De Masten

De echtgenoot van Rinsje de Vries was gepatenteerd mast-, boom-, blok- en houten pompmaker. Dit patent geldt voor 1877-1878 

De mastmakers maken de meeste masten van stammen van Amerikaans grenen, eenmaal nader aangeduid als van Maine afkomstig en een paar maal stammend van Oregon. De masten voor aken, botters en tjalken, dat waren allemaal Amerikanen.

Gurbe van Brug zet uiteen hoe het maken van een mast in zijn werk gaat: Voor de meeste masten moesten we dikke spieren hebben. De onderkant van de mast moesten we vierkant maken. We namen daarom liefst een die een beetje uitliep, dat er een dikke kont op zat, zeg maar. Dan was het makkelijker om hem vierkant te hakken. Is het end van de spier niet dik genoeg, dan komen er aparte hoeken op: De hoeken van onderen werden plat geschaafd en die spijkerden we er dan op. De rest van de mast tot de hommer bleef rond. (De hommer is een verdikking boven op de mast met de ogen voor het want). Daarbovenop komt de top.

Foto in de mastmakerij van Van der Neut te Lemmer door Carol de Vries, 2004.

De mast wordt gehakt en geschaafd tot hij mooi recht en glad is. De spieren waren allemaal niet even recht. Op de ene plaats moest er meer af dan op de andere. Alles op het oog, een lijn kwam er helemaal niet aan te pas. Ook schuurpapier gebruikten we vroeger nooit. 't Moest allemaal met een stukje glas bijgewerkt worden en dan gelakt. De mast voor een klein binnenscheepje maken de mastmakers meestal van Noorse spieren. Dan begonnen we 's morgens om acht uur en 's avonds om acht uur zat de mast erop. Een bedreven mastmaker als Gurbe van Brug doet een kleine mast in anderhalve werkdag in zijn eentje.

Met de kraan op de kade

Nadat de mast in de werkplaats is gemaakt, wordt hij op het schip geplaatst. De firma De Vries beschikt over een eigen laadboom op de Polderdijk aan de waterkant. Een schip dat in de Rien voor de mastmakerij ligt aangemeerd, kan zo gemakkelijk worden bediend. De kraan moet begin 20e eeuw op de kade zijn geplaatst en zal er begin 21e eeuw nog hetzelfde uitzien.

De gevel van de mastmakerij houdt de mast met laadboom als het ware vast: een ijzeren buis strekt zich uit boven de straat. Dubbele touwen dienen ervoor de top van de laadboom boven het water of boven de wal te manoeuvreren.

De kraan heeft ook de functie van speelgoed voor de kinderen van Jan Siebold. We namen dan het dubbele touw en slingerden aan de hefboom. Het is gebeurd dat mijn broer aan het slingeren was en terwijl hij boven het water hing, liet een van de touwen los. De knechten waren aan het schaften, maar gelukkig kon ik hem een ijzeren stag toesteken en kwam er iemand langs om hem eruit te halen.

Carol de Vries, die eraan toevoegt: ‘30 jaar later slingerde kleinzoon Carol aan het hijstouw van Singel 2 in Amsterdam heen en weer’

Als de nieuwe mast bestemd is voor een scheepswerf, wordt hij daar per vrachtschip naar toe vervoerd en in het onlangs te water gelaten schip gehesen. Op het terrein van scheepswerven staat meestal wel een kraan. G.J. van der Werff, scheepbouwmeester in Hoogezand, doet het primitiever. Hij verricht een en andere werkzaamheden aan de mast en declareert dan afzonderlijk: 2 keer met al het volk de mast opgeloopen! Het gezamenlijk lopend omhoog duwen van de mast kost De Vries twee kwartjes per keer.

Ook bij reparaties moet de mast soms worden gestreken. De fa. Wed. S.J. de Vries repareert in 1927 de mast van de Drie Gebroeders (LE 38) van Gauke Bootsma (van Fetje Rubert). Hij wordt van het schip gehesen en in de werkplaats opgeknapt. Het weghalen van de mast op 7 januari neemt drie kwartier en het weer terugzetten op 12 januari anderhalf uur in beslag. Kosten: samen ƒ 4,20.

