Zeedijk |2|

Zeedijk 5, Lemmer

Door Anneke Koehof: 13 januari 2019: Met dank aan Marten Meester

De ouders van mijn moeder voor het huis in de tuin: Rense Andries Visser en Anna Visser-Zeldenthuis

‘Niet klagen maar dragen en bidden om kracht’ – dat was de ingelijste tekst boven het bed van tante Clara. Iedere zomervakantie bracht ik een paar weken bij haar door in het vissershuisje aan de Zeedijk.

Vroeger woonde daar het gezin van Rense Andries Visser (ook wel genoemd Rinze van Beike) en Antje Seldenthuis, met hun kinderen Andries, Wiebren, Boukje, Hielkje en de jongste dochter Clara. Vader en zonen waren vissers. Later deelde mijn tante het huis met broer Wieb, beiden toen ongetrouwd.

Het gezin van Rense Andries Visser. Staand van links naar rechts: zonen Wiebren en Andries; op de bank: vader Rense Andries, moeder Anna Visser-Seldenthuis; op de grond: Hielkje (Hilly), Clara en Boukje

De oudste van de drie dochters, Boukje, werd in 1946 mijn tweede moeder, nadat mijn eigen moeder in 1943 ten gevolge van mijn geboorte was overleden. De ouders van mijn tweede moeder heb ik, behalve uit haar verhalen, nooit gekend. Ik weet dat haar moeder Antje door reuma lang bedlegerig was; de spreuk aan de muur had daar nog betrekking op.

Mij is verteld dat zij met bed en al aan boord van het skûtsje van de familie Ritsma, de schoonouders van zoon Andries, is gebracht toen er gescholen moest worden voor de invasie van de Duitsers. Ze hebben enkele dagen met het schip in het riet verborgen gelegen.

Mijn moeder zei tegen mij: “Als ze vragen van wie je er een bent, dan zeg je maar dat je een dochter bent van Boukje, van Anne, van Rinze van Beike.”

De drie zusters boven op de Zeedijk bij sneeuw, Hilly, Boukje en Clara

Het kleine slaapvertrek op de zolderverdieping had een dakkapel met raam aan de voorkant van het huis. Staande op de bedrand keek ik over de oude Zeedijk en zag ik wuivende korenvelden zover het oog reikte. Nu liggen daar hele woonwijken, maar mijn kinderlijke waarnemingen van toen staan in mijn geheugen gegrift, net als het aankomende en weer wegstervend geluid van een enkele auto of brommer. Een voorbijrijdende fietser, een kort gesprek in zangerig Fries – nee, van verkeersdrukte was aan de Zeedijk geen sprake.

Mijn logeerbed bevond zich, net als de andere bedden, op de door een luik afgesloten zolderverdieping, waar ’s nachts het eenzame en droefgeestige geluid van de misthoorn klonk.

Een dakraampje en een robuuste witgekalkte stenen schoorsteen in het midden, meer was het niet, maar voor een stadskind al bijzonder genoeg. Wij woonden zelf in Amsterdam in een benedenhuis, daar was geen zolder.

Toen een neefje uit Lemmer bij ons logeerde en de bovenburen hoorde lopen, sprak hij de onvergetelijke woorden: ‘Wenjen der hjir minsken op souder?’ waar wij toen smakelijk om lachten.

Het huis aan de Zeedijk 5 maakte deel uit van een rijtje van drie identieke woningen met daarvoor grasveldjes – de bleek. Links de voordeur, waarachter een smalle gang, en rechts de twee hoge ramen van de ‘mooie’ kamer. Daar werd weinig gebruik van gemaakt want tante Clara huisde aan de achterkant in de eetkamer of ze zat in de daaraan grenzende zijkamer achter de naaimachine. Ze was een goede coupeuse en meestal werd er voor mij op de markt een lapje gehaald waarvan ze een rokje of bloesje naaide, waarin ik trots door de Lemmer paradeerde.

De voordeur werd zelden gebruikt. We gingen via een lange, smalle steeg achterom en kwamen dan binnen in de bijkeuken waar werd gekookt. Dat was het enige vertrek met een kraan, die alleen koud water gaf. En in dezelfde bijkeuken was ook het ‘húske’, met in de steeg een laag deurtje voor de tonnenman. Als er veel logees waren moesten de mannen buiten tegen de dijk plassen, anders liep de ton over...

