Home » Lemmer » Lemmer - Oude geschiedenis » De Zeven Grietenijen en de Stad Sloten » De Zeven Grietenijen en de Stad Sloten (2)

De Zeven Grietenijen en de Stad Sloten (2)

Wie was Obbe Obbes?

In het historische overzicht vinden we een beknopte levensbeschrijving van de eerst bekende dijkgraaf van het waterschap, de heer Obbe Obbes, die voorkomt op een lijst van grietmannen. Obbe Obbes werd in 1562 geboren. Hij is eerst gehuwd geweest met Fokel, een dochter van Jochem van Wijckel. Bij haar had hij geen kinderen. Zij overleed 17 januari 1619 op 79- jarige leeftijd Ze was dus veel ouder dan Obbe, die hertrouwde met Rijckjen Wyties, bij wie hij twee kinderen zou hebben.

Obbe Obbes werd 31 januari 1604 grietman van Gaasterland. Hij volgde Sybren Hiddesz op, die het ambt sinds 1585 had vervuld. Obbes was verschillende keren dijkgraaf van de Zeven Grietenijen en Stad Sloten en bewoonde een mooi huis is Balk, waar hij het raadshuis stichtte. In 1602 werd hij lid van de Gedeputeerde Staten van Friesland en in die functie volgde hij de lijkstatie van Willem Lodewijk (Us Heit 1560-1620) op.

Obbe Obbes overleed 8 april 1632 in de ouderdom van 70 jaar en werd begraven in de kerk van Wijckel, waar ook zijn tweede Vrouw, die op 30 juni 1643 stierf, werd bijgezet.

Herberg van Metske Jacobs in Lemmer.

Op 10 maart 1620 was er weer een verkiezing in Sloten. Obbe Obbes had blijkbaar vijanden gemaakt, want behalve Lemsterland, stemden allen op Joachim van Wijckel als dijkgraaf. Zelfs de Gaasterlanders lieten hun grietman in de steek!

De volgende samenkomst van het hele bestuur was op 14 april 1620 onder voorzitterschap van de nieuwe dijkgraaf Joachim Ids van Wijckel, in het huis (vermoedelijk een herberg) van Metske Jacobs in Lemmer.

Uit de stukken blijkt dat Lolle Oeges weer werk kreeg, waaruit geconcludeerd kan worden dat de ruzie van vorig jaar was bijgelegd. Ook op 13 april 1621 was er een bespreking bij Metske Jacobs in Lemmer. Er was inspectie langs de dijken gehouden en naar aanleiding daarvan werden nieuwe herstellingen besproken. Lolle Oeges kreeg ook weer werk opgedragen.

Verschillende dijkgraven.

Van 1 maart tot 8 maart 1622 zijn er nieuwe verkiezingen op het raadhuis van Sloten. Joachim van Wijckel schijnt niet als dijkgraaf te hebben voldaan, want Doniawerstal stelt hun grietman Syds van Osinga voor, wat Haskerland, Schoterland, Opsterland en Aengwirden steunen. Hoewel de anderen Joachim steunen wordt van Osinga benoemd.

Dijksgedeputeerde Eele Jaris is overleden en voor hem komt Aucke Jeens Oosterzee in de plaats en voor de eveneens overleden dijksbode Poppe Wobbes komt zijn zoon Wobbe Poppes.

Op 26 oktober 1622 wordt meegedeeld, dat na een inspectie van de dijken is gebleken dat de aannemers Sybout Hayes en Lolle Oeges zich niet aan de gestelde voorwaarden hebben gehouden bij de uitvoering van hun werk. Beide aannemers krijgen een aanmaningen moeten zorgen dat een en ander naar genoegen van de dijkgraaf vóór 10 december wordt opgeleverd.

In 1625 reist Feyte Rienks, raadsman te Sloten,namens het waterschapnaar Holland om er 1000 balken voor zeepalen te kopen .De ene helft 12 en de andere helft 16 ellen hout. Het reisje dat Rienks naar Holland maakte kostte 32 Carolus Guldens, terwijl hij voor 3090 CarolusGuldens aan palen had gekocht. Deze bedragen werden tijdelijk door de dijkgraaf voorgeschoten.

