Sluis |1|

Sluis, Lemmer.

De sluisgeschiedenis tot 1873 toegelicht

Uit de inhoud ener akte, opgenomen in een grafelijk register (Ch I, 373) leiden K.A. Rienks en G.L. Walther, 1954, Binnendijken en Slieperdiken yn Fryslân, af, dat in het jaar 1411 Lemmer aan de Zuiderzee lag en dat in de zeedijken hier toen een zijl was, welke diende voor afwatering en scheepvaart.

In het reeds bovenbedoelde proces heeft het Hof van Friesland op 7 december 1602 aan de hand van het toen nog volledige register van den aanbreng van 1511 vastgesteld, dat de reparatie van de sluis moest komen ten laste van de patronen van Eestergae, Follega, en Lemmer en te vergoeden aan de provincie Friesland, die de reparatiekosten reeds had voorgeschoten. Hetgeen uit die goederen niet te verkrijgen was, moesten de ingezetenen (bedoeld zijn landeigenaars) van deze drie dorpen opbrengen."Kerkpatroon" kan men opvatten als een stichting welke het kerkgebouw bezit en in eigendom heeft en evenals het gebouw der kerk genoemd is naar een heilige uit de tijd van voor de Hervorming.

Na de Hervorming (1580) hebben de kerkvoogden der drie dorpen zich als eigenaren beschouwd; zij verhuurden gezamenlijk de visvangst in de sluis. Er was reeds een tol op de doorvaart, die in 1640 door de toenmalige soevereine, de Staten van Friesland, voorzien is van een verhoogd tarief en toegestaan aan de gecommitteerde der drie genoemde dorpen (ch V, 455). Er waren hier wel drie kerkvoogdijen, maar het was slechts één Hervormde gemeente voor de drie dorpen samen.

De aantekeningen van Simon Stijl in Tegenwoordige staat van Friesland, deel I, dat de sluis van de provincie was, is door hem ingetrokken, 1789, in deel IV. De bepaling uit 1640: het tolgeld dient voor (be)stuur en onderhoud der Lemsterzijl alléén, bleef van kracht. Tijdens het grietman loze tijdperk werd het Friese stemrecht (van de stemhebbende "plaatsen") afgeschaft; het maakte plaats voor het (politieke) mannenstemrecht en t.a.v. kerkengoederen en waterschapsgoederen voor het florenenstemrecht. Voor ieder floreen in het kohier, opvolger van het register van de aanbreng, één stem, terwijl volgens ditzelfde kohier een eventuele verdeling van onderhoudslasten plaats kon vinden. Ingezetenen zijn in dit geval niet de mannen, de burgers, maar de floreenplichtigen. Waarschijnlijk is als gevolg van princiële scheiding tussen kerk en staat de sluis toegewezen aan de floreenplichtigen, in dier voege dat dezen in 1815 werden erkend door Gedeputeerde Staten van Friesland, ofschoon geen burgerlijk rechter; ook verleende dit college een verhoogd toltarief aan de floreenplichtigen der drie dorpen, hoewel het college geen soevereine was.

Niettemin hebben de schippers dit tarief betaald. Er kwamen nu jaren van overschotten, wat de landeigenaars, getroffen o.a. door de grote watersnood van 1825, best konden gebruiken. In of omstreeks 1856 zijn evenwel rechten, zoals die op doorvoer op allerlei gebruiksgoederen, afgeschaft. Er kwam nu ook kritiek op de tolgelden en de verdeling daarvan onder floreenplichtigen. De floreenplichtigen deden hun zaken zelf af en hadden enkel een administrateur voor het leven benoemd: Wilco van Andringa de Kempenaer. Wellicht hadden Gedeputeerde Staten het tarief 1815 van hun voorgangers kunnen intrekken. Het provinciaal beleid ging echter in de richting van reglementering. De floreenplichtigen werkten geenszins mee. Zij wensten geen benoeming als bestuurslid volgens het door de Staten van Friesland vastgestelde reglement te aanvaarden.

Na redactieverandering door de Staten zijn in het bestuur benoemd tot bestuurslid de burgemeesters van Lemsterland en van de naburige gemeenten. Maar ook nu werkten floreenplichtigen, met hun administrateur voorop, niet mee. Het (nieuwe) bestuur stelde een daad: het stuurde een nieuwe sluis- en tolwachter naar de sluis, die de tolgelden ging innen (volgens tarief-1815). Aangezien de floreenplichtigen zich hielden aan de oude toestand (het bezit van de sluis) procedeerden zij en kregen gelijk. Nu werden tolgelden weer ontvangen door de (oude) administrateur. Op deze manier heeft men tegelijkertijd twee bestuursarchieven over een en dezelfde sluis.

