Achterom (5)

66.jpg

 

 

 

Andries Bergsma, geboren op 30 augustus 1895 te Lemmer. Hier op jonge leeftijd.

Andries Bergsma, een opvallende Lemster.

Door Johannes de Vries.

Een kleurrijk figuur in Lemmer was Andries Bergsma. In Lemmer beter bekend als ‘Reade Okke’. Een man die levenslang vrijgezel gebleven is. Hij woonde alleen en leefde op zijn eigen manier. Niemand tot last. Andries was een man die, als er werk was, alles aanpakte. Naar ik mij herinner werkte hij vaak bij het lossen en laden van schepen.

In het werk stond hij zijn mannetje; hij was niet iemand die zijn collega’s voor het zware werk liet opdraaien. Veel Lemster hadden niet zo’n hoge dunk van hem. Die kenden hem het beste van zijn altijd durende dorst. Hij dronk vrij veel en ook vrij geregeld wat te veel. Maar daar deed hij niemand anders dan zichzelf tekort mee. Hij had een vrolijke dronk over zich en liep dan zingend door Lemmer.

Persoonlijk heb ik een heel andere kant van hem leren kennen. Hij was voor zijn brood altijd klant bij collega bakker Haveman. Toen die zijn winkel sloot was Andries in paniek. ‘Wer moat ik nou hinne frou’, vroeg hij vrouw Haveman. ‘Gean mar nei Evert – dat was mijn vader – ik bepraat it wol’, zei vrouw Haveman. Zij vertelde mij dat Andries, die altijd zoals wij het hier zeggen, ‘pine yn é bûse’ had (altijd platzak was) een maand lang alles wat hij kocht liet opschrijven. Als hij dan zijn AOW ontving kwam hij om te betalen.

Zo ging het voortaan bij ons ook. Ongeveer een week voor de uitbetaling gaf hij wat ik dan noemde het tien minuten schot. Zoals bij het skûtsjesilen ook twee keer geschoten wordt voordat het aan het startschot toe is. Een keer tien en een keer vijf minuten. Dat tien minuten schot was dan bij Andries een waarschuwing dat mijn moeder de rekening moest optellen. Een paar dagen Later vroeg hij of het al opgeteld was, het vijf minuten schot. Als de grote dag dan kwam was hij ’s morgens al heel vroeg bij de achterdeur van het postkantoor. Om te vragen of zijn geld al binnen was. Meteen als het kantoor open was haalde hij zijn geld op en liep rechtstreeks door naar ons om te betalen.

Alle keren gaf hij wat extra’s. Als het ƒ 19.50 was zei hij: ‘Rekkenje mar f 20.00’ (Maak er maar 20 van). Of hoe het maar uitkwam. Wij zijn dan ook nooit een cent aan hem tekort gekomen. Toen hij overleden was kwam een nicht van hem die hem altijd wat steunde om wat er nog open stond van de lopende maand te betalen.

Andries is op een rare manier aan zijn einde gekomen. Hier op de Nieuwburen werd hij aangereden. Ik meen dat hij nog een paar dagen geleefd heeft. Maar die aanrijding is in ieder geval zijn dood geworden. Bergsma was wel een man met humor. Vaak was het wel een wrange humor. Misschien ook wel om zichzelf te beschermen. Hij was nogal emotioneel. Dat moest iemand anders niet weten en dan moest dat wel eens op een beetje ruwe manier verborgen blijven.

Op een dag werd één van zijn vrienden uit het café begraven. Het was in de tijd dat de bieten werden binnengehaald. Wagens vol bietenkoppen werden door de boeren uit de Noordoostpolder gehaald. Zij reden daar dan mee door Lemmer. Meteen na de begrafenisstoet reed zo’n wagen met groen. ‘Hy hat wol blommen’ (Hij heeft wel veel bloemen) was het commentaar van Andries die aan de kant stond te kijken. Zoiets zeg je gemakkelijker dan woorden van medeleven of gedenken.

