De jaren na 1750

De jaren na 1750

De jaren na 1750 zijn voor onze streek en dorpen van grote betekenis geweest. In die tijd n.l. was het meeste veen vergraven rond Giethoorn en kwamen deze mensen naar onze streken, waar nog volop goede veengrond aanwezig was. Ook waren hier al een paar grote veenbazen begonnen. Een paar van de grootsten waren: R.L. van Andringa de Kempenaer en A.A. van Andringa de Kempenaer, vader en zoon. Verder waren er Meine Sints Klijnsma en Albert Meines Klijnsma, ook vader en zoon. De laatste heeft de Klijnsmavaart laten graven.

De turfgravers van Giethoorn kwamen in grote getale. Het eerst vestigden ze zich rond Oudehaske en Rotsterhaule. Later kwamen ze naar Lemsterland, eerst in Oosterzee en later in Echten. In Oosterzee nam daardoor de bevolking toe met 30 gezinnen in de periode 1744 - 1796. In 1850 was de bevolking al verdubbeld tot 1013 inwoners. De vergravingen in Echten begonnen later. Rond de eeuwwisseling begon het aantal inwoners daar te groeien. De bevolking nam toe van 250 in 1809 tot 906 in 1850. Voor de afvoer van turf werden er twee vaarten gegraven, n.l. de Middenvaart die in het Tjeukemeer uitkwam en de Klijnsmavaart, die met de Pier Christiaansloot verbonden was.

Rond 1850 was het meeste veen al vergraven in het gebied rond Echten. De boeren woonden langs de Hoofdweg en het Krompad, waardoor de grond daar het langst onverveend bleef. Daar woonden ook de middenstanders en 8 veenbazen. De concentratie ging in oostelijke richting. Het begon in Oosterzee, waar eerst ook een vaart was gegraven voor de turfafvoer, de Gieterse vaart. In 1850 woonden er echter meer gezinnen in Echten dan in Oosterzee. De toeloop van turfgravers bereikte z'n hoogtepunt in de eerste 10 jaar van de negentiende eeuw. Vooral Echten was in de jaren na 1800 in trek. Ze werden meest Gietersen genoemd, maar kwamen niet altijd rechtstreeks uit Giethoorn. Er kwamen ook uit de buurt van Oudehaske en St. Johannesga, die van Gieterse afkomst waren. In die periode rond 1800 kwamen ook veel mensen uit Kalenberg en Wanneperveen naar onze buurt. Ook het dorp Muggebeet leverde turfgravers die hier hun broodwinning zochten.

We schreven al dat de jaren na 1750 voor onze streek en dorpen van grote betekenis zijn geweest. Een reden daar- voor is wel, dat de Giethoornse verveners een heel andere methode van vervenen meebrachten, dan men hier gewoon was. Hier was het de gewoonte eerst een dijk om het te vervenen stuk te leggen, dit eventueel droogmalen en daarna ver- venen. Nog een andere manier was om het veen gewoon uit te steken en dan te drogen. Dit z.g. 'wilde' vervenen kwam voor in de allereerste jaren. De Gietersen gebruikten een andere methode. Zij groeven het veen met lange baggerbeugels weg tot op het zand. Wanneer alles was vergraven en er geen land meer over was om de turf te laten drogen, werd de specie (hier noemen we het 'klijn') in een bok of praam naar een stuk land gevaren, waar het kon worden afgewerkt tot turf. Deze laatstgenoemde werkwijze had nogal grote gevolgen. Er ontstonden grote veenplassen, die nog groter werden door de wind en de golven.

Velen zagen deze manier van vervenen aan met grote zorg. Men zag wel, dat wanneer de graverijen zouden zijn afgelopen, er een landschap achterbleef, waar commercieel niet veel meer mee was te beginnen en dat de armoede hier slachtoffers zou maken. Niet alleen bij ons, maar overal waar werd verveend, zag men dit aankomen. Ook de overheid ging zich er mee bemoeien. De Friese Staten gingen er toe over om hier en daar het graven te ver- bieden op bepaalde afstand van de wegen, die dreigden te verzakken door ondermijning van het water. Jonkheer Johan Vegelin van Claerbergen schreef in 1766 al z'n bekende "'Vertoog over de veengraverijen' . Als zodanig was hij niet op het vervenen tegen, maar zag problemen met de vernietiging van land, vooral ook omdat dit tot grote diepte gebeurde door de 'Gieterse methode'.