Komende uit Lemmer liep ik via de Schans of de Vissersburen naar de Zeedijk, dan langs de houtmolen en een elektriciteitshuisje, dat later beschutting bood aan mijn eerste kus. En daarna de drie huisjes, waarvan mijn tante het eerste, nummer 5, bewoonde. Toch herinner ik mij dat daar nóg een huis heeft gestaan, waar Bernard en Geertje Visser met hun kinderen Metsje, Pieter en Jelle woonden. Later is het huis gesloopt, volgens mij had het iets te maken met de brand of de uitbreiding van de houtmolen.

Met hun zoon Jelle, een leeftijdsgenoot, speelde ik veel. We pikten peren en pruimen uit de tuin van de oude buurvrouw, tante Koosje, die dat natuurlijk van achter de vitrage had gezien. De straf volgde vanzelf, want de onrijpe vruchten zorgden voor ondraaglijke krampen.

We klommen over het schapengaas tegen de oude Zeedijk op en rolden het weiland in. Gedroogde koeienvlaaien of schapendrollen deerden ons niet.

We lagen in het gras en keken naar de blauwe lucht waarin witwollen elfjes, kabouters, reuzen en andere sprookjesfiguren voorbij gleden. We speelden bij een wateroverloop waar vette palingen uit een betonnen buis kronkelden. Haast of verveling bestond niet, de tijd gleed voorbij totdat we honger kregen.

Tante Clara kon heerlijk koken, gestoofde aal, pareltsjebrij en warme trommelkoek met stroop waren mijn lievelingsgerechten, en natuurlijk het echte Friese suikerbrood. O, wat heb ik mij geschaamd toen ik bij een andere tante logeerde en alle sneetjes suikerbrood nam. Dat was nog eens lekker brood! Wist ik toen veel dat er maar op één sneetje per persoon werd gerekend...

We speelden op de naastgelegen scheepswerf, Het Hellinggat. Op die plek hebben we een jong musje uit het water gevist dat daar hulpeloos in een plas olie lag. Wij hebben het in een met watten gevulde sigarendoos gelegd, gekoesterd en vergeefs trachten te voeren met kruimeltjes, totdat het de al gebroken oogjes sloot, waarna wij het met kinderlijke eerbied begroeven.

Maar het aller heerlijkst was het om bij zonnig weer de weg tegen de dijk op te fietsen en met een vaart de Schans in te roetsjen om voor tante Clara een boodschap te doen bij de Coöp, waar het zo zalig naar kruidnagel en anijs rook. En dan weer terug naar de Zeedijk! Het wemelde er zomers van de vlinders boven de geurende bermbegroeiing, mijn tante had de net gewassen lakens op de bleek gelegd. ‘Goeie,’ zei ze. Op de dijk stond een schaap te blaten en wat voelde ik me dan van binnen warm en blij, zonder te beseffen dat dit nu geluk was.

De LE 64

Lopend over de Zeedijk naar het Stadhuis  (trouwerij van Hilly met Cees Evelaar). Dit moet begin jaren veertig zijn geweest.

Deze foto’s zijn afkomstig uit het fotoalbum van mijn moeder Boukje Visser, dus privébezit.

De Houtmolen, een indrukwekkend ensemble

Deze oude foto toont ons de Lemster houtwerf omstreeks 1860, gezien over het land richting Polderdijk langs de Rien met daarboven de masten van schepen en natuurlijk de wiekendrager houtzager, een huis met twee woningen, de molenmakerij met woning, een boerenhuis met schuur, de woning van de bedrijfsleider (waarin zich een tegeltableau van de molen moet hebben bevonden!) en ten slotte helemaal rechts de houtschuur. Kortom een indrukwekkend ensemble.

