Home » Lemmer » Lemmer - Oude geschiedenis » Lemmer, een tamelijck vleck, neerich ende leeftochtich

Lemmer, een tamelijck vleck, neerich ende leeftochtich

Christus fan Lemmer.

Het gezicht van een man of vrouw, verschijnend tussen bladeren. Een voorbeeld van dit type in Fryslân, is de steen die in de negentiende eeuw werd gevonden in de zeewering bij Lemmer: een gelaat omgeven met wijnranken. De betekenis zal zijn ‘Jezus als de wijnstok’. De steen wordt gedateerd in de twaalfde eeuw en komt mogelijk uit het Sint Odulfusklooster van Starum.

In het Fries museum bevindt zich een merkwaardige steen, die al ongeveer 1000 jaar oud moet zijn. Eigenlijk is het maar een fragment want het bovenste gedeelte van de steen ontbreekt, doch wat het belangrijkste is, is bespaard, n.l. de voorstelling van een Christusfiguur.

In Denemarken is een soortgelijke steen gevonden, die volgens deskundigen uit dezelfde tijd dateert en die evenals de "Friese steen" een sterk Ierse invloed vertoont. Dit stuk zerk nu uit de aller oudste christelijke periode is gevonden te Lemmer, toen men daar bezig was met herstelwerkzaamheden uit te voeren aan de Sluis. We mogen er een bewijs in zien, dat in de 10e eeuw in deze streken een nederzetting was en dat die Christus als Heer en Verlosser had leren kennen.

Afb van: Tresoar.nl/wumkes

Een der drie districten, waarin het oude Westergo eertijds verdeeld was, droeg den naam van Weembrugge of Wagenbrugge. Dit district was — tenminste in de 15de eeuw — gesplitst in de dekenschappen Opper-Wagenbrugge en NederWagenbrugge; het eerste omvatte de grietenijen Doniawerstal en Lemsterland, het tweede Wijmbritseradeel.

In dien tijd was Lemsterland samengevoegd uit wee deelen, n.l. de Trije Geaën (Drijgaen) of Drie Dorpen: de Lemmer, Eesterga en Follega, welke later, tijdens de Saksische heerschappij, ook onder den naam van „Lemster-drie-dorpen" voorkomen, en Oostzingerland, bestaande uit de dorpen Oosterzee en Echten, met hunne omgeving.

De vijf genoemde dorpen komen in 1505 voor onder den naam van de LemsterVijffghae (= de Lemster vijf dorpen). Oorspronkelijk tot Westergo-behoorende, werden ze in het midden der 15de eeuw bij Zevenwouden gevoegd. Onder de Saksische en Bourgondische heerschappij was Lemsterland blijkbaar tijdelijk met Doniawerstal vereenigd. Buiten de bovengenoemde vijf dorpen bevonden zich oudtijds in Lemsterland nog een tweetal, n.l. Bant en Lemsterhorne, welke in den loop der middeleeuwen geheel verdwenen zijn. Beide laatste, benevens de Lemmer, Eesterga en Follega, komen o. a. in 1398 ook voor onder de benaming van de (Lemster) Vijfgaeen.

Naamsoorsprong.

Jhr. mr. M. de Haan Hettema gaf in 1840 een tweetal — o. i. gezochte —verklaringen, volgens welke Lemsterland, wegens de belangrijke uitwateringen ter ontlasting van het binnenwater bij Takezijl en de Lemmer overdrachtelijk of sluizenland óf stroomland, land der uitwateringen zou beteekenen; in het eerste geval ging hij af op de verklaring lemmer, lammer = verhindering, in het tweede beriep hij zich op de afleiding lemmen = vloeien, stroomen.

Meer waarschijnlijk zal men verband van den naam moeten zoeken met dien van het riviertje de Linde, vroeger Lende, en oorspronkelijk — althans reeds in 1165 — de Lenne genoemd. Misschien viel de Tsjonger oorspronkelijk in de Lenne, ongeveer ter plaatse waar nu Kuinre ligt, of mogelijk iets noordwestelijker, en stroomde de Lenne toen noodwestwaarts, tot zuidelijk een zijtak, de Nakala, naar het Flevo-meer liep én noordelijker eene verbinding met de Friesche meren bestond, totdat ten slotte het tusschenliggende veenland wegspoelde, omdat de zee dit riviertje opliep.

Lemsterland, verkorting voor Lennemersterland = Lennemerland. zou dan beteekenen: land van de Linde.

Ligging en uitgestrektheid.