In 1822 kwam er een 'Koninklijk Besluit' speciaal voor Friesland. Verveende of te vervenen percelen moesten t.z.t. bepolderd worden. Teneinde dit te bekostigen moest er een fonds komen, dat z'n inkomen kreeg uit heffingen die werden verkregen op het aantal roeden gespreide klijn. Ook werd er een 'armengeld' ingesteld, dat ten goede zou kunnen komen aan de werkloze arbeiders en hun gezin- nen, die na afloop van de verveningen achterbleven. Bij de invoering van dat 'slikgeld' bepaalde de provincie dat er voor elke honderd vierkante ellen vlakgemeten slik f.1,50 betaald moest worden, met daar bovenop vaak nog een bedragje aan armen geld. Deze slik- en armengelden hebben enorme bedragen opgeleverd

De grondverbetering

Lang voordat de veenpolder van Echten tot stand kwam, was men in het Echtenerveld al bezig, om de landbouw tot ontwikkeling te brengen. De vaarten, oorspronkelijk voor de afvoer van turf gegraven, deden ook dienst voor de waterafvoer. De watermolens onder Oosterzee en Echten, er stonden er 17 in totaal, zorgden ervoor dat het overtollige water op deze vaarten werd geloosd en via de sluizen naar de boezem werd gevoerd. Na de Franse overheersing waren enkele personen al met grondverbetering begonnen. Wij zouden dat vandaag de dag een kleine ruilverkaveling noemen.

Dit gebeurde n.l. in het gedeelte dat de Broeken werd genoemd (zie kaartje elders in dit boek). Het was een stuk van ongeveer 150 mad. Het bestond uit kleine, door elkaar liggende perceeltjes. Een goede vrucht kwam er niet af. In onderling overleg is het land in vier stukken verdeeld en zijn er sloten gegraven om de waters- tand te regelen. Na een paar jaar bleken de resultaten van deze verkaveling goed te zijn. De situatie bleef zo tot 1854. Toen kwam er een voorstel van Gedeputeerde Staten tot vaststelling van een reglement voor de bedijking en vervening van de veenpolder van Echten.

De veenpolder was groot 2091 ha. Er moesten dijken worden aangelegd, sluizen gebouwd en molens voor bemaling. Bij besluit van de Staten van 13 December 1854, no. 7, werd het reglement vastgesteld en het werd goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 17 Januari 1855. De uitvoering van de werken begon in 1856. Zo is langzamerhand een gebied ontstaan, zoals wij dat vandaag kennen.

De bevolking

Door de migratie van de turfmakers uit Overijssel is er hier ook het een en ander veranderd in de loop der tijden. Zo namen ze hun gebruiken mee, waarvan we er nu nog veel van kunnen terugvinden in onze samenleving. Ook de taal, het Overijsselse dialect, wordt vandaag de dag nog veel gesproken in onze streek. En niet alleen in onze streek, maar ook in St. Johannesga, Oudehaske en tot in de dorpen Luinjeberd en Tjalleberd is de invloed van de Gietersen nog steeds te vinden en wordt hun taal nog gesproken.

Na 1750

Zo hebben we kunnen lezen, hoe er in ons gebied gewerkt is en hoeveel mensen hun brood hier hebben verdiend. Was het voorheen een gebied met weinig bewoning en grote uitgestrektheid, met meestal een ruige vegetatie, later werd het door de verveningen meer bewoond en hebben velen jarenlang de kost kunnen verdienen in de brandstof- voorziening.Na hen kwamen de mannen die het land en de poelen in cultuur brachten en ervoor zorgden dat de land- bouw tot ontwikkeling kon komen.

De dichter Marten Jans had gelijk toen hij zei:

'En als het land is weg: Dat Roemrijke gewin, Is Ligt verdwenen mee, uit veler huisgezin. Wat zal het water dan, tot nut ons landen geven? Waar is al 't voordeel dan, zo hoog ge roemt gebleven? De boer vermist zijn land, het Arbeidsvolk vertrekt'.

