Home » Lemmer » Haven - sluis » Lemmer fornamde haven oan e Sudersé » Lemmer fornamde haven oan e Sudersé (3)

Lemmer fornamde haven oan e Sudersé (3)

Het ontstaan van de Lemster aak en schouw

Ondanks de aanwezigheid van een aantal werven te Lemmer bouwden zij nauwelijks voor de Lemster vissers. Uit de werfboeken van 'Eeltjebaes', Eeltje Holtrop van der Zee te Joure en de snij- en zeilboeken van Folkert de Vries en de firma Molenaar, blijkt dat nieuwe vissersschepen aanvankelijk bij Eeltje baes, eerst in IJlst, later te Joure, en dus niet te Lemmer werden gebouwd. In 1877 vermeldde het gemeenteverslag voor het eerst dat er vissersschepen binnen deze gemeente te water waren gelaten: twee aken van respectievelijk tien en twaalf ton.

Zeker is dat een van deze aken door Pier de Boer is gebouwd, volgens familieoverlevering een 36-voets botaak. Dit is de eerste aak die hij als zelfstandig scheepsbouwer maakte. Na het overlijden van zijn eerste vrouw vertrok Pier de Boer uit Woudsend naar Lemmer. In de jaren, voorafgaand aan zijn komst te Lemmer, werkte hij als knecht op de helling in Woudsend.

In 1867 trouwde hij voor de tweede keer, nu met Sjoerdtje Visser uit Lemmer. Op 24 december 1874 kocht hij, samen met zijn compagnon Thijs van de Vaart van het Waterschap 'De Zeven Grietenijen en Stad Sloten' een stuk land tussen de Zeedijk en de Rien.  Beiden werden in de koopakte als scheepstimmerknecht aangeduid. Samen met zijn vrouw Sjoerdtje stichtte Pier op het aangekochte terrein een scheepshelling.

Voordien had hij gewerkt op een helling te Echtenerbrug (Bos) en waarschijnlijk te Lemmer (Bakker). In 1877 liet hij zijn eerste vissersaak te water, een 36-voets botaak voor Jan de Blauw. Het schip werd getuigd met een grootzeil (gaffeltuig), fok, kluiffok en bezaan. Er is niet veel met zekerheid over de vorm van dit schip te zeggen. Zijn eerste aken zullen niet veel van de in die tijd gangbare typen hebben afgeweken.

Vijf jaar later liet hij twee aken te water: voor Jan de Blauw en voor Andries de Blauw, elk van 40 voet. Of hij in de periode van 1877 tot 1882 geen vissersschepen bouwde is onzeker maar wel waarschijnlijk. Behalve dat er in de zeil en snijboeken van Folkert de Vries geen melding werd gemaakt van nieuwgebouwde aken en botters, werd er ook in de gemeenteverslagen van deze jaren niets vermeld over te water gelaten schepen voor de visserij.

Een 'boatsje', een Fries vis-roeibootje, een zogenoemd ééngangsbootje.

Een 'boatsje' in gebruik als visboot.

Vissersschepen van Kuinre in 1944; KV 16 een zeepunter, KU 7 een aakje, KU14 een punter en voorts een boot.

De LE 87 in de Lemster vluchthaven; een ijzeren Lemster vissersschouw.

Een bladzijde uit het snij- en bestekboek van Folkert de Vries te Lemmer, waarin het tuig wordt behandeld van de eerste Lemmeraak.

De te Lemmer gebouwde aken werden, evenals de schepen, waarmee de Lemsters visten, botaken genoemd. Het onderscheid tussen bot- en visaken schuilt in de bun. Botaken hadden een bun met grote gaten, omdat een platvis de gaten van de bun zou afdekken. Visaken met kleinere gaten in de bun werden meest door binnenvissers gebruikt. Zij dienden ook om er op te wonen en fungeerden tevens als bewaarplaats voor vis. Zij werden als moederschip bij het vissen gebruikt: het eigenlijke vissen geschiedde met boten, vletten en punters.

