Informatie » Lemmer » Afbeeldingen: Straten - Strand, e.a. Lemmer » Sluis |1| » De Lemstersluis, een merkwaardig waterschap |1|

De Lemstersluis, een merkwaardig waterschap |1|

De Lemstersluis.

Een merkwaardig waterschap Door A. Schrijver - Leeuwarden, 1950

Op 27 juni 1888 is de Nieuwe Lemstersluis in gebruik genomen.

WERKEN

In het eerste waterschap reglement van 1858 was slechts sprake van „de Lemstersluis, de daarover liggende en de daartoe behoorende zijlroede".

Hangende de strijd tussen de floreenplichtigen en het door Ged. Staten aangestelde waterschapsbestuur over de wettigheid van het waterschap en van de inbezitneming van de sluis met bijbehoren moest de brug nodig hersteld worden. Het waterschap zag af van herstel van de bestaande brug en bouwde een geheel nieuwe ijzeren basculebrug meer zeewaarts.

De nieuwe brug werd voor een deel gelegd op grond, die met de toegangen tot de brug liepen over een terrein, dat rijks eigendom was, maar bij Koninklijk besluit van 17 December 1819 aan de provincie Friesland in beheer was gegeven. Bij Statenbesluit van 17 November 1864, no, 10, werd besloten, aan de Regering kenbaar te maken, dat de provincie er geen bezwaar in zag, dat deze strook grond in gebruik en bezit werd afgestaan aan het lichaam, dat „feitelijk heeft of later hebben mag" het bezit der ijzeren basculebrug en verklaarde de provincie zich tevens bereid, de bedoelde strook gronds ter weerszijden der brug voortdurend te onderhouden in de staat, geschikt om tot die brug toegang te verlenen.

Blijkens blz. 111 van de notulen van de Winterzitting der Staten van 1865 heeft de Regering machtiging verleend om de grond, -waarop de basculebrug was gelegen, aan de onderhoudsplichtigen af te staan.

Het arrest van het Provinciaal Geregtshof in Friesland van 13 April 1870 noemde als werken, die in beheer en bestuur moesten worden overgedragen aan het waterschap: De Lemstersluis met de daarvoor liggende en de ten kadaster bekend Gemeente Lemmer, sectie A, nummer 558 — sluis en brug, met een inhoudsgrootte 't van 3 vierkante roeden (nu aren), 90 vierkante ellen, nummer 567, water, met een inhoudsgrootte van 72 vierkante roeden, 20 vierkante ellen, nummer 972, water, met een inhoudsgrootte van 1 bunder, 36 vierkante roeden, 10 vierkante ellen en nummer 839, water, met een inhoudsgrootte van 43 vierkante roeden, 10 vierkante ellen.

  • In 1872/1873 werd een tweede stel binnen vloeddeuren aangeschaft en ten behoeve daarvan een bergloods gebouwd, welke laatste in 1890 weer werd opgeruimd, daar zij door de bouw van de nieuwe sluiswerken kort te voren overbodig was geworden.
  • In 1877 werden de buitenvloeddeuren vernieuwd.
  • In 1884 werd een mistklok met uurwerk aangebracht.

In 1884/1885 vond tussen Gedeputeerde Staten en het waterschapsbestuur een correspondentie plaats over de verbetering van een grindweg te Follega, lopende van de Rijksstraatweg tot de grens der gemeente Doniawerstal, lang 370 meter. Hierin kwam de vraag aan de orde  op welke grond het waterschap zich als onderhoudsplichtige van dit eind weg beschouwde. Uit de mededelingen van het waterschap blijkt, dat sedert onheuglijke tijden de vroeger bestaan hebbende aarden weg van Lemmer over Eesterga en Follega tot de grens van Doniawerstal onderhouden werd met keizel, wrak, takken en heide, die door de floreenplichtigen dier dorpen, eigenaren van de Lemsterzijl uit de middelen der zijl werden bekostigd

Omstreeks 1840 is het gedeelte weg van Lemmer tot benoorden Follega brug overgegaan naar het Rijk voor de aanleg van een straatweg van Lemmer naar Sneek, waarvoor de eigenaren Lemsterzijl nog een bijdrage hebben gegeven. Het overblijvende stuk weg is sindsdien uit de fondsen van de Lemsterzijl onderhouden.