Op 28 maart 1626 worden in Joure weer verkiezingen gehouden. In plaats van Jhr Sijds van Osinga werd Obbe Obbes weer gekozen tot dijkgraaf en voor de overleden dijksopzichter Boonte Hiddes kwam zijn zoon Hidde Boontes.

Op deze tekening zien we Osinga state, onder Schettens in Wonseradeel.

Kwesties.

Tijdens een bijeenkomst op het stadhuis van Sloten beklagen zich een aantal lieden bij de dijkgraaf over de slechte toestand waarin een paar zeedijken verkeren. De klagers zijn de heren Ernst van Harinxma, Johan van der Sande, Dirck van Doyen en Gellius Onderstal, Raden Ordinaris in den Hove van Friesland, als participanten van de bedijkte meren bij Stavoren.

De heren zeggen al drie Jaar de aanslag te hebben betaald, maar dat door de slechte toestand van de zeedijken hun polders ieder jaar zijn ondergelopen. Er wordt een gebrekkige oplossing voor het opheffen van de slechte toestand van de dijken gevonden. De dijkgraaf bedacht allerlei noodoplossingen. Nog een onaangename kwestie kreeg de dijkgraaf in 1627 te behandelen.

Bij een overstroming in 1625 was ten oosten van Lemmer een grote kolk geslagen, welke, volgens Roemer Thys en Jacob Gerkes,door nalatigheid van het waterschap grote stukken van hun land had afgeslagen. Het dijksbestuur probeerde tot een compromis te komen.

Voor herstel van de dijk wilde men dubbele arbeidslonen betalen, terwijl de gebruikers Hylcke Hamckes c.s. daarin zouden meedelen, mits Inne Thysses c.s, die er waarschijnlijk aan grensden, ook mee zouden werken.

Hylcke Hamckes stelde dat hij de roeden, die hij had verloren, terug wilde hebben in de Lemster Meenthe. Verder had hij ook aan het herstel gewerkt. Men kwam tot een akkoord met een vergoeding van 46.10.-, waarmee,de zaak was opgelost. Het land kreeg men echter niet terug.

Op 21 juni 1628 is er weer een kwestie. De dijkgraaf en zijn aanhang moesten zich te weer stellen tegen Jacob Epckens,Eesterga en Kurt Bauckes, .welke eigendommen hadden bij de Grote Kolk. Tengevolge van de dijkbreuk waren ze land kwijt geraakt en vonden dat ze nu te hoog waren aangeslagen. Hiervoor werd zitting gehouden in de herberg van Hans Broersma "op de wester opkamer" in de Lemmer.

Na veel gepraat werd besloten dat de omslag f 21.12.-, zou bedragen, exclusief de kosten voor taxatie. Er werd niet vermeld hoeveel deze omslag eerst was. Op 21 maart 1628 werd in plaats van Obbe Obbes als dijkgraaf gekozen Sixtus van Osinga, grietman van Doniawerstal.

Maart 1628 kwamen bij het waterschap ernstige klachten binnen over het verwaarloosde onderhoud van de zeedijken. Dit kwam vroeger nooit voor. Toen kon Gedeputeerde Staten het weinig schelen hoe de toestand van de dijken in het zuiden van hun gewest was.

Nu echter enkelen van hun ambtsbroeders aan 't inpolderen waren geweest bij Stavoren, voelde de heren het in hun eigen portemonnee. Ze gebruikten hun overheidsfunctie voor hun particuliere belangen. De dijkgraaf en zijn adjuncten zijn zwaar beledigd dat hen wordt verweten de dijken te hebben verwaarloosd en verweren zich als volgt: "So protesteere ick Dijkgraaf. met myn vernoemde adjuncten voor Godt in den Hemel ende voor alle menschen, hooger ende lager standen, op de Aarde en den ganschen Wereld, onschuldig te synende te willen blieven. Ingevalle doer deselve de beschuldiging ende prolongatieen van de dag der brief van eenige hinder ende quaad, ende van alle andere incovenienten ende buytensporigheden mochten komen 't ontslaan. Verteekend door de vernoemde Heeren, present de Volmagten hieraf desen. Sloten 14 Mart 1628".

Gedeputeerde Staten kregen toch hun zin, want later zijn veel werken ter hoogte van Laaxum uitgevoerd.