Ook met de botaken werd niet gevist. Zij deden dienst als jagers' om de gevangen vis snel naar de markt te brengen. Pas toen de Lemster vissers gingen slepen of kuilen werden hierbij botaken gebruikt. De naam Lemster aak is waarschijnlijk voor het eerst gebruikt voor een in 1898 gebouwd plezierschip van 48 voet ten behoeve van Gustaaf Steurbout uit Gent. In het zeilmakersboek van Molenaar uit Grouw werd in 1899 een tuig vermeld, gemaakt voor de 'Lemsteraak of boeier' van Steurbout. Later is ook in de werfboeken van Auke van der Zee de bouw van een stalen 'Lemsteraak' ten behoeve van Wouter Hoekstra genoemd (1904).

De afmetingen van de aken namen in de loop van de tijd toe. In 1885 werd er een aak van 42 voet gebouwd. Pier de Boer bouwde twee typen. Het onderscheid schuilde in de verhouding tussen lengte en breedte. Het ene type is breder dan het andere. De bredere schepen waren merendeels bestemd voor andere vissersplaatsen: Wieringen, Enkhuizen en plaatsen in Zeeland. Na 1895 bouwde hij ook 'Friese boten,' een klein model aak dat de 28 voet niet te boven ging. In de loop van de jaren was er sprake van vervolmaking van het scheepstype.

Bij deze ontwikkeling hebben zowel Pier als zijn vrouw Sjoerdtje en zijn zonen een rol gespeeld. Sjoerdtje had een 'timmermansoog'. Zij werkte, evenals haar kinderen, mee in het bedrijf. Als er een schip op de helling moest worden getrokken stond zij, met haar kinderen en later ook wel kleinkinderen, aan het grote spil te draaien. Sjoerdtje hielp ook mee bij het uitzetten van het schip. Zij zorgde samen met Pier dat de huidgangen op de juiste plaats kwamen en zij gaf aanwijzingen waar de zwaarden moesten worden geplaatst. Bij aflevering van het schip controleerde zij de aftimmering. Zij had dus invloed op de uiteindelijke vorm van de aak.

Nadat hun huwelijk was ontbonden, werd de helling in tweeën gedeeld. Pier vertrok naar Holland nadat hij door zijn zonen was uitgekocht. Zij zetten op dat gedeelte het bedrijf voort; Sjoerdtje voerde haar bedrijf een tijd op haar gedeelte. Er werden bij haar nog een paar aken gebouwd, maar ook zij liet zich tenslotte door haar zonen uitkopen.

In 1899 is men op de helling begonnen met de bouw van een tweetal ijzeren aken, die in 1900 gereed kwamen. Zij werden gekocht door Willem van der Bijl en Steven Visser. Het bleken slechte zeilers te zijn, zij lagen veel te stabiel op het water. Het waren wel degelijke schepen: een van deze aken viel tijdens de bouw van de stoelen en toen deze er weer opgetakeld werd was er geen deukje te zien.

Overigens waren er toen al meer ijzeren aken in Lemmer. De eerste was vermoedelijk van Siemen Spaan, die later naar de Verenigde Staten vertrok. Dat schip was in 1898 bij Croles in IJlst te water gelaten en door zeilmaker Folkert de Vries en mast- en blokmaker Siebolt de Vries getuigd en uitgerust. De tweede ijzeren aak volgde een jaar later: een 45-voets aak, bij Bos in Echtenerbrug gebouwd voor Andries de Blauw.

Scheepswerf met woning te Lemmer.

In 1901 openden de gebroeders De Boer naast de al bestaande 'houthelling' een 'ijzer-helling'. Harmen (1869-1939) werd baas op de houthelling, Klaas (1873-1950) op de ijzerhelling en Dirk (1877-1961) kwam op het kantoor. In 1902 kwam Hendrik (1885-1972) in de zaak als tekenaar. Hij was bij zijn zwager Johannes Meijer, scheepsbouwer in Leidschendam, in de kost geweest. Daar had hij het scheepstekenen geleerd.

De eerste door hem ontworpen aak"was de 41-voets aak 'De Vier Broers' voor Auke Bakker. Deze nu nog bestaande aak is welhaast de mooiste van de door de gebroeders De Boer gebouwde aken. 'Het schip staat nergens stil. De kop is net een appel', werd er gezegd. In 1912 werd door hen nog een ijzeren schouw gebouwd voor Johannus Poepjes.