De gemeente bestaat grootendeels uit laagveen, zoowel uitgeveende plassen als weilanden; alleen in het uiterste oosten ligt eenig buitendijksch Weiland. Zij bevat uitgestrekte binnenwateren: de Tjeukemeer, de Groote Brekken, de Brandemeer of Kleine Slootermeer, benevens de uitgeveende plassen in het Oostzingerland, en verder een aantal groote stroomen en vaarten,- als: de Rien (betekend in het Keltisch stroom)) ter onderscheiding ook wel Lemster Rien genoemd, tusschen de Tjeukemeer en de Lemmer; de Rien, ook wel de Woudsloot genoemd, bij Follega uit de Tjeukemeer naar de Groote Brekken vloeiend;de Lange sloot, de Follegasloot, de Dijksloot en de Dijk vaart; de Kromme Ee tusschen Groote Brekken en Brandemeer, grootendeels grens tusschen Lemsterland en Doniawerstal; de Worstsloot, grens tusschen Lemsterland en Overijssel.

Hare grenzen zijn: in het N.W. Doniawerstal; in het O. en N.O. Schoterland, waarvan zij door een scheidlinie, die met een hoek door de Tjeukemeer loopt wordt afgescheiden; in het Z.O het oude graafschap Kuinre, thans een deel van Overijssel uitmakende; in het Z. de Zuiderzee en in het W- Gaasterland, uit wateren en scheidliniën bestaande.

De gemeente strekt zich uit over eene lengte, en tevens over eene breedte van ongeveer drie uren gaans. Zij beslaat thans eene oppervlakte van 6888 hectare.

Bevolking.

Lemsterland telde

  • In 1714: 1164 zielen.
  • In 1744: 1571 zielen.
  • In 1814: 3029 zielen.
  • In 1840: 4729 zielen.
  • In 1874: 5076 zielen.
  • In 1884: 5723 zielen.
  • In 1914: 6706 zielen.
  • In 1925: 7422 zielen en
  • In 1929: 7416 zielen.

De belangrijke aanwas tusschen 1744 en 1814 is misschien te verklaren uit de gunstige omstandigheden, welke den oorlog, die in 1756 over Europa losbrak, voor de Lemmer tengevolge had, toen namelijk door den strijd- der buitenlanders de bloei harer reederijen zeer bevorderd werd.

Uit bovenstaande cijfers blijkt, dat de bevolking in de honderd jaren tusschen 1714 en 1814 bijna verdrievoudigd werd, in de Volgende honderd jaren, tusschen 1814 en 1914, ruim verdubbelde, en sedert 1925 vrijwel stabiel is gebleven. De bevolkingsdichtheid der gemeente bedraagt 125.1 (n.l. per vierkante K.M.).

De inwoners vinden tegenwoordig hun bestaan voornamelijk in veeteelt en zuivelbereiding, veenderij, scheepvaart en visscherij, benevens eenige industrie in de hoofdplaats.

Het Wapen

der gemeente vertoont in een veld van zilver, een arm van rood, komende uit den rechter schildrand, dragende op de hand van natuurlijke kleur, een wereldkloot van goud; het schild gedekt door een kroon van goud.

Wapen van Lemsterland (anno 1664)

Een volksrijmpje zegt hiervan:

„In jiffrou mei in bal yn 'e hân
Is 't wapen fen Lemsterlan."

Opmerkelijk, dat het eertijds nauw met Lemsterland verbonden Doniawerstal eenzelfde wapenfiguur, zij het in omgekeerde houding, vertoont. Lemsterland's hoofdplaats is sedert onheugelijke tijden het vlek

De Lemmer.

De laatste uitspraak wordt vooral in den Frieschen Zuidwesthoek gehoord. Oorspronkelijk zal deze plaats geheeten hebben: de Lennemer-ich = de Ljamer-ich (Ao. 1313) wordt zij Lya(m)rich genoemd), waarvan in den loop der eeuwen het woordje ich = oever (In die beteekenis is in de Beneficiaalboeken ± 1543 meermalen in Lemsterland sprake van de ooster- en wester-ech), weggelaten en Lennemer tot Lemmer samengetrokken werd. De beteekenis van den plaatsnaam wordt dan: de oever der Lenne (zie boven). Linde. Daardoor laat het zich ook verklaren, waarom men nog spreekt van (b.v. wonen) op de Lemmer.

In de Lemmer (a° 1309). Lyarich (1313.,, tottens Lemmer toe (1411), van der Lemmers (1421), in der Lemmer (1421), voor (der) Lemmers (1425)  in-dae Lyaemmer (1471), foer dae Liammer (1488).

Reeds in 1313 was de Lemmer belangrijk als plaats, waar de volksvergadering (de coetus de Lyarch) gehouden werd. Met Harlingen bezit het de eenigste Friesche haven welke zoo goed als nimmer geheel dichtvriest.