Door Gerben D. Wijnja

Interessant zijn met name de memoires die Anne (Onne) Hoekstra aan Roelie Spanjaard vertelde. Samen met de speurtocht in de archieven op internet is een rijk beeld ontstaan van de voor de Lemster bevolking zo belangrijke houtmolen. Onnes vader (1921-1989) was de laatste directeur van de vestiging Lemmer, onderdeel van Halbertsma te Grou. Hij was begonnen als twaalfjarige krullenjongen in de fabriek van Halbertsma te Grou. Hij klom op tot administratief medewerker en boekhouder tot de oorlog begon. Na de oorlog werd hij als vrijwilliger uitgezonden naar Indonesië. In 1949 kwam hij weer terug, werd benoemd tot boekhouder in de vestiging Lemmer van Halbertsma onder leiding van de toenmalige directeur Piet van den Bosch. Eind jaren vijftig werd de directeur wegens een meningsverschil met de directie in Grou ontslagen en werd Onnes vader benoemd tot directeur.

Geschiedenis

Cornelis Sleeswijk, ontvanger fan de gritenij en fan it wetterskip De Zeven Grietenijen en de Stad Sloten, kocht in 1849 de ‘houtmoune oan de Rien’. De aankoop van deze houtzaagmolen c.a. aan de Pôlle te Lemmer vond plaats bij gelegenheid van de openbare verkoop van de onroerende goederen van de familie Brandsma. Successievelijk werd het bedrijf in de volgende jaren uitgebreid door aankoop van aangrenzend onroerend goed. De feitelijke leiding lag in handen van Johannes Brandsma, die als bedrijfsleider in dienst was van Cornelis Sleeswijk en, na diens overlijden in 1857, van zijn weduwe Fettje Wegener. Nadat laatstgenoemde in 1862 overleed, is het bedrijf aanvankelijk voortgezet door Frederik Wilhelm Wegener Sleeswijk en Johannes Brandsma, gezamenlijk in een vennootschap onder firma, genaamd ‘de Weduwe C. Sleeswijk’.

Een stukje Lemster bedrijvigheid met rechts de romp van de houtzaagmolen, alwaar de houtzagerij nog lange tijd zou floreren

Na de dood van Brandsma in 1883 zette eerstgenoemde firmant het bedrijf alleen voort. Nadat in 1893 zijn zoon André Wegener Sleeswijk zijn intrede in het bedrijf had gedaan volgde in 1895 modernisering van de onderneming. In dat jaar werd de oude houtzaagmolen vervangen door een stoomhoutzagerij. In 1905 werd de firma omgezet in een naamloze vennootschap, ‘N.V. Stoomhoutzagerij en houthandel voorheen de Wed. C. Sleeswijk’ geheten. In 1916 vond een grote uitbreiding plaats met een kisten-, vaten- en palletfabriek. Na het plotselinge overlijden in 1918 van directeur André Wegener Sleeswijk ging het snel bergafwaarts met de onderneming en werd de vennootschap in 1925 geliquideerd.

De nieuwe eigenaar N.V. De Friesche Bank bracht het bedrijf onder in een commanditaire vennootschap , C.V. Stoomhoutzagerij, waarvan B. Corée Lzn. bedrijfsleider werd. In 1934 vond wederom een omzetting plaats, waarna Halbertsma’s Fabrieken voor Houtbewerking N.V. het bedrijf overnam. Als onderdeel van het concern werd het betrokken bij de overname door de Swedisch Match S.T.A.B. uit Zweden.

In 1975 werd het bedrijf gesloten. De arbeiders werden naar Grou en Scheemda overgeplaatst.

Op de foto is mooi te zien dat de riemaandrijving onder de grond verdwijnt. Het drijfwerk van de fabriek zat voor een belangrijk deel onder de grond, maar op de foto zien we ook een wiel van het drijfwerk dat hoger in de fabriek was aangebracht.

De jaren vijftig en de stoommachine

Onne Hoekstra: ‘In de vijftiger en begin zestiger jaren draaide de fabriek nog echt op stoom. Er was een enorme machinekamer in het hart van de fabriek, genaamd het tsjettelhûs. Als klein kind was ik behoorlijk onder de indruk van dat enorme monster met zijn grote draaiende wielen. Alle machines werden aangedreven door assen, die verbonden waren met het grote wiel aan de stoommachine. De assen lagen allemaal onder de grond.

