Polderdijk |1|

Tekening van Carol de Vries, (van Wed. S.J. de Vries & Zn).

De Polderdijk, Lemmer. Anno ca. 1956, hier ligt de huidige brug er nog niet in.

De bovenstaande afbeelding is een foto, uit de serie van de schilderijen, van  Lammert Sloothaak.

Voor vragen over de schilderijen kunt U contact opnemen met Bertha de Heij-Vlig: berthadeheij@gmail.com

Foto van de heer Braaksma: Gerrit Wierda, is in 1898 is begonnen met het bouwen van zeeschouwen, woonde en werkte aan de Polle-hoek-Polderdijk.

In Lemmer begon de wagenmaker Gerrit Wierda, later geassisteerd door zijn zoon en een of meer knechten, met de bouw van schouwen. De eerste schouw waaromtrent nog iets bekend is dateert van 1914. Vermoedelijk zijn er echter ook vóór 1914 al schouwen gebouwd. Behalve op het maken van wagens legde Wierda zich op het vervaardigen van vletten toe. De vissers riepen vaak zijn hulp in als er reparaties aan hun schepen nodig waren. Hoewel wagenmaker, had Wierda veel interesse in (de bouw van vissersschepen). Hij stapte dikwijls aan boord van :in de haven liggende vissersschepen om wat op te meten. Wierda had zijn wagenmakerij vlak bij de Spuisluis. Andries Fleer had nier een vissersboot liggen, die in zeer slechte staat verkeerde. Wierda stelde hem voor een nieuwe schouw te bouwen. 'Met de centen zou het wel m orde komen'. Toen de schouw in 1914 gereed kwam, moest Andries Fleer in dienst, want de mobilisatie was afgekondigd. De 'Mobilisatie', zo ging de schouw heten, bleef lange tijd ongebruikt bij de Spuisluis liggen. De grootte ervan was 28 à 30 voet. Deze schouw bleek een snelle zeiler te zijn. Bij verschillende wedstrijden werden daarmee eerste prijzen behaald. Na deze volgde er een groot aantal schouwen, wel 'spekbakken' genoemd, voor vissers, onder andere uit Hoorn en Enkhuizen. De Wierda's zeilden deze schepen zelf naar Holland.

Ongeveer op de plek waar nu het BP staat, in de periode 1897 – 1918 bouwde hij maar liefst 26 houten schouwen.

Zie lijst.

Bouwjaar

1897
1898
1899
1900
1901
1901
1902
1902
1902
1903
1904
1907
1908
1909
1912
1912
1913
1914
1914
1916
1916
1916
1917
1917
1918
1918

Opdrachtgever/eigenaar

Jan Stevens Visser
Hermanus Wouda
Thomas Tijseling
Klaas Kuipers
Gebr. Poepjes
Andries Stevens Visser
Gouke Bootsma
Harmen ter Heide
Renze Stevens Visser
Renze J. Visser
D. Mulder
J. Pauwels
Eldert Porsius
Sake J. Visser
Pieter Bootsma
Harmen ter Heide
Jan Wormsbecher
Gerrit Bording
Andries Fleer
Jan Pauwels
Nicolaas Sant
Jan Veldhuis
Dirk Eilander
S. Wals
P. Bootsma
C. Boneveld

Plaats

De Lemmer
De Lemmer
De Lemmer
De Lemmer
Delfstrahuizen
De Lemmer
De Lemmer
Kuinre
De Lemmer
De Lemmer
Hindeloopen
Durgerdam
Durgerdam
De Lemmer
De Lemmer
Kuinre
Hoorn
Durgerdam
De Lemmer
Durgerdam
Hoorn
Hoorn
Hoorn
Monnickendam
De Lemmer
Eiland Marken

Afdruk van: Sleat Eartiids

De oude smederij van Johannes v.d. Wolff, later van zijn zoon Harm v.d. Wolf, bij de oude spuisluis waar nu de benzinepomp van Slump is aan het eind van de Schans-Vissersburen. (vroeger was hier ook de spuisluis met een brug en een stukje remming ervoor, vlak in de buurt van de houtmolen).

Er zaten een paar woningen aan vast, waarschijnlijk woonde Van der Wolf-senior daar ook. Bij de brand van de houtmolen kregen deze woningen ook zware schade, net zoals de wagenmakerij van Jan Wierda, die daar weer naast stond. In de nacht van de bevrijding werd Harm getroffen, door een Duitse panzerfaust. Dat kostte hem een deel van zijn voet. Hij heeft jarenlang in Lemmer gefietst op een aangepaste fiets met één trapper. Harm had ook een drogisterij op de Vissersburen. Die werd door zijn vrouw Leida gedreven.