Spijtige woorden.

15 mei 1630 kreeg het waterschap (sinds19 maart 1630 dijkgraaf Hobbe van Baerdt, grietman van Haskerland een zeer onaangename brief van Gedeputeerde Staten. De brief begon heel mooi met: "Edele Ehrentfeste Onsen Lieve Besondere", maar de inhoud was even anders.

Het ging om een rapport van Gerrit de Wit, Landschapsopzichter van de werken aan de Suyderdyken. Hij had aan Gedeputeerde Staten bericht, dat de werken volgens de bestekken door de aannemers waren uitgevoerd en door de heren commissarissen waren goedgekeurd. Nu wilde hij voor deze aannemers 2000 Carolus Guldens hebben als voorschot, maar inplaats daarvan krijgt hij "spijtige woorden, waarmede nogthans d' arbeidsluyden geen stuyver hebben verdiend". Hij vraagt geld van het waterschap en eindigt zijn geschrift met "En ons hiertoe verlatende, zyt Goot in genade bevolen".

De heer Taconis vermoedt dat de Staten buiten het waterschap om werken hadden laten uitvoeren en deze niet aan Gerrit de Wit wilden betalen en daarom werd de rekening doorgezonden aan het waterschap.

Hoe de zaak is afgelopen, is niet bekend, daar er twee jaar notulen ontbreken. Wel bekend is dat dijkgraaf van Osinga, die in 1632 Obbe Obbes opvolgde (Obbe Obbes volgde ook in 1632 Hobbe van Baerdt op), 2000 Carolus Guldens aan Gerrit de Wit heeft voorgeschoten.

Wanbetalers.

Enige slechte betalers moesten op 23 oktober 1639 voor het Dijksgeregt verschijnen. We bevinden ons in een tijd waarin Hans van Lycklema dijkgraaf is. De slechte betalers waren Gerke Rouckes, Wobbe Engberts, Alle Harmens en Anne Gaukes. Zij beloofden de aanslag en de onkosten te zullen betalen voor 8 november.

Dat is niet gebeurd. Op 8 februari 1641 is er over deze zaak een vergadering van het dijksgeregt met de advocaat Wilhelmus Joannes. Men besluit de wanbetalers aan te pakken. 20 april 1641 werden de aanslagen en kosten ontvangen. Later worden nog eens een paar wanbetalers aangepakt Het zijn Sippe Gosses en Feyte Elckes, volmachten van Sondel, die na een duidelijke aanmaning beloven te betalen.

Het waterschap ging echter zelf ook niet altijd geheel vrij uit! Het waterschap moest aan de voormalige dijkgraaf van Osinga nog een voorschot van 2000 Carolus Guldens plus rente terugbetalen. Dat bedrag was eerder aan Gerrit de Wit voorgeschoten.

In 1639 werd hierover voor 't eerst gepleit voor den Hove van Friesland. Inmiddels was dit bedrag met rente gegroeid tot f 2387.2.8. Namens de ex dijkgraaf Sixtus van Osinga trad op als advocaat, Dominicus Feenstra als eiser en namens het waterschap de advocaten Jacob van Kampen, Sacko Feykens en Acronius Solckema.

Het heeft het waterschap niets geholpen dat men met drie advocaten was komen opdagen, want ze verloren de zaak. "Op alles gelet ende geconsidereert hebbende 't geene nu in desen behoort te worden geconsidereert enz." veroordeelde het Hof het waterschap om de f 2387.2.8. plus rente aan van Osinga te betalen, alsmede de kosten van het proces. 'Aldus gedaan en uitgesproken in de Kanselarij binnen Leeuwarden' den 20 december 1642. Ondanks deze uitspraak, had van Osinga zijn geld nog lang niet Verder in het historisch overzicht van de heer Taconis staat vermeld dat na 3jaar nog geen betaling was gedaan. Dit zou het waterschap later een kapitaal aan rente hebben gekost.

De Kanselarij Leeuwarden.

Te hoog aangeslagen.