Onlosmakelijk verbonden met een stoommachine is een schoorsteen. Hij was ruim 30 meter hoog en was gezichtsbepalend voor de Lemmer. In de jaren zestig is hij helaas afgebroken. Het was gevaarlijk om hem te laten staan en restauratie was in die tijd niet in de mode. Hij is met de hand van bovenaf afgebroken door twee specialisten. Het puin ligt nu waarschijnlijk nog onder de grond op het achterste deel van het fabrieksterrein genaamd ‘de Kolk’, een destijds gedempt stuk water. De stoomfluit van de fabriek had meer betekenis dan alleen het sein voor de arbeiders om aan het werk te gaan of naar huis te gaan. Hij fungeerde als tijdsbaken voor het hele dorp. Kinderen moesten naar huis komen als de fluit ging. Hij was tegelijkertijd ook het horloge voor het hele dorp. De bediening van de fluit was simpel: in het tsjettelhûs hing een stuk touw, eraan trekken... en de fluit ging oorverdovend luid af. Ik heb dat als kind regelmatig mogen doen, alleen onder toezicht en niet te vroeg. Later, toen het stoomtijdperk ter ziele was gegaan, kwam er een sirene. Ook deze had nog wel enigszins dezelfde functie, maar het was geen stoomfluit.

Ook de stoommachine van Maschinenfabrik Buckau R. Wolf AG uit Maagdenburg (bouwjaar 1930 met fabrieksnummer 24786) werd eruit gesloopt, inclusief de twee ketels. Ik dacht dat ze naar de schroothoop waren gegaan, maar ik heb recent ontdekt dat ze in het stoommuseum staan in Hoorn.’

Transport

‘Alle benodigde hoeveelheid hout werd aangevoerd vanuit Finland en Zweden met zogenaamde coasters. Dit waren middelgrote zeeschepen die nog net in de Riensluis pasten. Later, toen deze schepen steeds groter werden, werden ze gelost op het nieuwe terrein van de fabriek, tegenover de fabriek. Regelmatig kwam het destijds voor dat bij hout uit Finland kogels in het hout werden gevonden, overblijfselen uit de Tweede Wereldoorlog. Ik heb er nog een paar liggen. Dit veroorzaakte altijd een hoop trammelant, de zagen gingen erop kapot. U moet zich voorstellen dat de grote balken machinaal door meterslange lintzagen werden gezaagd en dan plotseling van de geleiders sprongen als er metaal of kogels in het hout zaten. De zagen spatten dan van de machine af met alle gevaren van dien.

Het hout uit de schepen werd overigens voornamelijk met de hand op stapels gezet en buitenboord gehesen. Vervolgens op een karretje en naderhand op stapels gezet, waarbij belangrijk was dat tussen elke balk een dunne stok zat. Dit om een droogproces goed te laten verlopen. Zo stonden deze houtstapels vaak een jaar te drogen of soms nog langer, voordat het verder verwerkt werd. Voor ons kinderen ideale klimrekken. Regelmatig kwam je vol splinters thuis, waar je vervolgens op de kop kreeg, want je mocht er niet op klimmen,’ aldus Anne (Onne) Hoekstra.

Woudsend

Roelie heeft ook andere betrokkenen aan het woord gelaten. Ze schrijft: ‘Wie met Theunis Zoethout praat over de houtmolen, waar hij 1 juli 1970 vijftig jaar in dienst was, komt al gauw tot de ontdekking dat die verbintenis met de houtmolen van veel vroegere datum is.’ Theunis’ vader werkte op een van de beide zaagmolens van Woudsend. Zijn pake Jurjen had daar maar liefst een zestigjarig jubileum gevierd! In 1892 ging vader als zeventienjarige jongen van de windmolenzagerij in Woudsend naar de houtmolen in Lemmer. De jongens begonnen hun werk bij de houtmolen als manusje-van-alles.

Gezicht vanuit de nog bestaande zaagmolen De Jager te Woudsend over de balkenhaven met in de verte de verdwenen zaagmolen op de noordoosthoek van het dorp op de hoek van Welle en Ee

Er was toen nog een houthandel aan de fabriek verbonden en zo werd ook hout geleverd aan de timmerbazen voor de huizenbouw. Bakken met brandhout moesten worden weggebracht en opgestapeld of werden bij het vuur voor de stoommachine gelegd, terwijl het afvalhout ook voor de Centrale Bakkerij als brandstof heeft gediend. De eerste fabriek stond aan het water. Daar werden de balken nog gezaagd met twee zogeheten snelramen.