- Frans Visser uit Lemmer, vertelt: Deze foto is op de plaats bij de oude spuisluis waar nu de benzinepomp van Slump is, aan het eind van de Schans/Vissersburen. Vroeger was bij de spuisluis ook een brug en een stukje remming ervoor, vlak in de buurt van 'De Houtmolen'.

Mien v.d. Meer-v.d. Wolf, vertelt: Mijn opa, Johannes v.d. Wolf, woonde in het eerste huis met zijn gezin. Hij heeft hier gewoond tot aan zijn dood met zijn dochter Elizabeth. Zijn vrouw was nl. jong overleden. Na zijn dood, heeft Elizabeth er nog gewoond met kostgangers. Ongeveer in 1941 is het gezin van Harmen v.d. Wolf er komen wonen.

In de woning ernaast hebben gewoond: De grootmoeder van Harmen (van moeders kant), Oate de Boer. Daarna een oom en tante, oom Harmen de Boer en tante Makke. Daarna een Lageveen, daarna Luite Dam, met zijn gezin (hij was bij de sociale dienst), dit was in de oorlogstijd. Daarna fam. T. Huitema. Nadien is het als toonkamer van kachels gebruikt en is de bovenverdieping bij het huis van Harmen gekomen.

Bij de brand van de houtmolen hebben deze beide woningen praktisch geen schade opgelopen.

In de nacht van de bevrijding werd Harm getroffen door een dum-dum, die zijn bovenbeen heeft verbrijzeld. Daardoor heeft hij een stijf been gekregen. Zijn aangepaste fiets had twee trappers, waarvan de ene een stilstaande cranck had (deze cranck is nog in ons bezit).

Mien v.d. Meer-v.d. Wolf, vertelt: De toegangsdeur links was de toegangsdeur naar de smederij. Via de smederij kwam men in de winkel. Veel later is deze deur etalage geworden en is er rechts een winkeldeur gekomen. Reclame werd gemaakt voor Torpedo rijwielen (De rijwielen en schrijfmachinefabriek Torpedo Werke te Frankfort a/Main) en Hevea banden. Vóór de smederij een "Shell" benzinepomp.

De smederij van H.v.d Wolf, aan de eerdere Zuiderzeedijk, nu met hekwerk langs de weg en een toegangsdeur naar de winkel rechts van de etalage. Opvallend karretje om motorolie te meten.

Truus Goessen Huitema, vertelt: Direct naast de werkplaats woonde Harm met zijn gezin. Nadat mijn pake, Teake Huitema, zijn boerderij had verkocht, hebben mijn pake en beppe hun laatste jaren in het huisje ernaast gewoond. Zo heeft het er in de tijd van mijn vaders jeugd uitgezien.
Ik ben in de oorlogsjaren vaak op de boerderij geweest, maar wat in mijn geheugen zit, is dat in die tijd ook al de muur en het hekwerk bestond. Maar later in het huisje aan de Zeedijk 2 was het allermooiste. Vlakbij de houtmolen.. en het werk in de smidse was ook altijd interessant. Ik heb er vaak gelogeerd in het kamertje boven. Daar was een kleine bedstee, heel gezellig.

125-14.jpg

1916

Een foto van het begin van de polderdijk genomen vanaf de Spuisluis. Op de voorgrond een deel van het remmingswerk dat voor de Spuisluis en de brug in de Benedenschans in de Rien stond. Op rechts houtopslag (it houtstek) en loodsen van de houtzagerij of zoals het in de volksmond gebleven is de houtmolen 'Bonte Ekster'

In het water tegen de wal bonen, die lagen daar soms heel lang om in te weken voordat het hout werd verwerkt tot masten of ander scheepsgerij werd verwerkt. Daarnaast de zeilmakerij van fa. M.F. de Vries, (fa. van der Neut). De slagerij van Rijpkema, en de smederij van van van der Berg.

In de Rien voor de zeilmakerij begint een rij schepen en zo ver het oog van de camera toen gereikt, zijn de masten van schepen te zien. Een mooi beeld, maar ook in dit hoekje Lemmer is in de sindsdien verstreken 45 jaar heel wat veranderd.

Voorraad hout van houtmolen, huisjes op achtergrond, Polderdijk.

Huisje van 'Hadders' aan de polderdijk.

Bovenstaande twee foto's, zijn afkomstig van Merten en Sjoukje de Vries de Jong. Het is bij het verdeelstation van het vroegere PEB in de buurt van het Pasveer waar nu de gemeente zit.

