Schulpen |1|

Andringa State te Lemmer, omstreeks 1750

Op deze ets uit 1780, ziet men hoe de omgeving van de Schulpen er in die dagen uitzag met o.a. de haven met een open verbinding naar de Zuiderzee. Rechts op de tekening het Grietmanshuis en op de achtergrond hotel 'De Wildeman'.

Verhaal van oud-bewoner van Lemmer 'Christiaan Lippes van der Veen'. Gewoond hebbende WIJK 1 nr. 17 te Lemmer.

Hier is de haven afgebeeld, de sluiskolk ligt achter de brug, vanuit zee gezien. De sluisdeuren, buitendeuren zijn zichtbaar. (Deze kolk komt op tal van oude gravures voor. Brug en kolk zijn duidelijk afgebeeld o.a. op een tekening van Weissenbruch, gereproduceerd op de omslag van het boek "Lemsterlân. In kuijerke troch it forline"van A. E. Klijnsma. Uitgave Osinga. Bolsward 1957). Het afgebeelde grote huis is 'Andringa State', destijds bewoond door grietmannen, genaamd Van Andringa en Van Andringa de Kempenaer.

De laatste Andringa die het bewoonde was Regnerus, grietman van 1692 tot 1741. Met zijn jongere broer Livius Theodorus stierf dit geslacht uit. De laatste grietman die er in woonde was Jhr. Wilco van Andringa de Kempenaer, die deze functie vervulde van 1836-1851. Na zijn aftreden als grietman bleef hij in dit huis wonen. Het afgebeelde kofscheepje is een Lemster beurtman op Amsterdam, gezien de lange en hoge kajuit-opbouw. Volgens overlevering had de beurtman hier zijn vaste ligplaats in de haven. Vlakbij waren logementen voor de reizigers, o.a. 'De Wildeman', uiterst links op de afbeelding zichtbaar. Op deze plaats in de haven lagen later de nachtboten, de opvolgers van de beurtmannen. Overlevering is ook het rijmpje:

"Als acht uur het klokje luidt gaat de veerman gaat de haven uit".

Dit was de dorpsklok in de kerktoren; 's avonds acht uur. Dit gebruik heeft voortgeduurd tot in de twintiger jaren van de vorige eeuw.

Lemmer, op 3 februari 1825 wordt Friesland geteisterd door een harde noordwestelijke storm, gepaard met springvloed. Bij Lemmer breken vier dijken door. Rechts Andringastate en  de Blokjesbrêge, deze was vanouds een ophaalbrug, welke in 1864 werd vervangen door een basculebrug. Links achter "De Wildeman"

Hoe ernstig de gevolgen van deze watersnood waren, kan men uit het extract van een brief lezen, die de grietman van Lemsterland Van Andringa de Kempenaar, op de avond van 5 februari schreef en die pas de 8ste in Leeuwarden werd ontvangen. Het relaas laat aan duidelijkheid niets te wensen:

Overstroomingen.

Behalve door de rampen van den krijg, werd de Lemmer ook meermalen door watervloeden geteisterd. Reeds vermeldden we, dat bij den springvloed van 1516 — toen het water tot zulk een hoogte steeg, dat alle binnendijken in Friesland diep onder stonden, en men zelfs te Sneek met een snik door de straten der stad voer, de Bourgondische krijgsknechten, die toen op de Lemmer in bezetting lagen, evenals de bewoners der plaats zelve, op zolders en hooibergen gedurende meer dan twee dagen hun toevlucht moesten zoeken.

Het was in een tijd, waarin ons dijk wezen nog zeer gebrekkig was: in geen eeuw was er, volgens de kroniekschrijvers, zulk een hooge vloed geweest.

In den verschrikkelijken Allerheiligenvloed van 1570, welke, volgens den geschiedschrijver Hooft „Van alle rampen, geleeden, bij mans gedenken, door woeden van waater, de zwaarste, beyd' in schrik, en in schaade" geweest is, zal ook de Lemmer en omgeving ruimschoots zijn deel hebben gehad. "Men voer toen van Sneek tot de Kuinder over eene diepte van 27 palmen water; vele brokken laagveen sloegen toen los, geraakten op drift, en kwamen elders, tot zelfs bij Utrecht, aandrijven".