Andries heeft zijn hele leven in Lemmer gewoond. Hij hield van ons dorp. Net als alle geboren Lemsters. Toen iemand tegen hem zei: ‘Wat is it hjir moai op ‘e Lemmer’ (Wat is het toch mooi in Lemmer) was zijn antwoord: ‘Ik kin wol skrieme as ik der oan tink dat ik hjir in kear wei moat’.(Ik kan wel huilen als ik er aan denk dat ik hier eens weg moet)

Met Sinterklaas was er sjoelen en balgooien in het café van Piet van der Werf. Andries hoorde daar tot de stamgasten. Als vaste klant hielp hij daar dan ook bij. Er was dan ook een soort loterij. Als hij de winnende loten trok riep hij af en toe als winnaar ‘Menear Ant. út Ychten’.(Mijnheer Ant. uit Echten) Die was er natuurlijk niet en de prijs werd dan eerst aan kant gelegd. Zo bleef er dan voor de medewerkers aan het eind van de avond ook nog wat te eten en te drinken over.

Oproer.

Het was in de herfst. Het avondeten was op. De kinderen in het Achterom mogen tot half acht bij de deur nog wat spelletjes doen, daarna is het bedtijd. De grotere jongens van zo'n jaar of vijftien stonden wat verderop in het Achterom bij elkaar. In het armenhuis was ook een bibliotheek. Er was een loket in de muur waar men boeken kon halen voor een paar centen per week. Die grote jongens hadden de gewoonte om aan te kloppen en om boeken te vragen. Als die boeken dan klaar lagen, draafden de jongens weg.

Dat ging zo een paar weken door, totdat er op een bewuste avond weer werd gevraagd om het boek "Recht door zee". Op dat moment kwam Ostende, de politieagent te voorschijn en begon er op in te slaan. Hij raakte daarbij een jongen, die uit de hang kwam, flink. Een paar vrouwen, die dat zagen, werden zo kwaad, dat zij Ostende met bezems en puthaken te lijf gingen. De politieagent vluchtte het armhuis in. Bij de brug hoorde men wat er in het Achterom aan de hand was en in een ommezien was het zwart van de mensen rondom het armhuis. De politieagent durfde niet naar buiten te komen, want hij hoorde de bedreigingen wel.

Intussen had de andere politieman in Lemmer gehoord wat er bij het armhuis gebeurde en even later kwamen politie Visser en zijn zoon het Achterom in. Visser zag wel dat de toestand erg kritiek was. Hij ging terug om hulp te halen en kwam terug met één van de leden van de gemeenteraad. Deze sprak de menigte toe en wist het zo ver te krijgen dat men Ostende ongedeerd liet. Het volk ging uiteen en ieder ging weer huiswaarts, waarmee een einde was gekomen aan het oproer in het Achterom.

Het was een paar jaar later dat Evert de Vries lopende van IJmuiden was gekomen en dat hij met de Velserpont het Noordzeekanaal over stak. Daar zag ik een bekend figuur. Wel twee meter lang. Het was de vroegere politieagent Ostende. Hij vertelde mij dat hij inmiddels oppasser was geworden op de Velserpont. Even hebben wij het over Lemmer gehad. "De Lemsters hebben een grote mond, maar een klein hartje", zei hij, waar hij nog aan toevoegde: "Toch mag ik ze wel".

Spinhuispolle.

Op de Spinhuispolle woonde Dirk Bijlsma met vrouw en vier jongens, Marten, Jentje, Jaap en Sjoerd. Het was niet ruim met de verdiensten want om een gezin van zes mensen van eten te voorzien viel niet mee voor één man. Bijlsma moest met vissen zijn gezin door de tijd heen helpen. Hij had een roeiboot. Als het mooi weer was, viste hij op zee en anders binnen, maar altijd met hoekwant. Daarvoor moest hij aas hebben. Dat waren wormen, die hij 's avonds met een lantaarn zocht. Evert de Vries verteld: "Wij als buurjongens waren dan graag bij hem, want hij vertelde ons de mooiste verhalen.

Lemmer had tot 27 januari 1767 geen katholieke kerk, toen werd de kerk van Follega opgeheven en naar Lemmer verplaatst. De nieuwe kerk werd gebouwd in het Achterom aan de Rien (Vissersburen), naast een oude scheepswerf, gelegen aan het "Deade gat". Bij de renovatie van de Vissersburen enige jaren geleden, zijn van dit hellinggat resten van de beschoeiing teruggevonden. Op dit kaartje, afgegeven door het kadaster uit Sneek, is het 'Deade Gat' in het Achterom te zien. Deze opvaart liep tot halverwege de Beneden Schans.