Men kan dit zien in de beschrijving der archieven. In dit proces kon het (nieuwe) bestuur zijn recht op de eigendom niet doen gelden als gevolg van een bepaling in het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering, dat men niet over bezit en eigendom tegelijkertijd mag procederen, maar in een nieuw proces hierover kreeg het gelijk in drie instanties (Rechtbank Sneek, Provinciaal Hof te Leeuwarden en Hoge Raad der Nederlanden). Aan de hand van de toenmalige redactie der Grondwet was het onzeker of de Staten een waterschap konden oprichten; wel konden ze een (bestaand) waterschap reglementeren.

In het arrest van het Hof vindt men de constatering dat de Provinciale Staten van Friesland, toen zij het reglement vaststelden, te doen hadden met een waterschap dat al bestond: er was een waterschapswerk en er waren ingelanden, die daarvoor aansprakelijk waren. - Het Hof oordeelde voorts dat het toltarief-1815 onbevoegd was verleend (1870). Een nieuwe tol is verleend bij Koninklijk besluit van 6 januari 1873.

Met deze toelichting benevens de kaarten bij Rienks-Walther en bij A. Schrijver kan men verder de archieven raadplegen.

Mr. H.T. Obreen.
Bron: www.friesarchiefnet.nl

Eens was er een tijd dat de vluchthaven vol was met botters en aken met manden vol vis.
Die buiten op zee altijd flink werd gevangen; we weten thans dat dat verleden is.
Evert de Vries.

Een karakteristiek plekje in Lemmer is de Lemster Sluis. Er heerst toch altijd nog een aparte sfeer rond de sluis en dat was zeker het geval voor de grote verandering plaats vond. Toen IJsselmeer nog Zuiderzee was, toen je op de Sluis staande de zee met de Dam met de vuurtoren voor je zag. Heel de omgeving wijst erop dat Lemmer haar glorietijd gekend heeft als vissershaven, waar een behoorlijke vissersvloot thuis hoorde, en ook bekend stond als doorvoer haven van goederen naar de rest van het land. Nu is van dat alles niet veel meer te bespeuren, uitgezonderd dus in het seizoen, als de watertoerist ook veel levendigheid met zich mee brengt.

Maar het stemmingsbeeld, het uitzicht vanaf de Sluis, is voorgoed verleden tijd, want de sluis is nu als het ware ingebouwd tussen industrie jachthavens en de dijken van het nieuwe land. Toch geld nog steeds als je Lemmer aandoet en je bent niet bij het Sluis-complex geweest, dan heb je wel wat gemist.

De nieuwe Lemster Zeesluis, zoals hij na de opening in 1888 genoemd werd, is gebouwd in het kader van waterstaatkundige vernieuwing van de toen zo belangrijke Zuiderzeehaven. Toen in 1951 de Prinses Margrietluis bij Tacozijl, gereed kwam en de tijdrovende doorvaart van het beroepsvervoer door de Lemmer verviel, werd door het provinciaal bestuur aan de gemeente Lemsterland de gelegenheid geboden de Sluis over te nemen. Gelukkig heeft het gemeente bestuur niet geaarzeld en is de Sluis nu eigendom van Lemsterland. Gelukkig voor het aanzien van Lemmer, voor de pleziervaart en voor de levendigheid van het dorp.

De gedenksteen, die herinnert aan de grote waterstaatkundige veranderingen in de jaren na 1880. Deze steen zat tot 1957 in de afwateringssluis - doorgaans Spuisluis genoemd - en werd dat jaar,
overgebracht naar de toen gemaakte Riensluis. De wapens van de genoemde overheidsorganen staan in de officiële kleuren op de steen.

Tekst op gedenksteen: "Deze sluis is gebouwd in het jaar 1887, tegelijk met het aanleggen van eene zeewering om de Lemmer, van eene nieuwe buitenhaven, het bouwen van eene nieuwe schutsluis en het maken van een verbindingskanaal met brug tusschen den Rijn en de binnenhaven.

Deze werken zijn tot stand gekomen door zamenwerking van de Staat der Nederlanden, de provincie Friesland, de waterschappen, de zeven Grietenijen en stad Sloten" en de Lemstersluis " zoomede van de gemeente Lemsterland."

In de zestiende eeuw is er een houten sluis geweest. In 1884 werd met de bouw van de nieuwe sluis begonnen en enkele jaren later was het complex met sluiswachterswoningen, bedieningshuisjes en de kolossale sluisdeuren een feit. Door de aanleg van de nieuwe sluis veranderde het dorpsgezicht van Lemmer ingrijpend. De Schulpen en Schans werden gedempt en het uitzicht over zee vanuit logement 'De Wildeman' verdween voorgoed.