In het jaar 1901 werkte de 13-jarige Jouke Brouwer, te Lemmer in een touwslagerij. Evenals wijlen Michiel de Ruyter, draaide ook kleine Jouke urenlang aan het grote wiel, welke bezigheid met zeven stuivers per week werd gehonoreerd. Op de zeilmakerij van de Fa M. F. de Vries, had men destijds een flinke jongen nodig, omdat één van de knechts onder dienst moest. Een broer van Jouke was nogal bevriend met de baas en vooral daardoor kwam hij op de zeilmakerij terecht. Om precies te zijn op de 14de October 1901. Het was net, of hij een Rijksbetrekking kreeg, want bij de nieuwe baas zou hij honderd hele centen per week verdienen.

Werkelijk, zei Brouwer, toen we even bij hem aanliepen en een praatje maakten, voor mij was het destijds een buitenkansje, want als jongen van dertien jaar zou ik een hele gulden per week verdienen en dat was in die tijd geen kleinigheid. Ik was nog geen elf jaar, toen ik al in een touwslagerij moest werken, eerst alleen in de morgenuren en later de hele dag. Zeven stuivers per week verdiende ik toen. Daarom was ik zo blij met mijn nieuwe betrekking.

Ja, vijftig jaar heb ik daar straks gewerkt, maar ik vind het niet nodig om er veel drukte van te maken. Elk mens moet aanpakken en wij leerden al jong de handen uit de mouwen te steken. Dat ik nu toevallig vijftig jaar zeilmaker ben is zo'n grote verdienste niet.

Toen we echter over zijn werk begonnen, raakte Brouwer toch op zijn praatstoel. Als duvelstoejager was hij in 1901 óp de zeilmakerij begonnen, maar met het verstrijken der jaren kreeg hij zijn moeilijk werk geheel onder de knie. In het begin van deze eeuw, vertelde onze gastheer, waren onze vissersvloot, de tjalken van de binnenvaart en zeeschepen als schoeners en klippers onze klanten. En wat voor klanten! leder, die wel eens een tekening van zon schoener heeft gezien, zal het grote aantal zeilen zijn opgevallen, dat zo'n schip bezat.

Wat had je toen een prachtige schuiten. Slanke klippers, die tientallen vierkante meters zeildoek voerden en meteen stijve bries, schuin op één boeg liggend door de golven bruisten. En het zee volk, zo lenig als acrobaten, vlóóg op de commando's van de bootslui het want in.
Dat heb ik vaak gezien, vertelde Brouwer verder, want destijds moesten we dikwijls naar Hasselt, Amsterdam of Rotterdam, om nieuwe schepen op te tuigen. Zwaar en verantwoordelijk werk was dat, want ook tegen harde wind en stormen moest het zeildoek klippers en schoeners bestand zijn. Toch betekenden die reizen 'n welkome onderbreking in het dagelijks bestaan. Maar zwaar werk was het zeker, net als het tanen van zeildoek.

Toch mocht ik nooit klagen, want werkeloosheid heb ik gelukkig niet gekend. Mijn loon — elf centen per uur, bij werktijden van 's morgens vijf tot 's avonds zeven uur — was voor die tijd niet slecht. En dat je ook Zaterdagmiddags werkte was heel gewoon. Wat dat betreft, vond onze gastheer, is er heel veel ten goede veranderd.

Werkelijk slechte tijden maakte Brouwer mee, toen hij in de eerste wereldoorlog als landstormer onder de wapens werd geroepen. Zijn vrouw en twee kinderen ontvingen destijds één gulden per week ondersteuning. In de winter kwam daar dan nog tien cent voor de brandstof bij.

Met het voortschrijden der techniek verdwenen klippers en schoeners van de wereldzeeën en allengs ook de tjalken uit de binnenwateren. Het afzetgebied van de zeilmakerij veranderde, doch ook het werk werd lichter. Rond 1930 deden de zig-zag naaimachines hun intrede.

Tegenwoordig maakt men zeilen voor jachten, regenbogen, Valken enz. maar ook dekkleden, markiezen en fietstassen. Ook in het buitenland zitten de klanten.

Of Brouwer nu, na een halve eeuw van arbeid gaat rusten? "De pinsjoenen bin'leech en it libben is djûr. Ik leau, dat ik mar hwat trochpiele moat". De bescheiden Lemster, die men zijn 63 jaren nog niet aanziet en die van zijn jubileum niet veel drukte wil hebben, zal desondanks de 14de Oktober menig gelukwens in ontvangst moeten nemen dunkt ons.

En terecht....

Bron: HEERENVEENSE KOERIER, 13 October 1951.