Na de dijksinspectie van 8 juni 1645 en de aanbesteding volgen enkele interessante stukken. Op 8 juni 1645 had een zitting plaats van dijksgeregt van de Zevenwolden en de Stad Sloten (dus niet de Zeven Grietenijen) in Lemmer met Beernt Jans als executeur (veldwachter en tevens dijksbode ). Het betrof hier een kwestie tussen Hielke Grootes en Auckes Edes, volmachten ter eenre zijde, contra Eppe Asses, Dorpregter, Pyter Boontes, volmacht van Westermeer met Pyter Lieuwes, dorpsregter en Hotse Jouckes, volmacht van Snikzwaag.

Het ging tussen de dorpen Westermeer en Snikzwaag over de scheiding van hun aansprakelijkheid. Beide dorpen vonden dat ze veel te hoog waren aangeslagen en dus te veel roeden dijk moesten onderhouden. Snikzwaag presenteerde zijn 77 roeden en stelde nieuwe opmetingen voor. Hoeveel Westermeer moest onderhouden staat nergens beschreven.

Op 25 juli 1645 volgde de uitspraak. Het dijksregt (gewoon de dijkgraaf met zijn dijksgedeputeerden), kwamen met de volmachten samen bij de Groote Colck (ten oosten van Lemmer) ten huize van Adam Jans, herbergier aldaar. Ze lieten de verschillende dorpsregters en volmachten komen, om die ter plaatsen te horen, doch tot een uitspraak kon men niet komen. De uitslag was: "So hebben het dijksbestuur beneffens de volmachten van de Grietenijen dese compartie gesuspendeert tot de jaarlijksche rekendag, omme volgens haar resolutie opnieuw gecorrespondeert te mogen worden". Ze schoven het dus op de lange baan!

Waterschap verliest processen.

Een ander stuk gaat over de oude schuld welke het waterschap bij de oud-dijkgraaf van Osinga had en waarover ze een proces hadden verloren. Er werd in augustus 1645 een vergadering belegd bij de herbergier Roelof Jans te Joure in het "Wapen van Haskerland", waar 't gehele dijksbestuur met de volmachten aanwezig waren. Het blijkt dat het voorschot van ex dijkgraaf van Osinga was gebruikt om de dijken van het Goingarijpster gedeelte te maken. Van Osinga wilde deze kosten alleen betaald hebben door de zes Grietenijen en de Stad Sloten, want hij vond dat Doniawerstal zijn deel reeds had betaald.

De hele zaak werd door de dijkgraaf Frederik van Roorda nog eens van het begin afbehandeld. Het eerste proces voorden Hove van Friesland had plaats gevonden op 20 oktober 1642, wat men had verloren. In hoger beroep verloor men op 20 oktober 1644 nog eens weer, waarbij het waterschap werd veroordeeld om met rente en kosten een bedrag te betalen van f 3502.18.--, waarvoor van Osinga op 2 februari 1645 een obligatie had gekregen.

Hier kwam nog bij de rente tot 11 april 1646, t.w. 490 C.G., zodat men in totaal moest betalen f 3992.18.-. Dit bedrag moest door de zes Grietenijen en de Stad Sloten worden opgebracht. De kosten van beide processen werden via een heffing door de ingelanden betaald.

Loten om ontvanger.

Op 17 april 1647 vond in de "weercamer" (zaal waar recht werd gesproken) te Joure de verkiezing van een nieuwe dijkgraaf plaats. Om aan te tonen dat de vrede was getekend, werd Syds van Osinga als dijkgraaf gekozen. Van Osinga had n.l. al zijn geëist geld van het waterschap gekregen en het dijksbestuur wilde de onenigheid met van Osinga vergeten. Dus van Osinga werd weer dijkgraaf.

Als dijksgedeputeerden kwamen HylkeJouwes, Symen Aukes Oosterzee en Broer Agges. Tincko van Andringa bleef secretaris, dijksbode bleef Beernt Jans en dijksvoorman bleef Hidde Doontes. Voor de functie van ontvanger, welke zoals men reeds meerder malen heeft kunnen lezen, moeilijkheden had gegeven, vond men een nieuwe oplossing, welke allen tevreden stelde. Er werd besloten dat in 't vervolg slechts één Grietenij de ontvanger mocht benoemen, wanneer er ook over een nieuwe dijkgraaf moest worden gestemd Hier werd om geloot. Gaasterland mocht de eerste keuze maken. Deze benoemde Pompejus Walrich, secretaris van Gaasterland (Pompejus Walrich; febr. 1647 nog. 1649-1651)

Sluis Tacozijl.