De Parochiekerk. Bij den brand waardoor de Lemmer in 1516 geteisterd werd, bleef de middeleeuwsche parochiekerk behouden. Doch ongeveer een kwart eeuw later schijnt zij toch een prooi der vlammen te zijn geworden: want in de opgaven der inkomsten uit de geestelijke goederen van 27 Februari 1543 verklaren Heer Pieter, pastoor, en Heer Folckert, vicaris aldaar, te hebben twee „dachmoed wtzeth (= van de hand gedaan) tot reparatie van de verbrande kereke te Lemmer.

Verder lezen we in die opgaven: „Geeft te kennen Claes Heynis, dat hy heeft gecocht, een hoeffd (= 27,56 are) gras van de Patroen in de Lemmer, by consente (= met toestemming van) de gemeente ende Voichten, ende is opgeslaegen by de bernender kersse (Eertijds hadden openbare verkoopingen plaats bij brandende kaars), want de kereke verbrant was ende lach onder de voeten ende de gemeente waer selue oeck verbrant (= in ongelegenheid); de coep is geschiet op den krekte prys. Geeft oeck desgelycks te kennen Sipcke Hollis, dat hy heeft gecocht van de Voechten in de Lemmer, bij consent de gemeente, een pondemaete in manieren ende oersaek als voeren.

Wie eertijds hier kerkpatroon was, bleef ons onbekend. De daarop gebouwde kerk heeft het geen twee eeuwen uitgehouden; in 1716 moest deze wegens bouwvalligheid worden afgebroken, waarna terzelfder plaatse een godshuis door de Ned. Hervormde gemeente gesticht werd.

De Roomsch-Katholieke gemeente.

Van hare geschiedenis is, tot aan het einde der 18de eeuw, weinig bekend; hare oudste bescheiden dagteekenen van 1798.

Tot 1853 waren de Lemmer en Follega tot één parochie samengevoegd; sedert genoemd jaar vormde de Lemmer enkel een parochie. Achtereenvolgens hebben haar gediend de volgende pastoors:

Pastoors,

  • sedert 1788: N. Albring,
  • sedert 1800: G. J. Albring,
  • sedert 1822: R. van der Werf,
  • sedert 1829: P. Kerstens,
  • sedert 1832: J. Hebben,
  • sedert 1838: N. Besseling,
  • sedert 1875: B. Hooiman,
  • sedert 1884: J. H. Joosten,
  • sedert 1893: T. Pelgrum,
  • sedert 1906: H. G. G. Overbeek en
  • sedert 1922: T. Galama.

Het tegenwoordige kerkgebouw, gewijd aan de H. Willebrordus, staande aan de Beneden-schans, werd gebouwd door den Haagschen architect Nicolaas Molenaar.

Het is driebeukig aangelegd en beslaat uit een schip ter diepte van vier traveeën, dat in het westen met een smallere travee, waarin een ruime tribune, aan den toren verbonden is, en in het oosten aansluit bij een driezijdig gesloten priesterkoor.

Bezijden den toren vindt men, ten zuiden, een doopkapel en in het noorden een ruime catechismus, kamer. De drie beuken worden gescheiden door zuilen, welker kapiteelen schalken dragen, waarop de gordelbogen en ribben der kruisgewelven rusten.

De kerk heeft ruimte voor meer dan 300 zitplaatsen. Zij is 25 Juni 1901 door Utrechts toenmaligen aartsbisschop H. van de Wetering geconsacreerd.

De kerk der Ned. Hervormde gemeente.

Geljk we reeds mededeelden, werd met den bouw hiervan in 1716 aangevangen, terwijl hij in het daarop volgende jaar grootendeels voltooid werd.

Den 15den Mei van eerstgenoemd jaar werd door den houtkooper Nanne Anes de eerste steen er aan gelegd, terwijl kerk en toren beide gebouwd werden door den meester-timmerman Auke Bouwes Disma.

De eenvoudig uitgevoerde kerk bestaat uit een langschip, met een door drie zijden gesloten oosteinde. Tegen den noordkant werd in 1759 (Omstreeks dat jaar werd, volgens den 'Tegenwoordige Staat v. Friesland 91787) de kerk geheel nieuw opgetrokken'; hiermee zal bedoeld zijn: 'Vernieuwd en vergroot'.) een dwarspand, en veel later tegen de zuidzijde een catechisatielokaal aangebouwd. De ramen zijn alle met een rondboog gesloten. Boven den noorderingang geeft een memoriesteen te lezen:

Den 5 Maij 1716 heeft Nanne Aenes holt
kooper inde Lemmer van deese Kerck
en Tooren de eerste Steen gelegt, Al die hier komt en Siet dit Schoon gebou eens aen,
Wilt hier niet Buiten blieven Staen
Maer hoort met vlijt datter wort geseid
Opdat door GOODES Geest en
woort de Eerste Steen oock wort geleit
In U en Mij ook altesaem
Ick sluit hier mee in GOODES Naem.

