Home » Lemmer » Afbeeldingen: Straten - Strand » Binnenhaven (Oude haven) te Lemmer

Binnenhaven (Oude haven) te Lemmer

Omschrijving van Evert de Vries: Hier zien we de grote lantaarn, de lantaarn is de voorloper van de vuurtoren en er werd omstreeks 1800 met kolen en houtvuur gestookt.

De kleine binnenvaartschepen, kwamen naar Lemmer, om hun handel af te leveren, waarna het in grotere schepen doorgevoerd werd naar Amsterdam. Verder komen we hier terug in een tijd dat de havenwerken, nog niet aangelegd waren en de Markt, niet doorgegraven was. Het enige dat nog herkenbaar is, is het huis in het midden. Dat moet wel het tegenwoordige Hoekje zijn.
Rechts daarvan, zijn wat daken te zien, daar zou de boerderij bij kunnen zijn waar Zwarthoed, voorheen zijn Hang in had. Helemaal rechts; zien we de 'Grote Lantaarn', die we moeten zien als de toenmalige vuurtoren.

Van mijn grootvader heb ik vaak de verhalen gehoord, dat de weg daarheen van hout was. 's Avonds liep men vaak naar de vuurtoren, en hij vertelde dan, dat het een geklots van klompen was, voor hun huis aan de Schulpen. We zien hier een schip liggen op de plaats waar later de Rien, met de haven verbonden werd. De huizen links daarvan, werden met die doorbraak afgebroken.

Lemmer.png
Lemmer.png
Lemmer1.jpg
Lemmer1.jpg
Lemmer2.jpg
Lemmer2.jpg

In 1790 heeft J. Bulthuis gravures van het dorp Lemmer gemaakt. Deze afbeeldingen tonen de Lemster toren en de Binnenhaven, die toen nog Buitenhaven was. Achter de brug ligt de zeesluis, waar nu nog de naam 'Oude Sluis' aan herinnert. In die tijd hadden veel zeilschepen Lemmer als bestemming, want in die tijd was vooral het vrachtvervoer per zeilschip belangrijk in Lemmer.

Binnenhaven met Schulpen en de Andringa state.

11-3.jpg
11-3.jpg
3-3.jpg
3-3.jpg
13-3.jpg
13-3.jpg

Binnenhaven met Emmakade voor 1898.

4-4.jpg

 

 

Ut: Op alle winen Fedde Schurer.

Er is niemand meer, die zich dit beeld van Lemmer herinnert. Toch is dit een goed vertrekpunt, omdat de huidige contouren van Lemmer, uit deze situatie zijn ontstaan. De foto laat zien hoe ons dorp er aan de zeezijde uitzag in 1886, vlak voordat de omvangrijke havenwerken begonnen. Na genoemd jaar werd een nieuwe zeedijk om Lemmer gelegd en kwam dit water achter nieuwe schutsluizen te liggen en daarmee kreeg ze de naam binnenhaven. In het midden het 'Grote Vuur' bij de haveningang, toen nog met petroleum gestookt.

Het schip aan de rechterzijde, vaart in de richting van de oude sluis. Links zien we de Emmakade, de bebouwing is nog goed herkenbaar, rechts de Prinsessekade.


Hepkema's courant: 10-04-1912: De Lemmer en het zogenaamde “onjaar 1748”

De Grietman van Doniawerstal, Jhr. J. Vegelin van Claerbergen, schreef destijds in zijn Dagboek: „dat de haven op de Lemmer gestadig zoo vol schepen lag, door de stilstand der navigatie, dat de aen- en afgaende schepen nauwelijks passage hadden."

Daar liet hij op volgen: 't Gaet droevig ook met de sterfte van t rundvee! Bovendien hooge lasten en groote ontevredenheid over de regeering en hare dienaren. Inzonder over de pachters en cherchers of opsichters.

Deze werden algemeen „schrobbers" geheeten, een scheldnaam ontleend aan de roofvogels van dien naam, die zweven boven onze rietvelden en onlanden, met arendsblikken loerende op hun prooi. Ook in Zeeland vindt men die benaming nog voor deze vogels.

Terugkeerende tot het Dagboek van Vegelin vinden we daarin vermeld, dat de old-Grietman Andringa op advies van den ontvanger Oldendorp een ordonnantie hadde bewerkt, waarin bepaald werd, dat yder schip dat langer dan 14 dagen in de haven bleef liggen voor yder nagt 2 stuivers lig-gelt moeste betalen voor de Kercke."