We slaan een paar oninteressante bladzijden uit het historisch overzicht van de heer Taconis over, omdat die louter feiten vermelden. Op 25 mei 1655 werd er een vergadering belegd met het gehele bestuur 'van het waterschap in de herberg op Tacozijl om de zijl (is sluis) aldaar te bezoeken en om te kijken hoe men de grote reparaties aan de sluis moest aanpakken. Verschillende volmachten vonden dat het nog wel ging, maar de dijkgraaf kreeg toch zijn zin om de sluis te laten reparen, de toestand ter plaatse zou zeer slecht zijn.

Volgens de voorwaarden van aanbesteding zou het oude hout dat uit de zijl zou komen, bestemd zijn voor het waterschap, maar het oude ijzer zou voor de aannemer zijn, die er echter niet veel plezier van gehad zal hebben, want dit ijzer had reeds jaren in het water gezeten.

7 juni werd de aanbesteding gehouden. Pyter Obbes wilde de nieuwe zijl maken voor 4275 Carolus Guldens, behalve de droogmaking. Symen Hans voor 3950 en Symen Reinders voor 3700 Carolus Guldens.

Hij kreeg het karwei en had als, borg Jan Wybrands. De droogmaking van de sluis werd aangenomen door Ide Hayes voor f 1075 met als borgen Joucke Hylkes, Atse Jans, Atse Harmens en Joucke Jimmes, welke vermoedelijk allen arbeiders waren die het karwei samen wilden uitvoeren.

De arme kerels hadden er echter een dikke strop aan. Op 22 augustus 1655 verschenen voor dijkgraaf c.s. Ide Hayes, aannemer van de droogmaking van de sluis met zijn borgen, welke verklaarden geen middelen te hebben om te komen tot droogmaking van de Zijl. Daarom gaven zij het werk op en droegen het weer over aan de dijkgraaf, met afstand van hun rechten op de aannemingssom en verdere vergoedingen.

De mannen hadden twee maanden voor niets gewerkt. De dijkgraaf zat er ook mee, want het was al augustus en voor de winter moest de nieuwe zijl klaar zijn. In tegenwoordigheid van Gerke Wiebes, mederegter Gaasterland, beloofden de aannemers, dat zij ook zouden staan voor de hogere kosten van aanbesteding, hetgeen de strop nog groter zou maken. Op 25 augustus vond de nieuwe aanbesteding plaats. Laagste was Claas Clases te Balk met f 2999, wat werd afgeslagen door Pyter Obbes tot f 2400.16.--., die het gegund kreeg en als borgen had Jan Sybrens en Romcke Borcherts.

Er schijnt met spoed aan de droogmaking gewerkt te zijn, want al op 19 september 1655 werd er een gedeelte van het werk gekeurd door de dijkgraaf en gecommitteerden van Lemsterland en Doniawerstal. Tevens werden 12 binten voor de zijl afgekeurd, waarvoor de aannemer nieuwe moest nemen op rekening van het waterschap.

Nimmer was het waterschap zo royaal. De nieuwe sluis te Tacozijl werd op 6 december 1655 goedgekeurd door dijkgraaf en volmachten van Lemsterland en Gaasterland. De heren werden rondgeleid door de dagelijkse opzichter Pyter Obbes.
Deze had vaak werk van hen aangenomen en zal hiervoor dus wel een geschikt persoon zijn geweest.

Op vrijdag 28 december 1655 vond in Balk op het Raadhuis de afrekening plaats van de kosten van de nieuwe sluis te Tacozijl.

Deze had in totaal gekost f 10917.14,-. Pyter Obbes kreeg voor z'n ,baantje als opzichter 200 Carolus Guldens. De aannemers kregen 5100 en nog voor extra werk. o.a. loon f 803.11.-. De dijkgraaf ontving voor verschot 71 Carolus Guldens.