Inderdaad, zo was het! Echter, ze zijn teruggekomen, die arbeiders, en hebben de grond verbeterd en daardoor werkgele- genheid geschapen, waar bewoning kon ontstaan, de boer z'n vee kon weiden en de middenstander z'n geld verdienen.

Zo zijn we gekomen bij het heden. Het dorp en veld heeft z'n geschiedenis. We hebben alles zien veranderen en we mogen stellen: ten goede. Het landschap dat wij vandaag de dag kennen, met z'n dorpen liggend aan het Tjeukemeer en z'n vruchtbare weiden rondom, doen ons zeggen met de dichter Gysbert Japiks:

'MAR BUWITE OP 'T FJILD, BELOAYTSE WY IN LlBB'NE WONDER-SCHILDERY'

DE SCHOTERZIJL

Wanneer we de ontwikkeling van onze dorpen, voorheen gelegen in de grietenijen Lemsterland en Schoterland, willen beschrijven, dan kunnen we niet om de geschiedenis van de Schoterzijl heen.
Verdiepen we ons in de historie van deze sluis, dan komen we bijzondere dingen tegen en ontdekken we, dat onze dorpen hun ontwikkeling mede aan deze sluis te danken hebben. De grietenij Schoterland strekte zich uit van de Schoterzijl tot Hoornsterzwaag. Een langgerekte streek langs de Tjonger.

De sluis die wij nu kennen is de tweede sluis van die naam. De eerste sluis had in vroeger tijden veel zuidelijker gelegen. Hij diende uiteraard de scheep- vaart, doch was tevens waterkering en werd gebruikt voor het regelen van de waterstand. In vroeger tijden was water de belangrijkste weg van vervoer. Dat de sluis oud is, bewijzen wel de stukken in het oude archief van de voormalige grietenij Schoterland. Hier komt het jaar 1073 naar voren, nu dus al meer dan 900 jaar geleden.

Dat er rechten bij de sluis hoorden, blijkt uit een akte uit 1842. De provincie Friesland heeft dan de eerste rechten van tol en ook de verpachting van het viswater bij de sluis.
Door de commerciële turfgraverij in deze buurten, vooral in de jaren na 1650, en in mindere mate de vrachtvaart, liepen de inkomsten door passage snel op. Duizenden doorvaarten en miljoenen turven zijn de sluis gepasseerd in al die jaren.

De rechten kwamen toe aan tien 'zijlgerechtigde' dorpen langs de Tjonger. Deze dorpen waren: Delfstrahuizen - Rohel - St. Johannesga - Gaast - Rottum - Rotsterhaule en Schoteruiterdijken. Ook Munnekeburen en Oldelamer deden mee.

Het bestuur bestond uit 20 volmachten. Deze werden gekozen uit de stemgerechtigde eigenaren van de dorpen. Stemgerechtigden waren eigenaren van grond of van een boerenplaats met erf. Werd het gebouw afgebroken, dan bleef men toch stemgerechtigd. De voorzitter werd uit hun midden gekozen. Deze voorzitter was jarenlang de Grietman (burgemeester) van Schoterland.
Dat er regels moesten zijn bij het schutten en wachten voor de sluis, spreekt voor zich. De regels werden opgesteld door de grietman.