Schouwmast, aaksmast en jachtmast

De firma De Vries maakt masten voor verschillende scheepstypen. Een Friese schouw bijvoorbeeld is een vrij klein platbodemjacht van meestal max. 6 meter, dat zowel in de binnenvaart als in de visserij wordt gebruikt. De bovengenoemde Drie Gebroeders van Gauke Bootsma (van Fetje) is een schouw, evenals de Twee Gebroeders (LE 182) die hij daarvoor heeft bezeten*

(1996), V-336, Visserijreg. Vlaardingen: LE 38. Voor de twee schouwen bezit Bootsma, een wat eenzame, stille man, die spoedig [1932, jh] naar Harderwijk verhuist, een aak: Huitema (1982), 249.

De Lemster vissersvloot telt een handvol schouwen. Jacob Thijsseling, Andries Fleer en Poppe Bootsma bevaren er elk een. Voor de Friese schouw Jonge Wietske (LE 53) van Poppe Bootsma hakken en schaven de mannen van Jan Siebold de Vries in oktober 1923 1 Gr. Schouwmast ad ƒ 52,50

Lemmer-10.png

De Friese binnenschouw is een platbodem met spriettuig 'die de kruidenier, boer en meelkoopman voor zijn dagelijks werk gebruikt'

Een mast voor een aak is vaak even lang als de aak zelf is. Dus voor een aak van 12 meter maakt de firma De Vries een mast van bijna 12 meter tot de hommer en 32 cm in het vierkant. Die kon ook kleiner zijn, bijvoorbeeld acht meter. Een aak van acht meter,- de mast ook acht meter. De dag na Nieuwjaar 1926 hakken en schaven Jan Siebolds mannen een mast voor de ijzeren aak De Jonge Andries (LE 64) van R. A. Visser, voor ƒ 57,- plus een gulden smidswerk. De aaksmast is iets langer dan een schouwmast, en duurder. Meer dan ƒ 50,- is een fors bedrag voor vissers die in die jaren vaak maar een paar honderd gulden per jaar verdienen. Maar zo duur zijn nu eenmaal de sterke masten van Amerikaans pitch pine.

37-6.jpg

De Jonge Andries (LE 64, later ook als LE 58 geregistreerd), een aak van 11 m. 40, gebouwd in 1901 door J.J. Bos te Echtenerbrug, zal eigendom van de familie Visser blijven, tot hij in 1960 naar Hongkong verhuist. Maar hij zal weer terugkeren naar Friesland, thuishaven Tynje. Rechts de lange fokkenboom.

Specialisten in het bouwen van aken zijn de broers de Boer en hun beide ouders. De firma De Vries levert verschillende masten voor hun werf die schuin aan de overkant van het water is gelegen.

Af en toe maakt de firma De Vries een mast voor een zeiljacht. Jacht is de verzamelnaam voor allerlei pleziervaartuigen waar verschillende scheepstypes aan ten grondslag liggen. De Lemster zeilmaker M.F. de Vries heeft in 1927 het jacht Damkerken onder handen. Jan Siebold levert hem 1 Am. Gr Mast met werkloon van plaatsen en overplaatsen 1 mast; inruil oude mast + klamp voor ƒ 80,-. Hij krijgt er de oude jachtmast voor terug. 

Masten voor kwakken en tjalken

De mast van een kwak, altijd van Amerikaans grenen, is dikker en duurder dan een aaksmast. De kwak is de Volendammer vorm van de botter. Masten voor Volendammers waren 36 cm in het vierkant! Lengte: 7 meter 70 tot de hommer, plus 3.40 top erop. Die maakten we hier in Lemmer. De penningmeester van de vissersvereniging bestelde die masten. Verscheidene keren hebben we 't gehad dat we 's morgens om 5 uur met drie man eraan begonnen, haalden we de spier..., en dan was-ie 's avonds om elf uur klaar. Dan liep 't zweet je ook wel bij de rug neer, hoor! Om 11 uur moest de kwakmast gelost worden [bij de Lemmerboot naar Amsterdam]. Maar ze kwamen d'r hier ook wel opzetten. We hebben tijden gehad, dat we d'r hier altijd eentje half klaar hadden liggen.