Parochie Lemmer.

Aanvulling van Steven G. de Jong: Het in Spanvis in de afdeling “Het Achterom” vermelde “Deade gat”(kadaster kaartje RK-kerk) is aan de andere (oost)kant van de Spinhúspôlle. De locatie van de oude rk-kerk lijkt mij niet geheel juist omschreven. Op kaarten is te zien (zie kaart) dat er een toeganspad was vanuit de Beneden Schans. Aan dit smalle pad stond nog heel lang een rij woningen naast het plein voor gebouw “Us Thús” (1927). In de jaren 80 vervangen door nieuwe woningbouw. Voor de nieuwbouw van een veel grotere kerk (1901) en gebouw “Us Thus” werd de bebouwing aan de oostzijde van dit toegangspad gesloopt. Op de kaarten uit 1832 is nog mooi te zien dat de Spinhúspôlle nog bijna geheel door water omringd is.

Herinneringen aan het vroegere armhuis, in 1973.

Hierin werden de besluiten vastgelegd over beheer, verpleging en opname van de kleine man. Tevens geeft dit boek een indruk van het leven in dit huis, ook is het een spiegel van hoe het in de jaren reilde en zeilde in de toenmalige maatschappij. Het was hard werken als er iets te verdienen viel en men geen invalide was. De mannen waren doorgaans goed voor de klusjes: alles was van hun gading, doch het leven zal zwaar geweest zijn, want de armoede vierde hoogtij, niet alleen voor hen die verpleging genoten, ook voor de man die een gezin had te verzorgen.

Het waren zeer moeilijke tijden, vooral de eerste jaren na de Franse overheersing. Zoals de oudere onder ons zich nog wel kunnen herinneren, stond het armhuis in het Achterom, bij de Spinhuispolle, slechts enkele jaren geleden is het afgebroken. Ik weet niet wanneer dit pand als armhuis werd op geheven, het heeft nog jaren dienst gedaan als vergaderruimte en tevens voor een paar gezinnen als woonstee.

Na een vergelijking van de toestanden toen en nu (1973) gaat Kleinsma verder, het armhuis in het Achterom werd in 1817 gebouwd. Het werd op 14 november van dat jaar in gebruik genomen. Er werden obligaties uitgegeven tot een bedrag van ƒ 9700,- de totale kosten van het oude gebouw waren ƒ 1200,- zodat met de bouw en overname een bedrag van ƒ 10.900,- was gemoeid. Tot regenten werden benoemd Nanne Jurjens de Rook, Jan Mozes en Johannes Hanzes. Tot regentessen Tetje Sjoerds Stapert, huisvrouw van R. Sleeswijk, Dirkje Hendriks, weduwe van Tjeerd Ages en Trijntje Westra, huisvrouw van Jouwert Sijbrens Stapert. Deze werden op 5 mei 1817 benoemd.

Voorts maakte deel van het bestuur uit drie diakens en drie diakenvrouwen, welk college eenmaal per week bijeen kwam. De vergaderingen brachten geen kosten met zich mee, alleen vuur en licht werden vergoed. Art. 6 van het reglement hield in, de belangen van het huis te bespreken, klachten aan te horen, de onwillige door gepaste straffen te beteugelen en vlijtige en brave kinderen door kleine beloningen aan te moedigen, terwijl ook het toezicht op het onderwijs in de armenschool werd toegepast.

Op 12 Mei 1817 werden tot Vader en Moeder benoemd Sijbren Sijbes Visser en zijn vrouw Antje J. Koster, op een jaar traktement van ƒ 175,- met vrije armenkost en 's middags en 's morgens thee. Een tijdelijk inwonende zoon werd huisvesting verleend tegen een kostgeld van 26 stuivers. Jongelieden ontvingen een opleiding tot een eerlijk bestaan en leerden zo gauw mogelijk lezen en schrijven en rekenen, aldus een verslag van een vergadering.

Meisjes mochten niet langer dan tot 18 jaar en Jongens tot 19 jaar in het huis blijven. Ook kregen deze jongeren Godsdienst onderricht met de bedoeling voor hun vertrek belijdenis te doen. Voorts was het de bedoeling om kinderen en oude lieden naar de zelfde smaak te kleden en alle kleren te merken met een D (diaconiearmen) en voor de algemene armen een A.