De balken lagen in de kolk en werden er met lieren uitgetrokken. Na gezaagd te zijn gingen de planken weer het water in, waar het werfpersoneel zich er over ontfermde en van de planken houtstapels maakte. Al in 1920 werd begonnen met de bouw van een aparte spijkerafdeling, die tot die tijd bij de zagerij was ondergebracht. In gedeelten is de uitbreiding van de kisten- en vatenfabriek tot stand gekomen. Eerst kwam een kuiperij waar de botervaten werden gemaakt en later kwam ook een schaftlokaal.

De houtmolen maakte in die beginjaren vooral bokkingkisten, steenramen (voor de steenfabrieken die er hun producten opstapelden) kaaskisten en botervaten voor de boterfabrieken en later ook boterkisten, groentekisten, veilingbakken en dergelijke. Theunis Zoethout werkte beurtelings in de fabriek of op de werf, die in de omgang de loods werd genoemd. Als er schepen gelost moesten worden, waren de werktijden van zes uur ’s morgens tot zes uur ’s avonds en die werkuren golden ’s zomers voor de fabriek ook. Als het erg druk was werd er zaterdagsmiddags tot 4 uur gewerkt. ’s Winters was het in de loods helemaal geen pretje. Soms vroor het dat het kraakte en kleefde de draad waarmee de stapels hout moesten worden vastgemaakt de mensen soms ten gevolge van de vorst aan de handen. Er moest zaterdagsmiddags worden gewerkt, want de schepen lagen in Amsterdam en konden alle dagen komen.

De familie Zoethout woonde dichtbij de fabriek, in een huis dat stond op de plaats waar nu de Fa. Gebr. Slump haar bedrijf heeft. Theunis Zoethout jr. heeft daar vanaf zijn geboorte op 1 juli 1907 tot aan 1925 gewoond, toen zijn vader als een van de velen ontslag kreeg en het huis aan de Pôlle moest worden ontruimd. De Zoethouts kwamen toen aan de Lijnbaan te wonen. Dat ontslag van senior heeft overigens maar een week of zes, zeven geduurd. Het was in de periode dat de heer Corée bedrijfsleider was en het was niet de beste periode in het bestaan van de houtmolen.

Theunis Zoethout jr. Zilver voor zijn gouden dienstjubileum bij houtmolen.

Foto van Leeuwke Bootsma. Enkele personeelsleden van de houtmolen. ‘Geheel links staat hier Imke van Dijk. Wat had dat bedrijf een grote betekenis voor de werkgelegenheid in Lemmer. Het fluiten van de houtmolen gaf voor veel Lemsters de tijd aan voor het middageten. Toen het bericht kwam dat de productie overgeplaatst werd naar Grou sloeg dat hier in als een bom.’ Enkele weken nadat Theunis bij de houtmolen was komen werken, trouwde een van de directeuren, Willem Sleeswijk, met de dochter van de directeur van de Delftse slaoliefabriek. Ter gelegenheid daarvan kregen de volwassen werknemers een kistje sigaren en de jongeren een doosje sigaretten.

De bezettingsjaren

Het aantal personeelsleden van de fabriek zal toen vijftig à zestig mensen hebben bedragen. Al in 1941 moest een vijftal gedwongen naar Frankrijk om daar voor de Duitsers te werken. Een jaar later, omstreeks Sint-Nicolaas 1942, moesten tien mannen van de fabriek, onder wie ook Theunis Zoethout, naar Duitsland. Ze werden daar onder meer tewerkgesteld in Halle. Voor een firma werden daar leidingen gelegd en palen aangebracht voor de bruinkoolindustrie die vele surrogaten leverde, onder meer voor de levensmiddelenindustrie. Zoethout is er niet lang geweest.

Hij was in feite al half ziek toen hij naar Duitsland vertrok en het grondwerk dat hij daar moest doen maakte zijn gezondheid er niet beter op. Toch werd hij om een andere reden goedgekeurd. Hij had echter een kunstgebit en toen een bij hem werkende Kroaat dat merkte, maakte die hem duidelijk dat hij daarop kon worden afgekeurd. De rest deed een Leerdammer, die tegen betaling al meerdere tewerkgestelde Hollanders naar huis had geholpen. (Zelf is hij later in een concentratiekamp gestorven). Eind februari kwam Theunis Zoethout thuis, waar hij vier weken ziek heeft gelegen.