Meer aan den zuidkant leest men boven den ingang:

Pieter Joris en
Anne Teunis
beijde Kerck-voogden
in de Lemmer
Auke Bouwes Disma
Mr. Timmerman van
dese Kerk en Toorn
1716

Ook van binnen is de kerk eenvoudig ingericht: inwendig is zij gedekt met houten, ellipsvormige tongewelven; haar wanden zijn gescheiden door gegroefde pilasters met lijstkapiteelen, waarop de balken liggen.

Eertijds kwamen ook in deze kerk ramen met gebrandschilderde, in lood gevatte ruitjes voor. Een er van, dat onlangs een plaats in het Friesch Museum van Oudheden te Leeuwarden kreeg, geeft de volgende opschriften te zien:

De kerkenraad van den dorpe Lemmer,
Harmannus Phocilides, verkondiger van Gods heilig woord 1717,
Naime Anes Houtcoper en Ouderling, Anno 1717
Wilhelmus Tadema, mr. Schirurgijn en Diaken, Anno 1717 en
Sije Joeckes, mr. Smid en Diaken, Anno 1717.

De prachtige, gebeeldhouwde preekstoel is in 1745 vervaardigd door den onbekenden "antieksnijder" G. J. V. Zij bevat een rijk versierde trap, gesneden kap. boomen, leuningen, trapgevel en balusters.

De paneelen geven eene voorstelling der vier evangelisten te zien, terwijl het voorste paneel eene allegorie op het Oud en Nieuw Testament vertoont. Op de hoeken der knip komen fraaie caryatiden voor. Beneden de kuip, op den voet, ziet men eveneens prachtige, gesneden bijbelsche voorstellingen: de opwekking van Lazarus: de jongeling van Naïm, het dochtertje van Jaïrus en de steeniging van Stefanus. Ook het rugstuk is fraai versierd, terwijl het klankbord een prachtige omlijsting van loofwerk draagt.

Van de zoldering hangen een drietal 17de eeuwsche, geelkoperen kaarsenkronen af. Het kerkorgel in empire-stijl uitgevoerd, werd in 1842 vervaardigd door den Bolswarder orgelmaker D. IJpma, en den 28sten Augustus van dat jaar ingewijd.

Onder den houten vloer bevinden zich verscheidene grafzerken. Een vijftal daarvan, nog in uitstekenden staat verkeerend, kwamen bloot, toen na den brand, welke 12 Maart 1911 het kerkgebouw bedreigde, een gedeelte van den houten vloer opgebroken moest worden om het door de brandspuit ingespoten water te verwijderen.

Eén daarvan, welke het graf dekte van Poppe Jans Poppes, in leven koopman te Lemmer en oud-mederechter van Lemsterland, ontslapen den 9 Mei 1810, in den ouderdom van 66 jaar en 3 maanden, bevat het navolgende vers:

Tree sterveling die gij zijt, dit graf eerbiedij tegen,
Hier rust het stoffelijk deel van eenen menschenvrind.
Als steun der zuivere leer en trouwe burgervader
Geheel zijn leven door bij arm en rijk bemind.
Als ramp af smart hem trof
Gelaten in zijn lot,
Geniet hij het loon der deugd
Bij een vergeldend God.

De tegenwoordige begraafplaats ligt noordwaarts van de Lemmer, aan den westkant van den straatweg. Tegen de westzijde van de kerk staat de vierkante toren, met een tweetal verdiepingen, elk met een balustrade voorzien. De benedenste verdieping bevat het toren uurwerk. De bovenste is een opengewerkt, houten achtkant, gedekt door een koepelbekroning in baroc-vorm; het dak dier bekroning draagt een knop met stang en windvaan.

Op de kaart van Lemsterland bij Schotanus (a°. 1664) is de toren afgebeeld met een spits, en ook de 'Tegenwoordige Staat van Friesland', van 1787, spreekt nog van de kerk als „versierd met een fraaien spitsen toren."