In October 1701 en vooral in December 1708 woedden er een tweetal zware stormen in Friesland, welke de Wouddijken deden bezwijken, en het zuidelijk deel der provincie zoodanig onder water zette, dat tot in Juli het land door zeewater bedekt bleef, zoodat het vee niet van de stallen kon worden gedreven. Toen is ook de dijk voor het Oostzingerveld doorgebroken en daarna verlegd, terwijl tevens de Statendijk werd opgeworpen.

Grooter onheil bracht de stormvloed van 21 November 1776 te weeg. Toen stond op de Lemmer het water in de straten 15 palmen hoog, en steeg de vloed tot 2.03 el boven peil. Beoosten de plaats scheurden drie gaten in den dijk, doch met man en macht werd ze voor doorbraak bewaard. In Eesterga en Follega moesten de boeren met hun vee vluchten voor den drang van het water, dat uit Weststellingwerf kwam aanvloeien.

De watervloed van 1825.

Reeds in het najaar van 1824 en den winter van 1824—'25 hadden de inwoners van de Lemmer vaak angstige oogenblikken doorgemaakt, wanneer namelijk de door den zuidwester stormwind opgejaagde golven der zee dijk, paalwerk en sluis hevig beukten, gepaard gaande met de persende kracht van het oostwaarts der plaats opgejaagde water, waardoor de aanrollende stort"- zeeën de kruin des dijks afbrokkelden, aldus het dijklichaam zeer verzwakten, en geheele palenrijen verschoven of uit elkaar sloegen.

In het bijzonder was dit het geval bij den hevigen orkaan welke den 21sten December 1824 woedde, toen slechts door de hulp van vele mannen een doorbreken van den dyk afgewend kon worden. Geen wonder, dat men, met de herinnering aan dat alles, de uitwerking van den buitengewoon hoogen springvloed, gepaard gaande met een hevigen storm, in den nacht van 3 op 4 Februari 1825, met bijzondere bezorgdheid gadesloeg.

De bewoners van den Nieuwendijk werden 's nachts uit hun bed gedreven, daar de zware golfslag reeds het achterste gedeelte hunner woningen beukte. Reeds van negen uur in den ochtend van den 4den Februari was het water 2 el 67 duim boven volzee gerezen, zoodat het zeewater over de Schulpen, het hoogste deel der plaats, stroomde, waar het weldra tot aan de vensterramen der huizen stond, en verder naar de Lange Streek beneden de Sluis naar beneden liep.

Door het westwaarts van de haven losgescheurde paalwerk, dat op drift was geraakt, werden verscheidene huizen vernield of zwaar beschadigd. Zoo was men o. a. zeer bevreesd, dat daardoor het logement De Wildeman, waar het water vier palen hoog stond, en turfschuur, waschhok benevens gaanderij aan den achterkant binnen een uur totaal weggeslagen waren, geheel zou instorten. Van de gansche haven was weinig meer dan de koppen van sommige palen zichtbaar, en een van het groote havenhoofd losgeslagen kofschip schokte de beschoeiing zoo hevig, dat een deel van het havenhoofd afgerukt en door den stroom voortgesleurd werd.

Tot overmaat van ramp sloeg bewesten de Lemmer, aan het einde van den Nieuwendijk bij de Taanderij, een gat in de glooiing van den dijk, hetwelk een spoedige doorbraak, met als gevolg de vernieling van vele huizen deed vreezen; gelukkig, dat men door krachtige hulp ook hier het dreigend gevaar wist af te wenden.

Intusschen stroomde het zeewater zelfs over de klippen van den sluis muur heen, en bereikte daarmee in den middag de vervaarlijke hoogte van drie el acht duim boven volzee, alzoo nog 26 duimen hooger, dan in den vloed van 1776 het geval was.