Een plaatselijke NSB-bons kwam namens Sociale Zorg een kijkje nemen en beloofde dat er een ziekte-uitkering zou komen. Die kwam echter niet, misschien wel omdat hij in de huiskamer een portret van de koningin had zien hangen... Zoethout kwam weer in de fabriek terecht, die tot op enkele laatste maanden van de bezetting na, zo goed en zo kwaad als dat ging, kon blijven draaien. In 1939 was een grote voorraad hout ingeslagen, waarvan een gedeelte overigens nog door de Duitsers in beslag werd genomen, ondanks het feit dat de heer Corée het wel goed met hen kon vinden.

In die eerste oorlogsjaren werden vooral veel melkpoederkisten voor de zuivelfabriek gemaakt. Toen die geen melkpoeder meer mochten maken, bleef de houtmolen met de kisten zitten. Ze zijn naderhand in Lemmer als pakkisten verkocht voor een schappelijk prijsje en vonden wel aftrek. Ook werden veel blikkisten voor de Condens-fabrieken gemaakt en ook voor de blikfabriek. Het leveringsprogramma van de houtmolen vermeldde later ook deuren, kasten, ledikanten voor de Wehrmacht, alsook kinderledikantjes en slakratten. Het autopark was inmiddels gedecimeerd geworden door de Wehrmacht en wat nog reed deed dat met behulp van houtgas.

Chauffeurs waren Pieter de Boer en Hotze Bergsma, die een tijdlang op een kleine vrachtwagen heeft gereden die een bijzondere manier van starten had: de wagen werd de dijk opgereden en er daarna weer vanaf geduwd om hem op gang te krijgen. In oktober 1944 moest Theunis Zoethout met talrijke Lemsters naar Assen en omgeving om er te werken aan zogenaamde tankgrachten. Hij kwam wel in Assen, zag het daar een dag aan en dook toen met enkele andere bekenden onder bij familie van hem. Na een dag of tien werd de terugtocht naar Lemmer ondernomen via een grote omweg in verband met landwachterscontrole onderweg.

In twee dagen werd wandelend ruim 100 km afgelegd. Theunis Zoethout is toen een maandlang ondergedoken geweest in Gaasterland, kwam terug in Lemmer en begon in januari 1945 weer bij de houtmolen, waar overigens nog maar een paar mensen werkten. Dat sukkelde zo door tot aan de bevrijding. Daarna kwam het werk weer moeizaam op gang. Eerst werden onder meer van Engelse biscuitkisten aardappelkisten gemaakt. Het duurde nogal even voor er weer hout beschikbaar was. Een tijdlang moest er halve weken worden gewerkt. Enkele jaren na de bezetting verdween Corée van het toneel. Hij werd opgevolgd door de heer V.d. Bosch, die een aantal jaren directeur was voor ook hij vertrok. De uitbreidingen en moderniseringen van de fabriek zijn in de naoorlogse jaren steeds doorgegaan.

Foto uit de collectie van Gerrit de Vries: De houtmolen. Hier verdienden dus veel Lemsters hun dagelijks brood. Velen werkten er hun leven lang. In de Oudheidkamer hangt een ingelijst getuigschrift met het volgend schrift: ‘Getuigschrift toegekend aan Pieter Wouda wegens getrouwe plichtsbetrachting gedurende vijf en zestig jaren dienst (1858 - 12 sept. 1923) als werkman bij de N.V. Stoomhoutzagerij en Houthandel v/h de wed. C. Sleeswijk te Lemmer. Pieter H. Wouda wonende in de Schans te Lemmer is geboren 3 aug. 1847 - overleden te Lemmer 23 juli 1928.’

In 1953 legde een enorme brand de houtloods, vijf woninkjes en de wagenmakerij in de as. In de jaren zeventig ging het vlug bergafwaarts met het bedrijf. In 1974 viel de beslissing de fabriek te sluiten en alles over te hevelen naar Grou. Een klap voor de Lemsters die sinds mensenheugenis de houtmolen als een belangrijke broodheer hadden ervaren.