De Vertering bij Intke Hylckes (de kastelein) voor de volmachten enz. was 280 e.o., wat uit verhouding met de andere uitgaven een heel bedrag was. Jan Sybrand moest nog hebben voor het gebruik van de refatomolen (betonmolen) 70 C.G. en voor het wegnemen van de strijkdammen 302. Van de kosten droegen de dorpen Wyckel, Oude- en Nijemirdum en Sondel samen bij f 3638.17.-., terwijl de rest werd omgeslagen.

Foto van: Roel Holkema: Regnerus Annaeus Lycklama van Wyckel, Grietman van Gaasterland bewoonde, "Lycklama bosch" Deze state was te vinden in Nijemirdum, gemeente Gaasterland. Naast deze state heeft ooit nog een klooster gestaan

Tacozijl.

De dijkgraaf en adjuncten kwamen met de volmachten samen op 14 februari 1656 om de herberg en de sluis op Tacozijl te verpachten voor de tijd van 3 jaar, n.l. van 1mei 1656 tot 1mei 1659.

Hierbij was de tapvergunning inbegrepen,alsmede de Tol der Zijl, het recht van visserijbuitendijks tot aan de Priester Fenne en binnendijks' tot aan de Langesloot "soverre van ouds de gewoonte is" en verder het gebruik van de buiten gelegen losse landen. De huurder mocht 2 stuiver heffen van de kleine schepen,die door de sluis moesten en van de grote schepen, waarvoor twee deuren open gedraaid moesten worden, 3 stuiver en de ponten of turfschepen 4 stuiver. De huurder moest toezicht houden op sluizen en woning "so het behoort".

Mocht het echter voorkomen dat de dijken moesten worden gerepareerd, dan zou de huurder het lopende jaar worden vrijgesteld van de huur, omdat dan stellig de sluis moest worden afgesloten.

Na opbod en concurrentie van andere liefhebbers kreeg de huurder de sluis met woning en de bijbehorende rechten voor 500 Carolus Guldens, zijnde 275 C.G. voor de zijl en 225 C.G. voor het losse land. De huurder had als borgen ene Aucke Jeens en Feyte Solckes, welke met hem tekenden in tegenwoordigheid van de dijkgraaf en zijn adjuncten.

Voor de volmachten tekenden Osinga en Broersma voor Doniawerstal, Roorda voor Lemsterland, Baerdt en Jouck Annes voor Haskerland, Alle Reyffers voor Opsterland, Eysse Hylckes voor Aengwirden, terwijl Sloten en Schoterland niet aanwezig waren.

De herberg van Hylckes en sluiswoning te Tacozijl.

1871

Het eigenaardige van deze aanbestedingen was volgens de heer Taconis dat ook in de volgende jaren Schoterland hierbij steeds afwezig was, hoewel er een premie van 2 Carolus Guldens aan verbonden was. Taconis vermoedt dat deze Grietnij geen belang bij de zijl van Tacozijl had, omdat ze op Schoterzijl haar eigen sluis had.
Later vinden we in het historisch overzicht de naam van de huurder: Intcke Hylckes.

Op 3 maart 1656 was het hele waterschap gezelschap weer op Tacozijl verenigd, natuurlijk in de herberg van Hylckes. De huurder moest pacht betalen over de periode 1649-1656. Tijdens de samenkomst bleek ook dat Intcke nog een oude schuld had van f 924.7.-.

Verder moest hij 6 jaar huur à f 300.-. betalen. Maar Intcke had echter verschillende tegen-rekeningen.

De voornaamste:

  • Voor vertering op 2 juni 1649 bij Binne Kylstra op de Joure f 92.3.-.;
  • Wabe Clasen voor ijzerwerk aan de Zijl f 10.1.8.;
  • Pieter Obbes voor arbeidsloon f 50.13.8.;
  • Jelle Douwes, smid te Sloten, voor ijzerwerk f 73.7.-.;
  • Wybrand Fongers voor 75 pond touw f 12.44.-.;
  • De vorige dijkgraaf van Scheltinga voor zijn drie jaar ordinaris dijkgraaf tractement f 90 (voor toezicht op de sluis kreeg de dijkgraaf nog 30.-;-. extra);
  • Rommert Folkerts, Glasemaker te Balck voor 4 nieuwe onderglazen f 3,- ;
  • Jelle Sipkes, smid in Balck, voor geleverde glasroeden f 8.7.-.