De tekst was als volgt: Daniël de Block van Scheltinga' 'Grietman over Schoterland, ende Ordinaris Commissaris, mitsgaders de Volmachten van de Schoter-Zijl, ghelegen in Slickenburgh. Doen regte- lijk te weten, en verbieden wel expresselijk, dat hem nie- mand van nu voortaan hem zal vervorderen zich zelve door de zijl te mogen schut- ten, maar de Zijl-man, ofte iemand in zijn plaets die hij daer op sal houden, van nu voortaan ghehouden te wesen (volgens articel in de ver- pachtinghe gestelt) op de Schuttinghe te passen, alsdat niemand hem selver deur sal mogen schutten, ende so het gebeurde, ja so dickwijls het feite mochte geschieden, dat hem iemand selve deur Schutte, sal deselve alsmede de Zijlman telkens verbeuren twintig stuyvers. Ende dat degene eerst by de Zijl ghekomen zijnde, ende de Schepen ende Praernkens van 't Noorden koomende neffens Wijberbuerehoek, ende van 't Zuiden, op de hoek van de hoge Binnendijk, ghehouden sullen wesen mal- kander te wachten om in een Schuttinghe deur gelaten te worden by gelijke poene van twintig stuyvers. Ende so de Zijlman. ofte de geene bij hem daartoe ghestelt, niet gereed is om deur te Schutten, als hij volgens vorighe Condi- tien daar op aangesproken is, sal de Opsichter de luiden deur moghen Schutten, ende zal de Zijlman elke reys ver- beuren twintigh stuyvers: Alsmede dat alle Schepen ofte Kaghen, geen uitgesondert, leggende voor de Zijl, of in de stroom van de Zijl, de Schuttinghe of deurvaart hinderlijk zijnde ghelijcke breucke van twintigh stuyvers 't elcke reys sullen verbeuren, en dadelijk aan de geene die bij de Grietman Scheltinga ende de Volmachten tot Opsichter ghestelt is betaelt sullen worden, en in cas van weygheringe so dickwijls iemand in de Breucke vervallen is, zowel de Zijlman als andere, 't sy waar ofte in wat Grietenije sy woonachtigh sijn, volgens appointemente ende Commis- sie by de Ed: Heeren Gedeputeerde Staten daer op vergunt, veur de Executeur van Schoterland, de facto daer over ghe-executeerd sullen worden: Een yder wachte hem voor Schade!'

Het bestuur dat zich noemde "Volmachten over de Schoterzijl" bestaat nog steeds. Het vult zichzelf.indien nodig, aan. In vroegere dagen, vooral toen de sluis als zodanig z'n functie had verloren, werden uit de revenuen vaak armen bedeeld. Thans houden de volmachten zich o.a. nog bezig met ondersteuning van culturele zaken en het beheer van de eigendommen. 

De sluis met brug te Schoterzijl, met sluiswachterswoning. Wipbrug en molen op de achtergrond. De molen maalde uit op de Tjonger.

Schoterzijl

In een notitie in het Charterboek (11 no. 301) gaven Gedeputeerde Staten op 16 Juni 1698 hun goedkeuring aan de bouw van een 'zijl' in de rivier de Tjonger. Dit was niet de huidige sluis, die nog in redelijke staat aanwezig is. Op de kaart van Schotanus (1700) staat ook 'oude Schoterzijl'.

College van volmachten

Het college van volmachten is al heel oud. Hoe vaak men vergaderde hing af van de agenda. Feit is wel dat er naar een eigen gebouw werd uitgezien, waar men kon vergaderen. Dat ging als volgt: Het was in 1748 dat de toenmalige grietman van Schoterland, Menno Coehoorn van Scheltinga, een woonhuis ver- kocht, n.l. 'de Heerlijke huizinge bij de brug te Heerenveen'. Koper werd het college van volmachten van de Schoterzijl voor de som van f.5500,-.

Om het pand een bestemming te geven, liet men het inrichten als hotel- en zaalaccommodatie voor vergaderingen. Huurders waren o.a. de heer Groen en de heer Vernimmen, bij velen nog een bekende naam. De volmachten hebben het gebouw verhuurd van 1748 tot 1893 en het toen verkocht aan Pieter Adam Korff, voor de som van f.14.000,-. Het bleef ook daarna als café en zalen verhuurd tot 1964, waarna het een andere bestemming kreeg.

In de Leeuwarder Courant van 24 Augustus 1799 stond de volgende advertentie: "De gezamenlijke volmachten van de 'Schoterzijl" zullen door een commissie uit haar midden, ten overstaan van een commissaris uit den gerechte van Schoterland, bij besloten briefjes precenteren te verhuren: de Huizinge, en vanouds zeer vermaarde Herberg 'Het Heerenlogement' genaamd, met de daarbij behorende drie kampen weiland, alles in dier voegen als door Ruurd Stellingwerf, en naderhand, door des zelfs van hem gescheiden huisvrouw Griet- je Yntes, is bewoond en gebruikt, staande en gelegen op het Heerenveen, en zulks voor de tijd van vijf eerst komen- de jaren, in te gaan op Petry en Mey 1800 en te eindigen op gelijke tijden in denjaare 1805'.