Vader en moeder van het armhuis, die de dagelijkse werkzaamheden regelden, moesten getrouwd zijn en zonder kleine kinderen. Alle gelamenteerden moesten Zondags tweemaal ter kerke, vader voorop bij de mannen, moeder achteraan bij de vrouwen. Op 25 November 1817 zijn de armen in het huis opgenomen en Ds Lorgnon hield daarbij een inwijdingsrede.

De maaltijden bestonden doorgaans uit aardappelen met vet of soep bij aardappelen met vet of mosterdsaus, bonen met vet of soep als afwisseling bij het middag eten. 's Avonds kwam er gekarnde melk met gort op tafel. Het aantal personen welke verzorgd werden bedroeg bij aanvang 61. Eén van de bepalingen die voor de Vader gemaakt werden, was dat hij geen toegang had tot de spijskamer. Hij ziet daarin een blijk van wantrouwen en zegt zijn functie op.

Het bestuur zegt echter geen wantrouwen te hebben, doch het overleg brengt geen oplossing. Wel in het bestuur een diep verschil van mening. Bij herbenoeming bedanken een tweetal bestuursleden en een derde stelt een herbenoeming afhankelijk van een al of niet aan te nemen besluit vader toe te laten tot de spijskamer. De vergadering neemt met een meerderheid van stemmen aan dat Vader en Moeder toe te laten tot de spijskamer, waarop het besluit van beëindiging van hun functie intrekken.

Jan Theodorus Bisschop, wonende te Amsterdam doch hier geboren, wil bij overlijden hier begraven worden, zijn nalatenschap vermaken aan het huis als dank aan de genoten weldaden aan zijn moeder en zuster besteed, terug in Amsterdam zou hij het notarieel regelen, waarbij hij het bestuur opdroeg voor de begrafenis te zorgen en alles wat daarmee in verband zou staan.

1819

1797 -Timmigie, moet zijn: Femmigje Hendriks Koning.

In 1832 was al de schuld van het armhuis afgelost en de diaconie onbezwaard eigenaar. Werksters werden bij besluit van vergadering beloond met wel 20 cent per week en zij die voor de gehuisvesten zaten te naaien ontvingen 10 cent. Ook werd er een schoenmaker voor het huis aangesteld Rommert Annes Dijkstra. Drie weeskinderen werden voor 40 gulden ieder voor dat jaar in het huis onder gebracht.

In hetzelfde jaar was aan het armhuis een Spinhuis verbonden. De tweede Vader en Moeder waren Jan Jans de Boer en Afke Alles Spiekholt. De eerste moeder overleed in 1834 na 17 jaar dienst.

In 1839 moest er bezuinigd worden de gelamenteerde mogen dan alleen 's Morgens bij het ontbijt thee ontvangen en 's Middags koffie voor hen die buitenshuis iets verdienden zal een zesde deel ten eigenbaten mogen worden aangewend. In 1850 verzoekt het plaatselijk Nuts departement, een kamer voor leesbibliotheek en spaarbank in te richten om meer bekendheid en uitbreiding te aan deze nuttige instelling te geven, hiertoe werd besloten.

Datzelfde jaar werd de as en mest hoop bij gesloten briefjes verkocht, enkele mannen uit het huis haalde geregeld het vuilnis op uit de plaats en deponeerde dit in het Achterom de opbrengst kwam te goede aan het armhuis. Bij de inrichting in 1817 werd een klomp en stoelen mattenmakerij op gericht en daar naast een touwpluizerij.

71.jpg

In veel plaatsen in Friesland stonden indertijd armhuizen en ook Lemmer was een dergelijke inrichting rijk. Het stond in het Achterom, waar Later F. Hornstra heeft gewoond en een werkplaats heeft gehad. Mensen die zich niet meer konden redden wegens ouderdom en gebrek aan inkomsten, maar ook zij die geestelijk minder bedeeld waren en daardoor in het dagelijks leven bleven steken, werden in deze huizen onder gebracht.