1872- 1884: Reeds eeuwen lang heeft zich in Lemmer, daar waar de Rien en de Zijlroede samenkwamen en in de Zuiderzee vloeiden, een sluis bevonden. Wanneer voor het eerst, is niet bekend, maar zeker is wel, dat er al in 1511 een sluis was die volgens het floreenkohier van dat jaar toebehoorde aan de 'Patronen' van de kerken van Eesterga, Follega en Lemmer.
Deze 'Patronen' waren belast met het toezicht, het onderhoud en het bestuur van de sluis. De kosten die het beheer van de sluis met zich meebrachten, konden betaald worden uit belastingen, die aan de bevolking, de floreen- en belastingplichtigen, werden opgelegd. Zodoende was de sluis dus eigendom van de gemeenschap. Evenals de kerk behoorde ze tot het patroonsgoed van de dorpen.

Jarenlang kon door het heffen van tolgelden en de genoemde belastingen in het onderhoud van de sluis worden voorzien. Er kwamen echter moeilijkheden toen de floreenplichtigen de baten gingen opeisen. Gedeputeerde Staten van Friesland kregen daar lucht van en kwamen in 1858 met een reglement waarin het beheer van de sluis werd opgedragen aan het nieuw te vormen waterschap De Lemstersluis.

Het betekende het begin van een langdurig geschil tussen de provinciale overheid en de floreenplichtigen. Het kwam tot processen, die tot aan de Hoge Raad werden uitgevochten. Pas in 1872 werd het pleit in het voordeel van de provincie beslecht en sindsdien is de rechtmatigheid van het waterschap en van zijn bezit niet meer in het geding geweest.

Het voorgaande slaat op de oude Lemster sluis. Na 1872 zijn in de beheersvorm, de werken en de vermogenstoestand van het waterschap ingrijpende veranderingen gekomen. Zeer belangrijk is de grote waterstaatkundige wijziging die in 1884 en verdere jaren tot stand kwam. Het was immers in die jaren dat de huidige (zee)sluis werd gebouwd en de doorvaart door Lemmer verbeterd. Tegelijkertijd werden ook de nieuwe havenwerken aangelegd.

In 1946 stelden GS een commissie in. Die moest een rapport uitbrengen over de vraag welke gevolgen de totstandkoming van de Prinses Margrietsluis kon hebben voor de sluis- en havenwerken in Lemmer en welke maatregelen er eventueel genomen moesten worden. Nadat vijf jaar later het rapport werd uitgebracht, brak er opnieuw een periode van geschillen en processen aan. Pas in 1958 werd het waterschap opgeheven, waarna in het jaar daarop de bezittingen naar de gemeente overgingen.

Aanleg fundering Lemstersluis

Onderhoud sluis

"Oh Lemster Slûs" Prachtige lofzang.

De Lemsterschutsluis werd in 1887-'88 aangelegd naar ontwerp van de hoofdingenieur van de Provinciale Waterstaat S.J. Vermaas op basis van Franse en Belgische voorbeelden. Op de sluishoofden van de schutsluis staan een wachthuisje in neorenaissancestijl en een peilschaalhuisje in neorenaissance-stijl, waarop zes spreuken en wijsheden zijn weergegeven. Bij de sluis staan drie dienstwoningen; de in neorenaissance-stijl uitgevoerde sluiswachterwoning en twee later in dezelfde stijl toegevoegde woningen.

Opvallend zijn de boven de vensters en deuren aangebrachte geëmailleerde platen lavasteen, die door E. Gillet uit Parijs zijn versierd met symbolische motieven betreffende de scheepvaart. De aanleg van de Lemstersluis maakte deel uit van de uitvoering van een groter plan voor de verbetering van de haven en de zeewering, waarbij tevens een buitenhaven, een vluchthaven en een uitwateringssluis werden aangelegd. Deze in de Lemsterrijn aangelegde uitwateringssluis, de Riensluis, is in 1957 vernieuwd. Alleen een geëmailleerde herinneringsplaquette in lavasteen is behouden gebleven.

Pieter Terpstra.

t Getij gaat zijnen keer, ’t En wacht naar Prins noch Heer.

Dat is één van de zes wijsheden die op de twee sluiswachtershuisjes aan weerszijden van de Lemster sluis geschilderd werden. Er is later menig kwastje over heen gegaan om te bevestigen dat "Niet teveel zeggen, maar houden en beleggen" verstandig is, maar het totale neo-classistische beeld van 1888 is, wat er rondom de Lemster haven ook veranderen mocht, bewaard gebleven.

Vier afdrukken van www.gevelstenen.net

Tientallen sluismeesters hebben in de periode van honderd jaar ook andere spreuken getoond.

't Mag vloeien, 't mag ebben - Die niet en waagt en zal niet hebben.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.