De nieuwigheit van 't geval dede de schippers, synde buitenvaerders, murmureren, en selfs renden cavelen of een Grietman die magt wel had in een Landschapshaven en dreygden daerop niet weer in de Lemmer te willen coomen havenen, overmits de ingesetenen daer by souden verliepen, omdat aen sulke schepen altyt wai was te calefateren of te repareren, soo begonnen handwerkslieden en nermghouders ook die saek tot haer nadeel te bevatten. 't Gevolg was een samenrotting op Hemel-vaertsdag, synde den 23 Mey.

Uit Groningen kwamen dien dag ook vele malcontenten, op weg naar den Prins in den Haag, en saam vereenigd had men de intentie „om het huis van den ouden heer Andringa te insulteeren, daerna dat van Oldendorp en gevolgelijk dat van den secretaris de Jong.

Eenige welmenende mannen uit de borgerye wisten dit onheil evenwel nog te voorkomen, door te bewerken, dat de afschaffinge der liggelden belooft en de lastgeving ingetrokken werd.

Niettemin bleef de gisting onder, het volk aanhouden en werden al de opzichterhuisjes alhier in den namiddag van 23 Mey afgebroken, evenals in Doniawerstal.

In andere grietenijen waren ze reeds enkele dagen te voren omvergehaald. Overal werden de collecteboeken van de ontvangers verscheurd of verbrand. Niet alleen de nieuwe van na Mei, maar ook die van voor Mei, waardoor licht wel een half millioen gulden van de nog onbetaalde impositien verloren is gegaan, ten bate der „late" betalers, wier debet niet meer viel aan te wijzen, zegt de Schr. Verder lezen we: Toen de opsichtershuisjes stonden afgebroken te worden, scheen de Grietman Lycklama met de gewapent synde opsichters en gerechtsdienaars dit nog met gewelt te willen beletten, wat van quaed gevolg sou syn geweest.

Het grootste gemor evenwel was gericht tegen de oude heer Andringa, ontv. Oldenburg en secr. de Jong, de laatste toen juist absent, waerover de vrouw ten uitorste becommerd was, dog wierd gestilt en feitelykheden voorcomen door goede woorden en libelaliteiten. Dog Saturdagavont kreeg de old- Grietman een brief tot waerschouwinge van syn goede vrinden, dat aen Groninger grenscant by 't Stroobos en elders een constant gerugt was, dat hij een schip met buspulver had geladen en voor tabak aengegeven en versonden naer Duinkerken, en dat van daer eenige 100 man aenrukten om sulx aen hem op de Lemmer te wreeken.

Dit gaf denselven een merkelijke consternatie en verlegentheit en seer bewogen vertoende hij elk en een yder dese brief, hen tot medelijden bewegende en vertogende dat hij maer 2 scheepen voor eenig part in zee had, beyde na de Oostzee; vervolgens van dat gerugt geen idee connende maken; dog dit was de saeke, dat er ruim een jaer geleden soodanig gerugt was geweest, waarin ook Oldenburg betrokken was en dat nu weer wiert opgehaeld en alleen tot laste van de oude Heer uitgemeten.

De burgers en ingesetenen hier beloofden hem trouw en adsistentie, en namen denselven onder haer protectie. Selfs die van Oosterzee. Maer conditioneel. Tegen hun zin hadden ze hier een candidaat Cramer tot predicant gekregen en liever hadden ze eenen Rost uit de Rottevalle gehad en nu moeste de oude Heer die saeke na hun sin in orde brengen. (In de Gerechtsboeken hebben we nog een aanklacht, pleidooi en vonnis gevonden in verband met deze kwestie, waarover nader onder Oosterzee.)

Meer consternatie dan de honderden Groningers, die volgens geruchte op de Lemmer zouden aanrukken, om op den old-Grietman revanche te nemen, verwekte een schipper uit de Lemmer, met name Fekke Harmens, ten huise van den Landsfiscael Nauta te Leeuwarden, hem afvorderende betalinge van f 300, hem voor 14 dagen afgeperst boven doenmaels ontvangen f 180 tot restitutie van een betaelde boete en vercogt schip over begaene sluikerij.

Fiscael Nauta, die niet zonder smetten was in die dagen van familieregeering, en eigen verwanten begunstigde ten koste van anderen, kreeg het zwaar te verantwoorden. De goede Vorstinne Maria Louise had hem op zijn verzoek al een harer lakeien afgestaan te zijner bescherming, want elk en een yder eischte van hem reeds lang betaalde boeten terug, 't zij dan terecht of te onrechte, en zoo ook- de genoemde Fekke Harmens uit de Lemmer.

Toen deze terugbetaling eischte seyde de Fiscael dat hem sulx ongelegen kwam, omdat hij nu ten einde gelt was, hij moest dus nog wat patientie hebben; dog sulx hielp niet. Hij wou gelt hebben en sou om 3 uur weer comen en anders sou hij wel maken, dat hij het kreeg.
Die stoutheid diende eindelijk gestuit, zoo oordeelden Staten en Hof.