Tot de eerste wereldoorlog is een groot aantal aken gebouwd, zowel voor Lemster vissers als voor anderen: de laatste twee of drie voor de Zeeuwse visserij. Behalve de aken, die de De Boers bouwden, zijn er ook aken van andere scheepsbouwers bij vissers van Lemmer in gebruik geweest.

De bekendste bouwers waren Zwolsman te Workum, Holtrop van der Zee te Joure, Croles te IJlst en Bos uit Echtenerbrug. Met betrekking tot de Workumer aken was het grote onderscheid dat de inhoud van deze aken van twee op elkaar gepende stukken hout bestonden. Deze constructie was iets minder sterk; de aken waren wat slapper. Maar deze schepen konden zó wel goedkoper worden gebouwd.

Scheepswerf van W.Nijdam te Lemmer. Met de LE 117

Kleine, niet gedekte schouw.

Pier de Boer bouwde aken naar zijn eigen ideeën en naar voorbeelden onder meer uit Workum en Joure. Behalve hijzelf, hebben ook zijn vrouw Sjoerdtje en zijn zonen, in het bijzonder Hendrik, de Lemsteraak vervolmaakt.Met het toenemen van de haring- en ansjovisvisserij in de jaren '80 werden aken in grote getale gebouwd. De afmetingen namen toe. Botters werden nagenoeg niet gebouwd, wel kleine aakjes en Friese boten.

Behalve met aken, botters en Friese boten werd er bij Lemmer ook met 'skûtsjes', veelal van Kuinre en Vollenhove afkomstig, gevist. Daarnaast kwamen er omstreeks 1900 ook zeeschouwen bij de Lemster vissers in gebruik. Zij waren voornamelijk uit Poppingawier afkomstig. In Lemmer begon de wagenmaker Gerrit Wierda, later geassisteerd door zijn zoon Atte en een of meer knechten, met de bouw van schouwen. De eerste schouw waaromtrent nog iets bekend is dateert van 1914. Vermoedelijk zijn er echter ook vóór 1914 al schouwen gebouwd.

Behalve op het maken van wagens legde Wierda zich op het Het Dok met de Zijlroede. Rechts een Fries 'Skûtsje'. Lemster vissers maken het hoekwant gereed voor de visserij. vervaardigen van vletten toe. De vissers riepen vaak zijn hulp in als er reparaties aan hun schepen nodig waren. Hoewel wagenmaker, had Wierda veel interesse in (de bouw van vissersschepen). Hij stapte dikwijls aan boord van in de haven liggende vissersschepen om wat op te meten. Wierda had zijn wagenmakerij vlak bij de Spuisluis. Andries Fleer had hier een vissersboot liggen, die in zeer slechte staat verkeerde. Wierda stelde hem voor een nieuwe schouw te bouwen. 'Met de centen zou het wel in orde komen'.

Toen de schouw in 1914 gereed kwam moest Andries Fleer in dienst want de mobilisatie was afgekondigd. De 'Mobilisatie', zo ging de schouw heten, bleef lange tijd ongebruikt bij de Spuisluis liggen. De grootte ervan was 28 a 30 voet. Deze schouw bleek een snelle zeiler te zijn. Bij verschillende wedstrijden werden daarmee eerste prijzen behaald. Na deze volgde er een groot aantal schouwen, wel 'spekbakken' genoemd, voor vissers, onder andere uit Hoorn en Enkhuizen. De Wierda's zeilden deze schepen zelf naar Holland.

Voor het bouwen van een schouw, dat op het oog, zonder mallen gebeurde, werd eerst het vlak gelegd. De vlakplanken werden op verscheidene plaatsen gestempeld en vervolgens werden er dommekrachten tegen het vlak gezet. Elke dag draaide men de dommekrachten iets verder aan, totdat het vlak de vereiste kromming en vorm had gekregen. Daarna werden de inhouten op het vlak aangebracht. Hier omheen zette men de huidgangen met koperen spijkers vast. Zo nodig werden de planken bijgeschaafd en afgezaagd. De gangen werden dus niet gebrand of gestoomd. Later zijn de schouwen niet meer gespijkerd maar geklonken.

Het Dok met de Zijlroede

Lemster vissers maken het hoekwant gereed voor de visserij