In de periode van omstreeks 1879 tot 1888 vond een totale ommekeer, in de toestand der werken plaats. Reeds in het kader van de grote plannen, die bij de Provinciale Staten in de jaren 1869 tot 1881 aanhangig waren geweest en die hebben geleid tot de Statenbesluiten van 2 Mei 1877, no. 2, 26 November -1879, no. en 12 April 1881, no. 6, tot verbetering van de binnenlandse waterstaat in Friesland e.m. ook verbeteringen geprojecteerd van de zeewering nabij Lemmer (bij het waterschap de Zeven Grietenijen en stad Sloten in onderhoud) en van de sluis (het aanbrengen van ebdeuren). Maar de klachten over de toestanden in en bij Lemmer, zowel wat betreft de bescherming tegen het zeewater als wat betreft de scheepvaart, werden gaandeweg dringender. Een klacht van W. de Haan en anderen, van April 1879, ingediend bij de Minister, met betrekking tot de toestand van de haven, die nu bij het Rijk in onderhoud was, althans wat de havenhoofden leidde er toe, dat van de zijde van de Rijkswaterstaat een plan werd opgemaakt tot verlenging van de havenhoofden, 'vergroting van de havenkom en baggering van de haven'

Een klacht van December 1881 van de gemeenteraad over de toestand van de zeewering de stormvloed van 14 en 15 October 1881 sloeg het water over de dijk en was heel wat schade aangebracht leidde tot verhaasting van de plannen tot verbetering van de zeewering. Het bleek wenselijk de drie werken: Verbetering van de zeedijk, verbetering van de haven en verbetering van de Sluis, te combineren.

Na heel wat heen en weer geschrijf kwam er tenslotte een plan voor de dag, waarover de verschillende partijen het eens werden: Dit plan hield in, dat een geheel nieuwe sluis met sluiswachterswoning zou worden gebouwd, meer zeewaarts ongeveer ter hoogte van de toen bestaande havenmonding; die voorzien zou worden van stormvloeddeuren eb van vloed en ebdeuren. Deze sluis zou uitsluitend scheepvaartsluis zijn en niet meer voor de afstroming behoeven te worden gebruikt. Ten behoeve van de afstroming werd in de bestaande zeedijk een afzonderlijke stroomsluis met woning (In 1956/57 afgebroken) gebouwd op de plaats, waar de Rijn de zeedijk het dichtst naderde. Van deze stroomsluis tot een punt, ongeveer 926 ten westen van de westelijke havendam, werd een stuk zeewering gebouwd. De nieuwe sluis kwam in deze nieuwe zeewering te liggen. Zeewaarts van deze nieuwe sluis zou het Rijk een nieuwe haven maken.

De Oude Lemstersluis zou als schutsluis vervallen, alleen de buitenvloeddeuren zouden blijven gehandhaafd, om als noodwaterkering te kunnen dienst doen en eventueel de oude haven als schutkolk te kunnen bezigen.

De Rijn zou een uitmonding verkrijgen in de bestaande haven. Daartoe werd een verbindingskanaal ontworpen door de Markt (langs Gemeentehuis). Het bestaande gedeelte van de Rijn, tussen dit nieuw te graven verbindingskanaaltje en de Zijlroede, zou worden gedempt.

Ter vervanging van de over dit te dempen gedeelte van de Rijn liggende, bij de gemeente in onderhoud zijnde, oude Truitjezijlsbrug zou over de nieuw te maken afsnijding een nieuwe basculebrug worden gebouwd, voor zien van keerdeuren.