Het dijksbestuur vorderde van Intcke in totaal f 2724.7.-. en Intcke wilde van het waterschap f 2571.16.-. zodat Intcke f 152.11.-. moest betalen. Doordat de heren van het dijksbestuur in de herberg te Tacozijl best aan de borrel gingen (ze verteerden voor maar liefst 105 Carolus Guldens) hoefde Intcke aan het dijksbestuur nog maar f 47.11.-. te betalen.

Verkiezing.

Het was een druk jaar voor het dijksbestuur, want al op 5 maart 1656 kwamen ze weer bijeen op het Rechthuys te Joure om een dijkgraaf enz. te kiezen. Jhr. Frederik van Roorda, grietman van Lemsterland, werd dijkgraaf. Dijksgedeputeerden werden M. van Solckema, Haye Hylckes en Coop Botes. Secretaris werd Tinco van Andringa; ontvangergeneraal werd, Paulus Reuffers bijzitter van Schoterland (Schoyerland was namelijk aan de beurt om een van zijn mensen te benoemen); Wybe Dircks werd dijksbode en strandvonder en Jacob Sybrands werd dijksvoorman laatstgenoemde werd het loon van 50 C.G. op 70. C.G. gebracht.

Andere pachter sluis en herberg.

Op 11 maart 1659 vond er weer een afrekening te Tacozijl plaats. De kastelein Intcke Hylckes wordt hierbij deftig zijlvoogd genoemd. Hij was schuldig f 1457.-., maar had weer ettelijke tegen rekeningen, zoals: 3 ton teer van de teerkoper Hinne Hinnes uit Lemmer voor f 31.10.-.;

  • Vertering van de dijkgraaf, die er tweemaal was geweest om aanwijzingen te geven hoe de zijl moest worden geteerd en hoe de mestbult over het land moest worden verspreid, 10 C.G.;
  • De vier dorpen van Gaasterland samen 100 C.G.;
  • Vier aanwezige volmachten 8 C.G.;
  • Adjuncten16 C.G.; dijkgraaf 20 C.G.;
  • Dijksbode en voorman 30 C.G. en keukenmeid f 1.10.-. (!).

Hij schijnt dat Intcke er mee is gestopt, want de herberg en de sluis werden in februari verpacht aan Syerdt Doeyes uit Laaxum, voor 350 C.G. per jaar. Sluis en herberg werden 21 januari 1662 weer te huur aangeboden. Syerdt Doeyes kreeg het weer voor 500 Carolus Gulden per jaar, maar had een ernstige rivaal in de bakker Wybelans te Lemmer, welke 485 C.G. had geboden.

In 1748 brak in Friesland een oproer uit tegen de verpachting van de belastingen m.n. op granen. Deze belastingen drukten vooral op het gewone volk en daarbij kwam dat de pachters van de belastingen veelal van uitbuiting en verduistering werden verdacht.

Het oproer begon in Bergum en sloeg weldra over naar andere plaatsen in Friesland.
De huisjes van de commiezen (cherchers) bij de molens werden omver geworpen en de belastingboeken werden verscheurd.

Ook tegen andere belastingen richtte zich het verzet en derhalve werd besloten tot invoering van een systeem van evenredige belastingverdeling over grietenijen en steden, waarbij elke plaats een vaste quote in de belasting werd opgelegd.
Deze nieuwe belasting - de Quosatie kwam in 1749 in de plaats van o.a. :

  • a. de belasting op de consumptie:
  • b. de Vijf Speciën, een in 1637 ingevoerde belasting op hoornvee, bezaaide landen, paarden, hopfd en schoorstenen. De Vijf Speciën kwamen ook voor als accijnzen op wijn; bier, turf enz.
  • c. de reële goedschatting, belasting sedert 1713 geheven op bebouwde en onbebouwde eigendommen:
  • d. De. personele goedschatting, die in de 17e e 18e eeuw geheven werd als een belasting op het vermogen.

De verpachting van de belastingen zou voortaan worden vervangen door collecte d.w.z. ze werden geïnd door bezoldigde collecteurs.

Niettemin werd de nieuwe belasting een mislukking en op 15 maart 1750 zijn de oude belastingen wederom ingevoerd.

