstaande posten van Mei; Augustus en November jl, te zamen groot ƒ. 380,25, en wordt het nu tijd deze eens afloopen en verwachten nog derhalve spoedig eenen remies daarover, In afwachting met achting, Altius. Men kan de Amsterdamse handelaar geen overdreven ongeduld verwijten. De herinnering betreft rekeningen van het vorig jaar.

Lemmer-7.png

Grafiek: Archief De Vries, kasboek 1925-1927, 9 apr-18 dec 1925. N=totaal
percentages.

In de tijd dat Jan Siebold aan het roer staat, zijn de houtleveranciers nog gedeeltelijk dezelfde. De Amsterdamse handelaars Altius, Ambagtsheer & Van der Meulen en Bontekoning & Aukes trekken een steeds groter aandeel naar zich toe (zie grafiek). Dat Harlingen in 1925 nog veel stammen levert, komt geheel op het conto van Fontein & Tjallingii* Zij zijn met hun tijd meegegaan en importeren Amerikaans grenen.

* In feite gaat het om een grote rekening van f 1075,03, Archief De Vries, kasboek 1925-1927, 19 nov. 1925.

Geschilde juffers en spieren in de kolk

Natuurlijk wordt niet al het ingekochte hout meteen verwerkt en gekocht. Blijkens het inventarisboek uit de jaren twintig bewaart Jan Siebold grote voorraden in en buiten de mastmakerij. In de mastmakerij bevindt zich het gezaagde en bewerkte hout in diverse stadia van het productieproces. Dat varieert van gezaagde iepen tot een oude gebruikte giek, en van een geschilde juffer tot een jagerspier. Verder enkele ruwe sparren en allerlei masten, bomen en stokken. In totaal staat en ligt er met oudjaar 1924 in de werkplaats voor ruim ƒ 2.060,- aan hout.

Het onbewerkte en voorbewerkte hout staat en drijft buiten. De firma Wed. S.J. de Vries in Lemmer beschikt over een eigen houtkolk. Die ligt eveneens aan de Polderdijk, een eind verwijderd van de mastmakerij, richting Gaasterland, vlakbij waar later de snelweg zal komen.

Het is zo'n dijkdoorbraak-kolk waar de houtvlotten werden neergelegd. De kinderen van Jan Siebold spelen er vaak. Samen met vriendjes vissen ze er met fuikjes op paling* De jonge Henny Kingma speelt wel eens mee. Soms ging het er wel gevaarlijk aan toe, bij die kolk. Als Jentje dat zag, gaf –ie een paar rake klappen.

* Jouw vader [Siebold de Vries} en mijn vader [vishandelaar de Rook] hadden daar fuikjes in staan en dat was voor mijn vader weer zeer aantrekkelijk, he, want wie had dat nou weer. De kolk is nu drooggelegd, 30 jaar een camping geweest is en nu worden er huizen gebouwd, Douwe Schirm in, Vraaggesprek met Judith Schirm-de Rook en Douwe Schirm, 12 februari 2004.

In dat water drijven op 31 december 1924 13 Behakte en 6 Bezaagde Am[erikaanse] Gr[enen] Balken. De behakte zijn tussen 15 en 20 meter lang, de bezaagde rond de 13 meter. Hun gezamenlijke waarde bedraagt ƒ 2.244,-. Dat is zo veel, dat elk van deze Amerikanen een apart nummer krijgt ingegrift. De Russische en Duitse bomen in de kolk hebben minder waarde: 2 Riga Grenen, van ongeveer 16 meter, waarde ƒ 167,-, en 12 Duitsche spieren van 14 meter, berekend op ƒ 197,-. In de vlotten in de kolk drijven nog 40 andere spieren, met een gemiddelde lengte van 8 meter 20, verder 36 iepen en een paar andere bomen.

Achter het huis staat een sparrenrek. Daar kon je heerlijk onder spelen. Wij roken blijkbaar altijd naar hout want als we ergens kwamen, zeiden ze: 'He, wat ruik je lekker'. Zelf rook je dat natuurlijk niet meer (Rinsje van Ommen, oudste dochter van Jan Siebold).

Voor de wal op de Polderdijk liggen oude masten van het schip Amstel, van onbekende eigenaar, van het vrachtschip van Franke Pasveer en van de aak LE 2 van visser Theade Wouda, beiden uit Lemmer. (Pasveer en Wouda hebben in de herfst elk een nieuwe grenen mast gekocht. En op de wal tenslotte staan 42 juffers en een jufferend (van 6 meter).

De totale waarde van ruw en verwerkt hout waarvan Jan Siebold op die Oudejaarsdag 1924 de inventaris opmaakt, bedraagt ƒ 6.218 waarvan ƒ 3.826 (61%) in onverwerkte bomen. Dit hout, bekapt en onbekapt, vertegenwoordigt een behoorlijk kapitaal ook al vóór de bewerking in de mastmakerij. Het vormt bijvoorbeeld 20-28% van de inkoop in de jaren 1900-1906 en 37% van de totale inventaris in 1924.

PDF
Bijlage 3 Inkoop Stammen 1874-1906
PDF [510.9 KB]
Download (6 downloads)