Achterom (3)

Kerstmis 1928.

Wij woonden in het Achterom in een klein huisje, op de hoek van wat wij noemden de Wijde steeg en de Weverswal. Voor de deur was een houten bankje van twee treden in plaats van een stoep. Als je naar binnen ging, kwam je in een smalle gang met in de zijkant een deur naar het woonkamertje waarin twee bedsteden waren.

Achter in de gang was nog een klein hokje waarin je eten kon koken. Daarin stond ook een grote ton voor het regenwater want waterleiding was er niet. Er was ook geen w.c. en evenmin elektrisch licht. Als je naar de w.c. ging, moest je eerst een stukje langs de Rien, dan kwam je in een smal steegje, daarin stonden 3 houten hûskes" met een ton erin.

Het is maar goed dat deze toestanden nu niet meer bestaan al was de saamhorigheid onder de mensen toen veel groter. Maar laten we terugkeren naar het kerstfeest. Die morgen had ik voor moeder een pond meel en een fles raapolie gehaald in de winkel ( helemaal rechts 1e stoepje naast het volkslogement) van Margje van Christiaan de Vries, die recht voor de ingang van de wijde steeg stond.

Ik kan deze winkel nog zo voor mij krijgen met de koperen bel aan de deur en op de toonbank de grote koffiemolen waarin Margje de onsjes koffie maalde en in een puntzak deed. Ook de suiker en de andere boodschappen werden meestal per ons en per half ons verkocht, want geld was er meestal niet.

In de winter werd vaak op de pof gehaald. Borgen noemden wij dat; als er dan in de zomer weer wat verdiend werd, moest dat weer worden afbetaald, zodat je nooit een stap verder kwam. Vader had in de namiddag oliebollen gebakken en moeder bracht een bord vol naar buurvrouw Akke en buurman Sake die met hun zoon Jelle (Witte Jelle) tegenover ons woonden, Jelle was net zo oud als moeder. Ze hadden ook een hond, wit en zwart gevlekt en met krullig haar, die Schipper genoemd werd.

Zo zaten wij met die kerstavond gezellig bij elkaar. De hekjeskachel roodgloeiend en een pan met chocolademelk erop . Af en toe kregen we een kommetje melk en een oliebol. Op de tafel stonden 3 schoteltjes met elk een brandend kaarsje erin, dat was onze kerstboom. Tegen acht uur zette moeder de bedstee deurtjes open, dan kon de warmte van de kachel daar mooi intrekken. Als wij daar dan zo bij elkaar zaten zongen vader en moeder vaak een mooi oud Kerstlied wat ik later nergens meer gehoord heb.

Dit lied was als volgt: Bibberend loopt er langs de straten

Kerstlied.

Snerpend loeit de storm daar buiten
Langs de wit besneeuwde aard’
Achter wit bevroren ruiten
Zit een elk bij ‘t knappend vuur der haard
En de kind’ren zingen blij hun liedjes
Om de kerstboom, vol van schitterlicht
En de schoonste kerstmelodietjes
Worden vroom ten hemel steeds gericht
‘Stille nacht, heilige nacht’
Heden is ‘t kerstkind geboren
Herdertjes zacht houden de wacht
Kindje van Bethlemem, sluimer, slaap zacht

Bibberend loopt er langs de straten
Een arme bedelknaap nog rond
Al de wegen zijn verlaten
Niemand waagt zich buiten, zelfs geen hond
Koude sneeuw dringt door z’n lekke klompen
En zijn lege maag die vraagt om brood
En de gure wind snijdt door z’n lompen
Grote tranen flonkeren in z’n oog
‘Stille nacht, heilige nacht’
Richt hij zich smekend ten hemel
En vraagt aan u: “God, laat me nu
Kerstfeest met de engeltjes vieren bij U”

Hong’rend, uitgeput van’t lijden
Valt hij op een stoep terneer
En hij hoort de kinders blijde
Binnen ‘n kerstlied zingen tot de Heer
Zijn bevroren handjes vroom gevouwen
Slaapt hij in en God verhoort hem daar
Als we ’s morgensvroeg het lijkje aanschouwen
Viert hij ‘t Kerstfeest bij de eng’lenschaar
‘Stille nacht, heilige nacht
Gloria in excelsis deo’
Schooiertje klein, zal vol festijn
Eeuwig hier boven bij ‘t Kerstkindje zijn

 

Vader kwam nooit in de kerk maar dat dit zong hij vol overgave mee. Veel ouderen zullen zich dit lied nog wel herinneren. Het zou jammer zijn als het verloren ging, vooral ook om zijn mooie melodie. In deze tijd past het niet meer, maar het sprak mij toen erg aan, vooral omdat ik zelf enkele dagen met lekke klompen gelopen had. Gelukkig had moeder nieuwe voor me gehaald bij Bernard Hulscher in de Schans voor 40 cent. Met de boodschap erbij er niet mee te voetballen, want je krijgt geen nieuwe meer.

Zo hadden we toch een mooie kerstavond en tevreden en met diep medelijden met het schooiertje gingen we naar bed

Andries Visser.