In den toren hangt een luidklok met het volgende opschrift: "Henrick Wegewaert maeckte mi in der stadt Campen anno 1598." Klaarblijkelijk is deze klok afkomstig uit het bouwvallige kerkgebouw, dat in 1716 afgebroken werd. Het cachot onder den toren droeg ook hier, reeds in de 18de eeuw, den naam van 'hounegat', zooals blijkt uit een streng vonnis, wegens dronkenschap, waaraan Murk Jans van de Lemmer zich in 1792 schuldig had gemaakt, en die "te zijner correctie" eerst zes dagen op water en brood werd gezet in het Hondegat aldaar, en vervolgens opgezonden werd naar 's Landschaps Tuchthuis te Leenwarden.

Het avondmaalszilver der Ned. Herv. gemoente is van weinig belang.

Deze gemeente bestaat uit de combinatie de Lemmer, Follega en Eesterga: tot in het jaar 1665 bevond de pastorie zich te Eesterga; daarna te de Lemmer.

Van de 24 Predikanten, welke haar tot heden bediend hebben, was de eerste de Lemster vicarius Johannes Lemmarus, klaarblijkelijk aldus genoemd naar de Lemmer. Wegens geloofsvervolging moest hij in 1567 vluchten, en had omstreeks 1597 tot opvolger den Balkster predikant Lambertus Levini Levink, die in 1620 te Eesterga overleed.

Na dezen volgden een vijftal geboren Friezen, n.l. in

  • 1620 Wilco Hermanni Somer of van Someren. geb. te Leeuwarden; 
  • 1629 Schultetus Everhardi, geb. te Bolsward;
  • 1649 Pybo Johannes Nauta, geb. te Franeker;
  • 1657 Henricus Daversman, geb. te Sneek;
  • 1666 Aegidius Broersma, eveneens te Sneek geboren. Deze betrok voor het eerst de pastorie te de Lemmer, nadat Daversman begin September 1665 op die te Eesterga overleden was.

Op Broersma volgden in 1670 Isaäc Lydius, en 10 jaren later Rudolphus Noordbeek. Na deze volgden weer twee Friezen, n.l. in 1685 Ciricus Robijnsma, gehuwd met Teatske Tania, en in 1715 Hermannus Phocylides (= Fokkes), gehuwd met Aafke Riemersma.

Een zoon van laatstgenoemden is langen tijd schoolmeester op de Lemmer geweest. Onder Phocylides werd in 1716 het kerkgebouw ingewijd met de woorden uit Jesaia 2:3. Na 42-jarigen dienst alhier nam hij, emeritus geworden, afscheid met den zegenwensch van Paulus. 2 Cor. 13 : 11 en overleed in 1765 te de Lemmer, oud ruim 80 jaren.

Daarop deed in 1758 zijn intrede Georgius van Bleiswijk, die o. a. den 12 Augustus van het volgend jaar in de vernieuwde kerk eene feestrede uitsprak naar aanleiding van Spreuken 8 : 3. Na hem kwamen in 1801 Johannes Schoonderbeek, en in 1805 Johannes Jacobus Lorgion, gehuwd met Jacoba Diest. Beide laatste echtelieden zijn in 1821 overleden en te Eesterga begraven; hun zoon was de latere Groninger hoogleeraar in de Theologie Evert Jan Diest Lorgion, geboortig van de Lemmer.

Bijna 45 jaren was hier vervolgens werkzaam Wessel Middelveld, die 1 October 1822 zijn intreerede hield, na verkregene emeritaat in 1867 zijn afscheid preekte naar aanleiding van 1 Joh. 2 : 18a, en 11 november 187 te Groningen overleden is. Wegens zijn krachtig geluid bij het preeken was hij bij velen geliefd. Van hem staat geboekt, dat hij heeft te Lemmer „omtrent 7000 maal den predikstoel beklommen; bijna 3200 kinderen en bejaarden gedoopt: 179 maal het avondmaal bediend circa 1100 op belijdenis aangenomen; ruim 6 huwelijken ingezegend; meer dan 700 lidmaten met den gebruikelijken voorgang mee ten grave gebracht, en behalve daarbij, ook bij bijna alle andere begrafenissen van klein en groot toespraken gehouden, vroeger in de kerk en later in de sterfhuizen of elders"

Na Middelveld hebben achtereenvolgens de gemeente bediend;

  • 1868—'71: J. van Heerde;
  • 1873—'74: A. W. L. Talma;
  • 1875—'79: J. H. F. Gangel;
  • 1880—'82: J. Hulsebos;
  • 1883—'85: J. A. Ruijs;
  • 2 Mei—10 Oct. 1886: P. H. Wiersma;
  • Na een vierjarige vacature, tengevolge van de Doleantie
    sinds 21 Dec 1890: O. Schrieke
  • 1895: D. Zoete, en
  • 1928 tot heden: M. van der Voet