De taanderij van M. de Vries te Lemmer

Wim Dam vertelt: De man links is WiIlem Dam, mijn heit rechts is Siebold van de Bijl, hier bezig aan het zeilen-tanen

Christina van der Bijl en haar schoonmoeder (Getsje v.d Bijl-Gaastra) vertelden, dat dit een foto bij de voormalige zeilmakerij M.F. de Vries, aan de Polderdijk is. De namen zijn: v.l.n.r: de 1e onbekend – Siebolt van der Bijl – Willem Dam – Jouke Brouwer.

Foto genomen op dezelfde plek...

De historie van de Lemster zeilmakersfamilie De Vries, begint in 1823. Voor zover nog is na te gaan aan de hand van oude akten, snij- en bestekboeken is in dat jaar Marten Pieterszn. de Vries (1807-1872) als zeilmakers 'knegt' in dienst getreden bij Cornelis Rienksz. Sleeswijk. Hoewel niet bekend is of de familie Sleeswijk in die jaren een zeilmakerij bezat, blijkt uit snij- en bestekboeken van Marten P. de Vries (gemaakt tussen 1823 en 1839) dat er molenzeilen en zeilen voor bestaande schepen werden gemaakt.

Volgens zijn trouwakte van 24 mei 1829 en de geboorte-akten van zijn kinderen is Marten P. zeker tot juli 1859 zeilmakersknecht geweest  Bij het huwelijk van zijn dochter Aaltje op 18 november 1860 wordt als zijn beroep echter zeilmaker opgegeven, evenals in zijn overlijdensakte van 24 september 1872.

Na de dood van Cornelis R. Sleeswijk in 1857 trad Marten P. waarschijnlijk in dienst bij Joh. Sjoerds. Sjoerds was in die dagen een van de drie zeilmakers in de gemeente. Naast hem waren er zeilmaker Jan S. Visser en K.M. Pasveer. het is niet onwaarschijnlijk, dat Marten P. de Vries in 1871 de zeilmakerij van deze Joh. Sjoerds heeft overgenomen. Deze zeilmakerij was naar alle waarschijnlijkheid gevestigd aan het Turfland.

De op 8 maart geboren zoon Folkert M. de Vries is om onbekende reden naar zee gegaan als leerling-zeilmaker, getuige een monsterrol gedateerd 27 april 1854. Hij was toen 17 jaar oud.
Volgens overlevering zou Folkert M. de Vries na een ongeluk in 1864 (misschien eind 1867, want toen is het schip gestrand en wrak geslagen) als volleerd zeilmaker aan land zijn gekomen.
In een getuigschrift verklaarde kapitein Jan Helmers, uit Lemmer, van het Nederlandse brikschip "Hendrika Roelina" over Folkert de Vries: "Dat toonder bij hem op voorgenoemd schip heeft gevaren ruim twee jaren, hij is best van gedrag, uitmuntend zeilmaker, goed zeeman, daarbij trouw en eerlijk, dus volgens de opgegeven vereisten durf ik hem aan een ieder aan te bevelen en te recommanderen"

Gezien een snij- of bestekboek van 1864 op naam van zowel Marten P. als Folkert M. de Vries, is Folkert daarna bij zijn vader in de zeilmakerij gaan werken. na de dood van zijn vader zette Folkert het bedrijf voort.

De op 28 december 1876 geboren zoon Marten Folkerts, is al op jeugdige leeftijd bij zijn vader aan het werk gegaan. De werkzaamheden bestonden in die tijd voornamelijk uit het vervaardigen van molenzeilen en zeilen voor vissersschepen en tjalken. Daarnaast werden zeilen getaand (in een ontsmettende, bederfwerende bruin-gele verfstof, een aftreksel van eikeschors, gekookt om ze duurzamer te maken) en touwwerk en teer verkocht.

Door de aanleg van een nieuwe binnenhaven met sluiscomplex en het doorgraven van de Lemster Rien vanaf de Vissersburen naar die binnenhaven en het gelijktijdig dempen van de verbinding Rien - Dok, werd de Rien het belangrijkste grootscheep-vaarwater door Lemmer.
Folkert M. de Vries en Marten F. de Vries, hebben waarschijnlijk het belang hiervan ingezien en kochten in 1900 een stuk grond van de familie Sleeswijk, aan de toen zo geheten Visscherburen (later Polderdijk) voor de bouw van een nieuwe zeilmakerij met woning.