Evert de Vries vertelde: De hierbij afgedrukte foto kreeg ik van Griet, de vrouw van Jaap Aukema. Een stukje van de nog open Rien op een heel opvallend punt. Het punt waar Spinhuispolle en Achterom samen kwamen. Daar was aan de waterkant een verlaagd stukje, een 'stap' genaamd. Daar kon je gemakkelijk bij het water komen omdat te gebruiken voor alles in de huishouding waar schoon water niet zo belangrijk voor was.

Men was aangewezen op het regenwater uit de bak en de voorraad daarvan was vaak niet genoeg voor de grote gezinnen. Meestal woonden die mensen dan ook nog in kleine huizen, zodat het dak niet veel water opleverde. Er was wel de mogelijkheid om water te kopen, maar dan moesten er natuurlijk wel een paar centen zijn. Het stap was verder ook wel de plaats waar men zich van versleten spullen ontdeed. Er dreef soms heel wat voorbij in de Rien, wat meteen zonk kwam bij het baggeren wel boven water.

Heel mooi kunnen we hier zien hoe de walbeschoeiing uit verschillende materialen bestond. Hier zijn drie soorten zichtbaar. Misschien hadden de eigenaren wel verplichting voor het onderhoud van een stuk wal. Op de linkerkant zien we het begin van de rij huisjes, die langs het water stonden. Van het eerste staat de deur open. Daar kun je mooi zien hoe de gangen van de huizen er toen meestal uitzagen. Het bovenste gedeelte wit, het onderste stuk donker, meest bruinachtig, geverfd. Dat donkere gedeelte liep bij de deur omhoog.

Dat zal wel praktische redenen hebben gehad, zoals de kans dat men bij de deur steun zocht tegen de muur. Het volgende pand is de timmerwinkel van Bosma. Aan de dakgoot zien we de z.g. potjes, waaraan leidingen voor elektriciteit of telefoon waren bevestigd. In de woningen naast de timmerwinkel, woonde de familie Bosma en daar was ook het kantoor te vinden. Het verhaal rond het maken van deze foto is even interessant als dit weerzien van een oud stukje Lemmer. Jan van Steen, een nu 88-jarige achterneef van Griet Aukema, was al jong wees geworden. Hij kwam in een soort internaat of weeshuis terecht. Daar golden strenge regels en flinke straffen.

Vakanties konden alleen buiten het tehuis worden doorgebracht als er familieleden waren waar de kinderen terecht konden. Die had Jan niet en dus niet uit in de vakantie. Hij moest de volle vier weken thuis blijven, want dat was meteen de straf, omdat hij in het geheim op de fiets naar Zandvoort was geweest. Meneer De Jong, directeur van het opleidingsschip voor de binnenvaart Prins Hendrik, kwam echter met de mededeling, dat hij wel werk voor deze jongen had. Dat was dus mee op het schip en dus toch nog een zekere vorm van vakantie. Eén van de jongens op de bank in het midden van de sloep is genoemde Jan van Steen, de anderen zijn zonen van De Jong.

Foto van Jaap van der Zwaag: Hierbij een afdruk van een aquarel, welke ik ooit heb gemaakt van het huisje van mijn opa Jacob Kleis Visser (Japie van Kleis), die woonde op het Achterom 6.

Japie van Kleis

Achterom 6 te Lemmer, het huisje van Jacob Kleis Visser (Japie van Kleis) vlak voor de sloop!

Jacob Kleis Visser, voor zijn huisje.

 

 

 

 

 

 

Jacob Kleis Visser, in de deur van zijn huisje in Het Achterom 6.

Distributiebon voor Lederen schoenen.

Foto genomen in het Achterom: Gerrit Visser en rechts Kleis Visser jr.

Kleis Visser jr, vertelt: "De schoonzuster van mijn oma, was getrouwd met Jaap Visser en ze woonden op de Lange Streek. Ze hadden daar het kousen-winkeltje Mirlon Mirlana. Ze hadden één zoon en die heette ook Jaap Visser. Mijn opa heette ook Kleis Visser evenals mijn vader. Mijn overgrootvader was Jacob Visser (Japie van Kleis)"

Bewoners van en op het Achterom.

Bewoners van het Achterom.

Links; Meinze de vries en Steven Visser. Zij visten bij Jan Mulder als eerste knecht en als derde man. Op de foto zijn ze aan het haring lossen. Voordat ze verder gingen, werden zij dus even gekiekt. Dan wordt de mand verder vol geteld, met vijftig worp van vier haringen. Dat werd dan een tal genoemd, twee honderd stuks.

Op de havenkant werd de mand dan aangepakt door een visrokers knecht, en leeggegooid in een kar. Als er 'n veertig tal in de kar was gelegd, moest die naar de rokerij worden gebracht. Honderden karren vol zijn ze zo van de haven gehaald. Meinze een neef van Evert de Vries, bracht als loods ook wel schepen naar Amsterdam. Op zo'n reis is hij op de Oranjesluizen aan een hartaanval overleden.

Bewoners van het Achterom.

Op deze foto op de bovenste rij, Sake Leeuwkes Bootsma, Kleis Visser, Douwe Tijsseling, Jan Jans de Blauw, Jacob Tijsseling, onbekend, Jan Visser zoon van Andries, Gerben Bootsma, Siemen Zeldenthuis en Jelle Toering.

Onderste rij, Pieter Gaukes Bootsma, Marten Visser zoon van Rense, Leeuwke Leeuwkes Bootsma, Jaap Visser zoon van Andries en Gauke Bootsma.