Aan het hoofd van zo'n armhuis stonden meestal een vader en een moeder, dat waren meestal mensen die van begeleiding niet veel af wisten, al waren er ook wel bij die aan de bewoners een even goede begeleiding gaven als de hedendaagse maatschappelijk werker. Wij woonde naast het Lemster armhuis, en als jongen kende ik verscheiden van deze mensen. Het waren wel meest simpele zielen, maar toch niet uit het dorpsbeeld weg te denken.

Daar was bijvoorbeeld Jan Slootheer, een vijftiger, die bij de reiniging werkte. Een andere inwoner van het armhuis was Hielke, afkomstig uit Gaasterland. Hij hoestte hier elke dag, maar als hij weer op de zandgrond was, was de kwaal verdwenen. Dan was er Andries, een goedige vent. Vlakbij het armhuis, in het pakhuis waar ik later vis bakte, had Bartele Ester een opslag van talhout voor de wal liggen, maar er waren geen mensen om het te lossen. Hij vroeg aan Andries of die de volgende dag kon helpen lossen. Andries wilde wel maar voegde er aan toe, ik denk dat ik morgen ziek ben.

Aan Lammert vroegen we altijd wat voor weer het zou worden, hij had altijd een vast antwoord "We kunnen wel regen krieg'n, maar het ken ook wel overdriev'n" Feije was iemand die nog al gauw kwaad werd, het gevolg was dat wij als jongens hem nogal eens plaagden. Als Jan Bergsma en ik hem voorbij liepen zeiden we goed luid tegen elkaar, ik heb van middag een heel groot stuk spek gehad, als Feije dat hoorde, riep hij "Spek koolraap" zul je bedoelen, hij had nog gelijk ook.

De vader en moeder waren niet gemakkelijk en als kinderen liepen we hen ook voorbij zonder op te zien. Van de vrouwen uit het armhuis kenden we niet veel, ze kwamen niet zoveel op straat, en hadden hun onderkomen meestal achter in het gebouw. In het armhuis was ook een bibliotheek gevestigd, waar je door een schuifraam boeken kon huren.

Bij dit raampje begon later het oproer van het Achterom. Verder was er nog een klas voor jongelingsvereniging en achter was een kamer, waar Later de zusters Kolk woonden, mensen die altijd bij een ander aan het werk waren. Bij het armhuis hoorde een grote bleek, die er keurig verzorgd bij lag.

In de loop van de jaren en voor al na de tweede wereldoorlog veranderde er veel, de mensen kregen hun eerst uitkering van de noodwet Drees, terwijl er nu via de AOW een goed verzorgde oude dag is. Het armhuis werd opgeheven en de woningen opgesplitst. Echt arme mensen zijn er niet meer en met de sanering van het Achterom is ook het armhuis afgebroken. De plaats waar het heeft gestaan, ziet er keurig verzorgd uit.

A.E. Klijnsma.

Bovenstaande afdrukken zijn van Annette uit Canada, zij vraagt of iemand haar iets meer kan vertellen over Jan Alberts Eekker en of de familie Zeilstra.

Annette vertelt/vraagt verder: Foeke Martens Gorter is de schoonvader van Ytsen Zeilstra who married his daughter Hijke Foeke Gorter.  Any info about them because I can’t seem to place all these small towns where I don’t recognize how far apart they are?

Foeke Martens Gorter, geboren op zaterdag 30 april 1803 in Lemmer. Hij is gedoopt op zondag 22 mei 1803 in Lemmer, Follega, Eesterga. Foeke is overleden op dinsdag 20 mei 1879 in Wymbritseradeel, 76 jaar oud. Hij trouwde, 23 jaar oud, op zondag 7 mei 1826 in Sloten met de 21-jarige Aaltje Hiddes Korenstra.

Reactie graag op deze pagina of naar: James Elliott

De bovenstaande afbeelding (geschilderd op dezelfde hoogte als bovenstaande foto) is een foto, uit de serie van de schilderijen, van Lammert Sloothaak.

Voor vragen over de schilderijen kunt U contact opnemen met Bertha de Heij-Vlig

De sloop van 'Het Achterom' al ingezet.

De verdere sloop van 'Het Achterom' in januari 2002.

Met het eindresultaat. Wat inmiddels ook alweer afgebroken is.

zzzzzzz.jpg