De registers voor de in 1749 ingevoerde belasting -de Quotisatiekohieren 1749-1750 - zijn op die van een tweetal grietenijen in Friesland na, bewaard gebleven en bevinden zich thans in het Rijksarchief in Leeuwarden. Zij zijn o.m. van belang bij het bevolkingsonderzoek om de maatschappelijke typering van de aangeslagenen.
In deze registers worden per dorp vermeld:

  • a. de naam van het gezinshoofd:
  • b. het beroep van het gezinshoofd, soms de. burgerlijke staat:
  • c. de maatschappelijke typering:
  • d. het aantal gezinsleden boven en onder de 12 jaar:
  • e. het bedrag van de belastingaanslag.

De Quotisatiekohieren van de grieternij Lemsterland, die per 1 februari 1749 zijn opgemaakt, vermelden bovengenoemde gegevens voor de dorpen Lemmer, Eesterga, Follega, Oosterzee en Echten.

Uit een overgenomen recapitulatie uit deze kohieren blijkt dat Lemsterland in 1749 slechts ruim 1600 inwoners telde.

In zijn boek "Lemsterlân" wijst A. E. Klijnsma er al op dat een groot deel van de Lemster bevolking in de XVIII eeuw zijn bestaan op of bij het water heeft gevonden.

Ook blijkt uit een aan de hand van de Quotisatiekohieren opgestelde "beroep-lijst", dat een aanzienlijk percentage van de 327 gezinshoofden in 1749 een beroep had, dat direct o indirect verband hield met de scheepvaart. Immers Lemmer was niet alleen doorvoerhaven, er werd van hier uit handel gedreven met Frankrijk, de Oostzeelanden, enz.

En al vanaf begin 1700 beginnen ook de beurtdiensten op bijv. Amsterdam, Groningen, Leeuwarden en nog tal van andere plaatsen op gang te komen. Daarnaast was ook het reizigersvervoer van betekenis. Overigens ontbraken natuurlijk ook de bakker, de herbergier, de winkelier, de schoenmaker, om maar een paar te noemen, niet Hoe "breed" die mensen het hadden, is vastgelegd in de kohieren van 1749, en daaruit kunnen we concluderen, dat er maar een relatief kleine groep is geweest, die materieel een redelijk bestaan heeft gehad: verreweg de meeste mensen leefden op de rand van of beneden het bestaansminimum.

Er moet ontstellend veel armoede zijn geweest Enkele notabele ingezetenen, zoals de grietman, een aantal kooplieden, behoorden tot de beter gesitueerden. De predikant van Lemmer kon, zo staat er, van zijn traktement leven.
De vraag rijst, hoe het in die dagen bijv. met de gezondheidszorg, de armenzorg en het onderwijs gesteld was in Lemsterland.

Wat het onderwijs betreft: er werden in 1749 309 personen beneden de 12 jaar opgegeven. Ruw geschat mogen we zeggen dat er in de leeftijdsgroep van 6 tot 12 jaar zeker zo'n 150 kinderen geweest zullen zijn, die in aanmerking kwamen om (lager) onderwijs te ontvangen.

Er wordt echter maar één schoolmeester in Lemmer opgegeven en die is stellig niet instaat geweest om aan 150 kinderen les te geven. Waarschijnlijk heeft dus hier maar een klein aantal van deze kinderen enig elementair onderwijs gehad.

In de overige vier dorpen van de grietenij Lemsterland overheerste het agrarische beroep. Follega had naast zijn boerenbevolking nog een tweetal schippers, een pastoor,een schoolmeester, een timmerman en een venter.

In Oosterzee eveneens met een boerenbevolking woonden een predikant, een schoolmeester en enige neringdoenden.

Echten telde naast zijn boeren 4 vissers en er was ook nog een schoolmeester.

Eesterga was geheel agrarisch.

Met het verhaal over de sluis en herberg te Tacozijl is een tamelijk abrupt. einde aan de serie "De Zeven Grietenijen" gekomen. Wijlen A.U.M. Taconis, volmacht van het waterschap "De Zeven Grietenijen en Stad Sloten" heeft de eerste 50 jaren geschiedenis, van het waterschap uit het archief gelicht Zijn tijdrovend werk werd niet voortgezet.


TOP