Daarbij kwam, dat ook de zeedijk, ten oosten van de Lemmer (De zeedijk van Takezijl tot nabij de Lemmer had, ondanks een doorbraak, niet veel schade bekomen.) op een drietal plaatsen doorgebroken was, zoodat tegen den avond het zeewater al de straten van de plaats overspoelde, en tegen den volgenden morgen dusdanig was toegenomen, dat het ter hoogte van negen palmen op de Nieuweburen stond, zoodat alle bewoners daar op hunne zolders een toevlucht moesten zoeken, en 's anderen daags grootendeels hunne huizen verlieten, waarna vele dezer van achteren zijn ingestort, en tal van goederen verloren gingen.

Zooveel mogelijk trok men daarop aan het werk, om de velen, wier huizen dreigden in te storten, of die reeds noodzakelijk hadden moeten verlaten, in vaartuigen op te nemen. Tot hen, die zeer door de ramp getroffen werden, behoorde ook Lemsterlands grietman van Andringa de Kempenaer, die ernstig ongesteld, en verzwakt van lichaam, zijne woning welk meer en meer door het zeewater omspoeld werd, verlaten moest, en naar Holland uitweek, waar hij den 13den Juni te 's-Gravenhage overleed.

Op de landen in den omtrek van de Lemmer stond het water thans 21 palm hoog. In het stroomende water dreven deuren, palen, planken, scheepstimmer- en mastenmakershout en allerlei vaatwerk rond. Het havenhoofd was grootendeels uiteengeslagen, terwijl in de kerk vele graven door het water waren ingestort.

Onderscheidene vaartuigen werden ook naar den omtrek afgezonden, zoodat van daar des Zondags een aanzienlijk getal menschen en vee de Lemmer kwamen bevolken, waar zij de eerste zorg en verpleging genoten; zoo waren de stallen om de haven al spoedig geheel met vee gevuld, en stonden op de markt onder den blooten hemel nog een 40-tal koeien, benevens een aantal paarden. „Het was een aandoenlijk tafereel van afwisselende droefheid en vreugde onder dengenen, die, uit het lijden en van den dood gered, hunne dankbare tranen met den diepen weemoed der ongelukkig geworden vrienden en naburen vermengden'' zegt een tijgenoot „Den Zondagsmiddags waren weder en wind bedaard en tot algemeene blijdschap begon bet water af te zakken. De wind, tijdelings tot het Noordoosten gekeerd, stroomde de zeesluis met zulk eene vervaarlijke drift, dat de grond schudde, en men vreesde voor het scheuren van het muurwerk, dat geene schade is daaraan geschied"

TUSSCHEN FLIE EN LAUWERS.

Winkel van Berend en Dirkje van der Meer-Visser. (Berend Barelds van der Meer, geboren op 5 april 1877 te Ureterp. Gehuwd met Dirkje Hilles Visser.)

Op deze foto is 'Andringastate' al opgedeeld in kleinere woningen. Hier is het pand versierd voor de Oranjefeesten, (het Juliana-feest 1909).

Twee detailfoto's

Het meisje dat voor de juwelierszaak van Repko staat, is Sjaakje Schirm, die geboren is op 26 juni 1906.

Albert Visser en Hendrik Hogeterp

Schulpen, 'Andringastate' kreeg in later jaren een geheel andere bestemming. In het meest linkse gedeelte opende C. de Jong, een zaak in comestibles, later kruidenierszaak van B.v.d. Meer en J.v.d. Veen. Daarnaast de horlogerie winkel van Repko, later lectuurhal. Het daarnaast gelegen gedeelte was nog heel lang als woonhuis in gebruik door Mevr. de Vries, later de winkel van Bijlhout. Hiernaast de bakkerswinkel van H. de Haan, later Bouma, die er een cafetaria vestigde. Als laatste de winkel van Boonstra (sigaren en drogisterij) later AMRO Bank. Kaart is verzonden op 31 mei 1929.

Detailfoto van bovenstaande

Gezicht op de Blokjesbrug vanaf de Schulpen. Achter de blokjesbrug zijn de sluisdeuren en de bedieningsbomen van de Oude Sluis zichtbaar.

Op deze foto uit 1915, het bedrijf van Schirm. De drie broers, Douwe, Siebe en Frederik Schirm, zijn samen een kleermakerij gestart. Achter de drie ramen op de 1e etage aan de linkerkant, was de kleermakerij gevestigd.

Detailfoto van bovenstaande

Bijna idem

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.