Dit pand werd gebouwd door de oudste van Folkert M., Pieter Martens de Vries (1832-1913)
Het gebouw werd opgeleverd in de loop van 1901. Het was in die dagen het tweede bouwwerk aan de Polderdijk. Het eerste pand wat daar werd gezet, was dat van mast-, blok- en pompmakerij fa S.J. de Vries. Laatstgenoemd bedrijf werd in 1927 overgenomen door fa. D. van der Neut.
Ook werd in 1901 grond aangekocht van de familie Van der Hoff (toenmalig logementhouder aan de Nieuwburen), dit voor aanleg van een taanderij. Hierop verezen dan ook vlot een taanschuur met taanketel en taanmasten. De taanderij lag vlak achter het perceel van fa. Sj. de Vries.

De zeilen werden vanaf de zolder van de taanschuur in de taanketel getakeld en daarna in de masten gehesen boven de 'uitdrupbakken' waarna ze op de taanderij werden gedroogd en gekeerd om geen kleurverschil te krijgen. Elke zichzelf respecterende zeilmaker taande een zeil dat voor het eerst behandeld werd vijf maal, waarna het nog tweemaal nagetaand werd met aluin (een zeer samentrekkend middel)

Het Nieuwgebouwde pand, toen Visscherburen G 88, bestond uit een zeilmakerij met zeilenzolder en een dubbele woning. De ene werd bewoond door Folkert M. de Vries tot zijn dood in 1902 (daarna door zijn weduwe tot 1921).
In de andere woning trok Marten F. de Vries na zijn huwelijk (1901) Per 1 januari 1902 nam laatstgenoemde de zaak van zijn vader over.
Marten F. de Vries heeft zich naast zijn zeilmakerij ook terdege ingezet voor de gemeente politiek (hij was o.a. burgemeester), kerkenraad en schoolbestuur. Hij werd hiervoor benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau.

De oudste zoon van Marten F. de Vries, Folkert M, die werd geboren op 13 augustus 1902 en waarschijnlijk voorbestemd was zijn vader op te volgen, was van jongs af ziekelijk en stierf in april 1927.
Omdat de vooruitzichten voor een zeilmakerij in die jaren niet zo rooskleurig leken en het voortbestaan onzeker werd, ging de jongste zoon Bouwe M. de Vries, geboren 30 april 1916 studeren voor apothekersassistent, waarvoor hij zijn diploma haalde in 1934. Twee jaar later is Bouwe echter toch bij zijn vader in dienst getreden en hij heeft de zeilmakerij per 29 april 1939 overgenomen

Een jaar later brak de Tweede Wereldoorlog uit, in die jaren werden vrijwel geen nieuwe zeilen gemaakt, de voorraden doek waren snel uitgeput. Met 3 á 4 personen werden visserszeilen gerepareerd en getaand. Daarnaast wedren dekkleedjes en honderden pantoffels van zeildoek gemaakt, de uit gebruikt zeildoek gesneden 'sloffen' vonden gretig aftrek.

Na de bevrijding van Lemmer op 16 en 17 april 1945 werd Bouwe M. de Vries dusdanig gewond, dat hij op 18 april overleed. Na de bevrijding heeft Marten F. de dagelijkse leiding weer op zich genomen.
Na het overlijden van Marten F. op 10 november 1953 heeft de weduwe van Bouwe M. samen met eerder genoemde medewerkers de zeilmakerij voortgezet.
In september 1955 kwam de oudste zoon van Bouwe M. de Vries, Marten Folkert, geboren 7 september 1939, als leerling-zeilmaker in het bedrijf.
Na een geweldige expansie in de watersport, met nieuwe ideeen en methoden het bedrijf langzaam uitgebreid. Zo rond 1960 bedroeg het aantal medewerkers ongeveer 8, waaronder twee vrouwen.

Inmiddels was in 1958 ook de jongste zoon van Bouwe M, Folkert, als leerling in de zeilmakerij opgenomen. Per 1 januari 1966 gingen de weduwe van Bouwe M. en haar zoons Marten Folkert en Bouwe M. een vennootschap onder firma aan.

Eind zestiger jaren waren de activiteiten dermate toegenomen, dat ondanks de verbouwingen en diverse uitbreidingen het pand aan de Polderdijk te klein werd. Op het industrieterrein 'Buitengaats' in Lemmer werd een geschikte plaats gevonden, gelegen aan een haven met open verbinding met het IJsselmeer.

Op 25 september 1970 werd de nieuwe zeilmakerij met bovenwoning geopend door burgemeester Feite Faber van Lemsterland.

In 1975 werd de weduwe van Bouwe M. de Vries, door Marten F. en Folkert uit het bedrijf gekocht. Met de 22-jarige Bouwe Gert, zoon van Marten F. de Vries werd de vijfde generatie opgeleid en ingezet.


Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.