Gurbe van Brug zal zich in 1967 herinneren vrij veel masten voor Volendam te hebben gemaakt. De boekhouding bevestigt dat. Klanten zijn de Volendammer havenmeester Mol (is hij de bewuste penningmeester?), zijn weduwe (19211925), en de scheepswerf van A. Hakvoort in Monnickendam. Alleen al in 1925 levert de firma De Vries vijf kwakmasten en een markermast aan de helling van Hakvoort. Elk van deze masten kost ƒ 325,- Ze maken samen 9% van de omzet van dat jaar uit. En in 1925 vervaardigt de mastmakerij 11 kwakmasten voor een gezamenlijke waarde van ƒ 2.850,-. Dat is 11% van de jaaromzet en maar liefst 23% van de gespecificeerde jaaromzet. Ze gaan nu rechtstreeks naar Volendam, naar de helling van de Gebr. Jan en Kees Hoogland. Een jaar eerder heeft weduwe Mol nog voor deze Volendammer werf bemiddeld.

Een nieuwe mast voor een grote tjalk is de trots van een Friese mastmaker. Een dergelijke opdracht brengt veel manuren werk met zich mee. Een zware mast van Amerikaans vuren van 15-17 meter kost drie man hak-, snij- en schaafwerk van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. De grootste tjalk die de mastmakers op de Polderdijk bediend hebben, is de ijzeren tjalk van Wiebe de Vries uit Medemblik.

Maar het zijn vaker kleine tjalken die voor een nieuwe mast aan de Polderdijk aanleggen. Het maken en plaatsen van een mast van zo'n 12 meter voor een binnenscheepje van 22 tot 24 ton is een dag werk voor twee man. De term skûtsje (van skute=schuit), die aanvankelijk kleine beurt-tjalken op de binnenvaart aanduidt, komt niet voor in het archief. Onder de vrachtschippers die een nieuwe mast bij de firma Wed. S.J. de Vries bestellen zijn Popke Steigenga uit Sneek (voor ƒ 200,-), J. van de Linde uit Makkum (ƒ 186,13), Mulder uit Gaastmeer (ƒ 125,-) en Jongeling, Mercurius (ƒ 199,25).

Schoeners, snikken en sloepen

Zijn de meeste masten van de firma Wed. S.J. de Vries bestemd voor botters, aken en tjalken, af en toe werkt de mastmakerij voor meer zeldzame scheepstypes. Masten voor schoeners, met twee of meer masten de grootste zeilschepen, zal Van Brug in 1976 niet noemen. Maar het enorme bedrag van ƒ 941,70 dat de Amsterdamse kapitein Deen in 1921 aan goederen betaalt, is op zijn minst voor een en misschien wel voor twee nieuwe masten op zijn schoener Noordkaap bestemd . En in de voorraad van 1 januari 1927 komt een oude schoenermast voor die nog een inkoopwaarde van ƒ 75,- heeft.

Een uitstervend scheepstype is de snik of snikke, een laag en smal vaartuig dat in de noordelijke provincies altijd als trekschuit is gebruikt maar ook met een zeil erop als vrachtschip fungeert. De scheepsbouwers uit Stroobos, Gebr. Barkmeyer, kopen een snikmast plus giek voor ƒ 50,-.

De kleinste vaartuigen met een mast zijn vletten (te vergelijken met roeibootjes) en sloepen. Ze worden gebruikt als bijboot of vissersvaartuigje. Jan R. Visser vist vanaf 1913 op bot vanuit de half-gedekte punter Jonge Jan (LE 17) die voordien in Vollenhove als sloep diende. Hij verkoopt hem in 1922 voor een echte vissersschuit, een aak. En Marten Vlig vangt met een open zeil- of roeiboot (LE 114, naamloos) bot, geep en paling totdat hij het schuitje in 1922 laat slopen.

De firma De Vries verkoopt aan deze en andere vissers bootsmasten, die soms nog geen twee meter lang zijn. Ook de bijboten en sloepen van vracht-zeilschepen en stoomboten kunnen van een mastje voorzien zijn. Jan Siebold verkoopt in 1927 zeventien sloepmasten aan de scheepsbouwer De Vries Lentsch in Amsterdam-Noord, voor ƒ 6,48 per stuk. Bootsmastjes gaan o.a. naar Jelle Kolk, kapitein van de Lemster reddingsboot Hilda, voor ƒ 3,25.