De schipper en een kameraad begaven zich naar de Vorstin met hun beklag, die hen zooveel mogelijk stilde en gingen daarop weder naar den Fiscael. Daer wierden nader eischen en dreygementen gedaen, waervan het einde was, dat het roerige tweetal in boeien werd geslagen en naar 't Blokhuis gebracht!

Dit gaf groot rumoer in de stad...Onder veel geschreeuw en geraas de poortklok aan 't Vliet geluid synde, con men door de groote menigte van 't volk de brug niet ophalen, zoodat de poort open bleef en 't rumoer bleef aanhouden.

Een dolle hoop, meest schippersgezellen en groote jongens, schreeuwend Vivat Oranje ! bewoog zich tierend en razend langs de straat, eischend de onmiddellijke invrijheidstelling van den Lemster schipper en zijn kameraad. Men dreigde zelfs het Blokhuis op te loopen. Rechters en Raden vergaderden. Het was een seldsaem spektakel den Raed soo laet bijeen te sien coomen, sijnde het bijna elf uren!

Men overwoog de burgerij onder de wapenen te roepen, waertoe meer als 2 a 8 uren vereist wierden. Zoo ook de guarde, maar een morrende menigte van ongeveer 50 man drong in haer ongeduld do voorsael binnen van 't stadhuis, rookend en smookend of ze een corps de guarde was.

In steeds dreigender taal drongen ze aan op spoed en 't duurde niet lang of de Heeren werden gedwongen last te geven tot ontslag der beide gevangenen; wat een ongemeen geschreeuw op straat ten gevolge had.

Een uur na middernacht scheidde de Raad en de ontslagen Lemster schipper wiert triumphantelijk omgeleyt en 's nagts op 't Vliet gehuisvest. 's Anderen daags was Fekke Harmens na deze schitterende overwinning nog allesbehalve tevreden, pretendeerende „vergoeding over smort en hoon". Op den voet gevolgd door drie dienaren der justitie, wist men hem ten slotte zoo ver te krijgen, dat hij beloofde nooit weer over gelt te sullen spreken, wanneer men-hem ongemoeid wilde laten.

Dus geschiedde dato 26 Juny 1745, maar het duurde bijkans nog een vol jaar, voor het onweer had uitgewoed, dat in menig Grietenij heel wat zorg en onheil heeft gebaard, maar ook goede vruchten heeft gebracht.

Lemsterland: Omschrijvinge van familiën in Friesland, 1744
Gemeente Lemsterland, Lemmer
Fekke Harmens
Toegezegde bijdrage £ 5:00:00
Aantal personen: 4

Klik hier voor afbeelding origineel.

De bovenstaande afbeeldingen zijn foto's van de schilderijen, die zijn geschilderd door Lammert Sloothaak. Voor informatie over de schilderijen kunt U contact opnemen met Bertha de Heij-Vlig: 

De binnenhaven omstreeks 1920. Mogelijk is links de Groningen III te zien. Rechts 'De Amsterdam'. Eén der eerste boten die behalve vracht ook passagiers vervoerde. De "Amsterdam" en het zusterschip de "Lemmer" waren eigendom van de Lemster ondernemers, Adrianus de Jong en Jochem de Haan. Het stoomschip had oorspronkelijk 2 masten. De achterste mast werd later verwijderd, waardoor er meer ruimte kwam voor passagiers.

Op een andere zelfde kaart, maar van van mindere kwaliteit, was het volgende onder geschreven.

17a.jpg

Bijzondere opname, vooral met het Gemeentehuis op de achtergrond.

De binnenhaven. Links geeft een goed zicht op de verandering van panden.

Omschrijving van Johannes de Vries: De Binnenhaven, met wijde omgeving. Op het moment, dat deze opname gemaakt werd, was er van bedrijvigheid weinig te bespeuren. Alleen aan de Emmakade, ligt een van de nachtboten. Het lijkt mij een boot van de Groninger serie. De naam is niet te lezen.

Op de voorgrond, zien we een stukje van de omgeving van de sluis. Op links een brokje van het tramstation, met het torentje er nog op. En de ingang, waar de kaartjes gekocht konden worden. Dan het huis van de familie De Rook. Langs de Prinsessekade, is een deel van de Oudesluis, zichtbaar. Wierdsma, Loen, Noppert, Piet Zwart. De panden aan de Markt, nu Burgemeester Krijgerplein.

De toren van de Hervormde kerk, steekt boven alles uit. Een klein stukje van Gedempte Gracht en Nieuwburen en verder de Emmakade. Gelukkig is hier in de loop van de jaren niet al te veel veranderd en is het meeste nog wel herkenbaar.