Het college van volmachten bestaat nog steeds en functioneert nog als vanouds. Dat het college zichzelf aanvult, indien nodig, blijkt uit een advertentie in de krant van 1958. "De administrateur van de fondsen der voormalige Schoter- of Slijkenburgerzijl, roept de floreenplichtigen en stemgerechtigde ingelanden van het dorp Schoteruiterdijken op voor het benoemen van een volmacht, op donder- dag 18 September om 2 uur in café Nolles te Delfstrahuizen". De administrateur was J.S. Akkerman. De nieuw gekozen man was Arjen de Jong van Delfstrahuizen.

Dat er gelden werden gegeven voor de armen- zorg, was bekend. Maar ook andere doelen kregen een financiële ondersteuning. Zo werd er ten behoeve van de aanleg van een kunst- weg van Echtenerbrug tot Rottum, gedurende 15 jaar telkens f.1000,- per jaar bijgedragen, volgens een aantekening uit 1855.

Inwoners van het gebied tussen Delfstrahuizen en Rottum hebben honderden jaren lang brood, vlees en spek gekregen. De uitdelingen vonden meestal in de maand februari plaats. Het waren in deze streken meest uitgeveende gronden en die stonden 's winters meestal onder water. Zodoende was er veel werkeloosheid en armoede. Er waren nog geen sociale voorzieningen en daardoor waren veel gezinnen overgeleverd aan armoede en honger en dus afhankelijk van liefdadigheid.

Er waren soms honderden gesteunden. Wanneer men vroeg waar het geld vandaan kwam, antwoord- de men meestal: 'Van de Schoterzijl". Verder waren ze niet op de hoogte.
Het college werd ook wel (in de pers) beschreven als 'de Club van Twintig'. Soms een beetje geheimzinnig. In oktober kwamen de mannen bijeen. De traditie was, dat ze dan gerookte paling op het menu hadden staan. De heren werden voor het leven gekozen. Wanneer iemand overleed, werd een kandidaat voorgedragen.

De verkiezing was bij acclamatie. In deze situatie is niet veel veranderd. Er zijn nog steeds 20 volmachten. Drie bestuursleden hebben een functie als administrateur, voorzitter en secretaris. De vergaderingen worden gehouden in een zaal van het landgoed 'Oranjewoud' en vinden in oktober plaats. Het vergaderen in het laatst van het jaar en dan bij voorkeur bij lichte maan, vanwege de begaanbaarheid van de wegen, dateert nog uit vroeger tijden. Tot de floreenplichtigen behoorden allen die belang hadden bij een betere ontwatering van de Tjonger. In het begin leverde de sluis geen geld op, maar waren er wel veel kosten.

Toen echter de landerijen in Oldelamer en Nijelamer werden aangestoken voor turfwinning, veranderde de zaak. De turf die daar werd gestoken en later ook in de andere landen in ons gebied, was van zeer goede kwaliteit. Zo werd er dus veel meer gebruik gemaakt van de sluis voor vervoer van deze brandstof en dus veranderde ook de financiële situatie. Er was echter ook vaak schade geweest aan de sluis en daarom werd de hulp ingeroepen van de Staten van Friesland. Dezen wilden wel helpen, maar dan moest de sluis worden overgedragen aan de provincie. Dit ging niet door.

Amelius van Oenema, destijds grietman van Schoterland, verzette zich daar tegen, waarop de Staten niet meededen. Er was maar één oplossing: de sluisgelden moesten omhoog. De sluis in Lemmer vroeg 6 stuivers voor het schutten van een turfschip, doch in Schoterzijl was dit maar 2 stuivers. Daar de tarieven werden vastgesteld door de Staten, werd dit college gevraagd het tarief te mogen verhogen. Het verzoek kwam van de grietman van Weststellingwerf, Dirck van Baerdt en de grietman van Schoterland, Amelius van Oenema. Het verzoek werd toegestaan: in Schoter- land kwam het sluisgeld ook op 6 stuivers.

Zo is de Schoterzijl van grote invloed geweest op de ontwikkeling van onze dorpen. Duizenden vaartuigen en miljoenen turven zijn door de sluis gegaan. Veel mensen zijn in tijden van armoede geholpen en veel verbeteringen zijn mede door het goede beheer van de volmachten tot stand gekomen.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.