De verkoopboekhouding van de jaren 1921-1927 vermeldt 278 masten. De gemiddelde prijs is ƒ 121,75, inclusief enig ijzerwerk. De prijzen variëren sterk, met de hoogste in 1925 (gemiddeld ƒ 203,50). Dit zijn op een na allemaal houten masten. In 1927 verschijnt voor het eerst een ijzeren mast in het archief van de firma Wed. S.J. de Vries in Lemmer. De fa. Van Couwenhoven uit Purmerend koopt dan 1 yzeren mast en laadb. (volgens opgaaf) voor ƒ 350,- samen.

Kokers, hommers en ezelshoofden 

De fa. Wed. S.J. de Vries levert ook de losse en vaste onderdelen van masten. Een steekmast heeft geen verstaging nodig en rust op het mastspoor dat onderdeks met bouten aan de kiel is bevestigd. Een mast die strijkbaar is, staat in een koker. De onderkant van de mast scharniert daarin. Zo herstelt Jan Siebolds knecht Frens de Vries de koker van een melkschouw van de Gebr. Lankhorst uit Heeg (2 uur werk en materiaal voor ƒ 1,00).

De hommer is een achthoekige of ronde krans aan de bovenkant van de mast. Hierop rust de ijzeren mastband die rondom voorzien is van ogen waar het want aan kan worden vastgemaakt. Boven de hommer bevindt zich de masttop waarvan de zogenaamde steng het belangrijkste onderdeel is. De steng is een goeddeels ronde stok die de mast verlengt. De steng kan op twee manieren met de mast verbonden zijn. Hij staat er ofwel bovenop, waarbij de hommer de verbinding vormt, dan wel ertegenaan, waarbij hij op twee plaatsen vastgeklemd wordt: aan de onderkant door het slothout en halverwege door een ring met een speciale vorm: het ezelshoofd.

Als de gebroeders de Boer met de bouw van de Westerdijk bezig zijn, bestellen ze bij Jan Siebold een steng voor op de mast. Die kost ƒ 5,50. Een hommer wordt in het archief krans genoemd. De mastmakerij heeft in 1927 5 Kransen (2 halve) en 9 idem m/ 4 oogen in voorraad. 2 Ezelshoofden + stagnok verkoopt Jan Siebold aan scheepbouwer A.F. v/d Werff aan de Schildkampen in Leeuwarden voor ƒ 10,-.

Ezelshoofd en slothout drukken de steng tegen de mast

Scheerhout, kloot en trommelstok bekronen de mast

Op de steng een trommelstok met een scheerhoutje

De steng is niet het enige onderdeel van de masttop. Op de steng is tegen inwatering een ijzeren bus geplaatst. De bus heeft de vorm en grootte van een misthoorn en heet trommelstok. Hij is voorzien van een verticale pen met schroefdraad waarop het scheerhout (lengte ongeveer 40 cm) vastgemaakt kan worden Daaraan wordt een lange smalle vlag genaaid die vleugel wordt genoemd. Het scheerhoutje is draaibaar en de vleugel eraan dient dan ook als windwijzer. De trommelstok is afgewerkt met een dop of moer, het hoogste punt van het schip.

Kleinere, enkelvoudige masten, dus zonder steng, worden ook met een kloot bekroond. Deze kloot, van een schijf voorzien, noemen Jan Siebold de Vries en Gurbe van Brug mastbol. Een steng met bol gaat in 1927 voor ƒ 4, - naar scheepsbouwer A.F. v/d Werff in Leeuwarden.

Van al deze onderdelen is er de meeste vraag naar trommelstokken en scheerhoutjes. De Heegster melkvervoerders Gebr. Lankorst kopen voor twee kwartjes 1 trommelstokje en Gauke Gerbens Bootsma haalt een nieuwe trommelstok (ƒ 1,50) met scheerhoutje (ƒ 0,50) voor zijn Jonge Gerben (LE 97). De verkoopboekhouding 1921-1927 vermeldt drie stengen (waarvan twee nieuwe, voor ƒ 4, - en ƒ 8, -), vier trommelstokken (gem. prijs ƒ 1,25) en vijf scheerhouten (gem. prijs ƒ 1,11).

Scheerhout met vleugel boven de kromme gaffel van een botterjacht (11 m.)

Laadbomen en gesneden bokkenpoten. 