Foto van Cor Visser

In de Oorlog

Op de zeedijk langs de Plattedijk stonden in 1943 vier luchtdoelkanonnen (kaliber 4 centimeter) opgesteld. De bediening van de kanonnen was in handen van de Duitse Luftwaffe, militairen met een blauw gekleurd uniform aan. Onder aan de landkant van de Plattedijk hebben de Luftwaffe-soldaten per kanon een soort hut gemaakt. Ze hadden deze hutten ingegraven in de dijk en gebruikten ze als onderkomen voor de soldaten die niet bij een kanon op wacht stonden. Vele Duitse barakken waren gebouwd langs de Sluisweg in het Hop, nabij het oude voetbalveld, met de daarbij behorende bunkers, zoeklichten en afweergeschut. Na de oorlog trokken vele soldaten langs de oude Zeedijk, terwijl een ander deel probeerde met een of andere boot of oorlogsvaartuig Amsterdam te bereiken, doch veel gelegenheid daartoe was er niet.

Een klein gemaaltje om het Zuiderzeewater dat bij storm in het Hop kwam weer droog te malen. Hier stond in 1940 het afweergeschut op.

Cor Visser, vertelt: ‘1962. Het zal wel op zondag- of zaterdagmorgen zijn geweest dat wij steevast richting ‘t Hop gingen om eieren te zoeken. Daar sjouwden wij dan ettelijke stukken land af en vonden meestal niets. Op de terugweg gingen we dan bij de familie Alberda langs, die altijd wel kievitseieren in huis hadden. Zij konden ongetwijfeld beter zoeken. Daar kocht mijn vader dan een pet vol eieren en zo konden wij tevreden naar huis gaan. De Alberda’s woonden in een huisje aan de Zeedijk, waar tegenwoordig de loodsen van de gebroeders Hummel staan. De snelweg naar Joure lag er ook nog niet. Je kon dus rechtuit rijden en terechtkomen op de splitsing Grietenijdijk en Pasveer.’

Natuurlijk mogen we het huisje waar Fedde Schurer van 1904 tot 1924 gewoond heeft niet vergeten. Hij kwam daar wonen als zesjarig jongetje en bleef er tot zijn 26ste. Vanaf zijn jeugd ijverde hij voor de Friese taal

Hij werd eerst timmerman, maar door daarnaast aan de studie te gaan werd hij onderwijzer. In Lemmer kwam hij bij het christelijk onderwijs, maar door zijn pacifistische opvattingen kwam hij in conflict met het schoolbestuur. 

In 1930 werd hij ontslagen. Daarna was hij tot 1946 in Amsterdam bij het openbaar onderwijs werkzaam. In dat jaar werd hij hoofdredacteur van de Friese Koerier. Zijn hoofdartikelen trokken tot ver buiten Friesland de aandacht.  Voor de oorlog was hij voor de toenmalige CDU enkele jaren lid van de Provinciale Staten van Noord-Holland. Op oudere leeftijd, namelijk in 1956, werd hij voor de PvdA lid van de Tweede Kamer en daarin had hij zitting tot 1963. 

In de oorlogsjaren gaf hij het illegale Friese tijdschrift De Rattelwacht uit. Tevens schreef hij het toneelstuk Simson, een monumentaal drama over het verzet in ons land. In 1946 werd hem hiervoor de regeringsprijs voor verzetsliteratuur toegekend. Drie jaar later kreeg hij de Gysbert Japicxspriis voor Friese literatuur. Een van de belangrijkste dingen die Schurer voor Friesland heeft gedaan is de berijming van de Bijbelse psalmen in het Fries.

Landelijke bekendheid kreeg Schurer vooral in november 1951 toen hij wegens een artikel over een kantonrechter die geen Fries  wilde verstaan voor de Leeuwarder rechtbank moest verschijnen. De grote belangstelling van medestanders bij deze rechtszaak leidde tot een hardhandig optreden van de Leeuwarder politie — de zogenaamde Kneppelfreed — en een daaropvolgend massaal protest in Friesland. Er kwamen nadien drie ministers naar Leeuwarden en spoedig volgde de wet die de positie van het Fries in het rechtsverkeer regelde. In 1968 overleed hij in Heerenveen aan de gevolgen van een hartaanval op 69-jarige leeftijd. Minister Klompé van CRM wees op zijn grote verdiensten voor de Friese cultuur en zei toen in de Eerste Kamer: “Zijn heengaan is een verlies voor ons allen.”

Fedde Schurer

Buurtfeest op de Zeedijk

Buurtfeest op de Zeedijk

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.