De laadboom is het enige rondhout naast de mast dat de overgang van het zeilschip naar het stoomschip overleeft. Stoomboten zijn aanvankelijk nog met zeil en mast uitgerust voor het geval dat de stoommachine zou uitvallen. Maar naarmate het vertrouwen in de machine groeit, daalt het aantal zeilen zienderogen en dus ook al het rondhout waar het zeil aan bevestigd is. Dat is vanaf de jaren 20 van de twintigste eeuw een slechte zaak voor elke mastmakerij. Maar gelukkig voor de branche blijft de vraag naar laadbomen, laadpalen en de daarvoor nodige blokken en hijsdraad bestaan. De laadpaal is de rechtopstaande mast waar de voet van de laadboom op scharniert. Een laadboom blijft niet uit zichzelf schuin naar boven staan, dus deze mast blijft noodzakelijk.

De firma Wed. S.J. de Vries in Lemmer is als mastmaker zeer goed gekwalificeerd voor de productie van het rondhout voor de varende hijskranen. Stoom- en motorboten met laadbomen erop, afkomstig van De Vries, zijn onder meer de s/s Energie van Feenstra uit Groningen met een laadboom van onbekende afmetingen van ƒ 47,00, en een boot van Tielemans' Motordienst in Amsterdam die voor ƒ 37,50 een boom aanschaft van 11,50 meter lang en 20 cm doorsnee. Voor een zeilschip bestelt Van de Beldt, eigenaar van een werf in West-Graftdijk aan het  Noord-Hollands kanaal, voor ƒ 120,00 een Oregon laadboom, dus van Amerikaans grenen.

De Verkoopboekhouding 1921-1927 vermeldt twaalf laadbomen. De prijzen variëren extreem: van minder dan een ƒ 3,60 voor een gebruikte vuren tot ƒ 133,- voor een forse boom van Amerikaans grenen. De gemiddelde prijs is ƒ 30,38.

De schipper staat tussen twee bokkenpoten, de 'spieren, dienende om bij het mast-strijken den boktakel van den mast af te houden.' Zo voorkomt hij dat de mast op het dek smakt

Een losse hijsinrichting aan boord is de bokkenpoot, een beweegbare spier. Een bokkenpoot of een span van twee opstaande bokkenpoten houdt de voorstag op de juiste hoogte wanneer de schipper met een takel de mast strijkt*

* Voor het strijken van de mast gebruikt de schipper een boktakel die uit twee blokken bestaat waardoor meerdere malen een lijn is geschoren. Hij is geplaatst tussen de boegspriet en de voorstag die naar de top van de mast loopt. Door aan het losse part van de takel te trekken hout hij de mast tegen terwijl die gestreken wordt. Maar aan de boktakel heeft de schipper nog niet genoeg. ‘Men kan namelijk met behulp hiervan den mast slechts zoolang tegenhouden, tot de voorstag te
dicht bij den mast komt. Daarna zou hij vanzelf doorslaan. Dus moet het voorstag van den mast afgehouden worden door middel van twee beweegbare spieren, de bokkepooten’, Van Kampen (1924), 61-62.

De bokkenpoot is een van de producten van de mastmakerij. De Gebr. Schrijfsma uit Lemmer worden op 24 juli 1922 eigenaar van 1 Vuren Bokkepoot voor ƒ 7,-, welk bedrag ze al een week later betalen. De broers zijn binnenschippers. Zijn zoon was ook binnenschipper. Dat was een vrolijke man. Hij huwde de dochter van schipper Kuipers. Ze woonden aan de Vissersburen. In de voorraad bevindt zich een aantal gesneden bokkepooten, dat wil zeggen dat ze al wel met het haalmes zijn bewerkt, maar nog niet geschaafd, glad geschuurd en in de lijnolie gezet.

Er worden niet veel bokkenpoten verkocht. In de boekhouding staan er naast die van de Schrijfsma's nog twee. Er is er een in 1926 van ƒ 9,00 voor een zekere Veuger. Hoogeveen en Zwolle zijn de thuishavens van binnenvaartschippers met die naam. En een Noorsche bokkepoot ad ƒ 15,.- gaat het jaar daarop naar de Amsterdamse rederij Noorderveer die met vracht op Friesland, Groningen en Londen vaart.

Mastmaker Scholing aan het werk in de mastmakerij op de Houtmankade in Amsterdam.

PDF
Bijlage 4 Verkoop masten en laadbomen 1921-27
PDF [459.1 KB]
Download (6 downloads)