Buiten de door het Rijk bekostigde havenwerken bedroegen de kosten van bovenbedoelde verbeteringen naar raming in totaal ruim f 549000,-- Het waterschap de Lemstersluis zegde een subsidie toe van f 200.000,--waarvoor het dus een geheel nieuwe en aan de nieuwe scheepvaarteisen aangepaste sluis ontving, die het voortaan ook zou onderhouden

Het waterschap de Zeven Grietenijen en stad Sloten zou 50% betalen van de op f 206.500,-- geraamde kosten van de verbetering der zeewering De gemeente Lemsterland zou f 43.000,-- bijdragen, De rest van de kosten was voor de provincie.

Het onderhoud van de nieuwe werken werd als volgt geregeld: Het waterschap de Lemstersluis krijgt naast de bestaande werken in onderhoud en bediening de nieuwe schut, en de nieuwe uitwateringsluis. Het waterschap de Zeven Grietenijen en stad Sloten krijgt de nieuwe dijkwerken in onderhoud.

De gemeente Lemsterland krijgt;

1e. Het onderhoud van het nieuwe verbindingskanaal tussen de bestaande haven en de Lemsterrijn, alsmede dat van de nieuwe Truitjezijlsbrug met keerdeuren en kaaimuren en van al de daartoe behorende werken en van de los en laadplaats voor schepen met hetgeen daartoe behoort langs de noordzijde der geul tussen de uitwateringsluis en de buitenhaven;

2e. Het op diepte houden van een vaargeul tussen de nieuwe schutsluis en de bestaande Lemsterzijl tot 2 meter onder Friesch zomerpeil en tot minstens de breedte die nodig is opdat twee der grootste schepen, die van het vaarwater Stroobos-Lemmer gebruik maken, elkander in de vaargeul onbelemmerd kunnen voorbij varen.

3e. Het onderhoud der vaargeul buiten de nieuwe schutsluis tussen de havendammen en van de geul buiten de uitwateringssluis, strekkende tot ligplaats voor zeeschepen en vluchthaven, beide tot de afmetingen in breedte en diepte, waarop zij worden aangelegd.

  • In 1889 besloten volmachten „in het belang der schipperij en tot bevordering der zindelijkheid, orde en zedelijkheid" in de omgeving der nieuwe schutsluis over te gaan tot het plaatsen van een zitbank en een privaat met urinoir bij de sluis
  • In 1891 werden de remmingwerken verlengd en een sluisknechtswoning gesticht. Overeenkomstig de wens van het waterschap verklaarden de Provinciale Staten bij, hun besluit van 15 Juli 1891, no. 12, dat de garantie, verleend bij Statenbesluit van 9 Juli 1884, no. 6, ook op deze werken betrekking heeft.
  • In 1896 werd een sluisknechtswoning gesticht.

In dit zelfde jaar werd, tegelijk met het herstel van de door de storm van 5, 6 en 7 December 1895, beschadigde provinciale zeewering te Lemmer, op het bij het waterschap in onderhoud zijnde gedeelte zeewering een basalt glooiing aangebracht. Dit werk werd evenwel uitgevoerd en bekostigd door de provincie.

  • In 1912 werd een nieuwe sluiswachterswoning bijgebouwd.

Na de stichting van het provinciaal stoomgemaal bij Lemmer deed zich het euvel voor, dat, indien het gemaal in bedrijf was, door de Truitjezijlsbrug te Lemmer een zodanig sterke stroming ontstond, dat de scheepvaart daarvan grote hinder ondervond, hetgeen tevens van nadelige invloed was voor het Zandverkeer, dat over de Truitjezijlsbrug moest omdat deze brug veel te lang moest openstaan. Weliswaar zouden de deuren in de oude Lemstersluis gesloten kunnen worden, waardoor de hinderlijke stroming zou ophouden, maar dat zou meteen betekenen, dat dan de scheepvaart langs de Zijlroede zou worden stilgelegd, omdat, als deze deuren (in de oude sluis) eenmaal gesloten waren, zij niet neer geopend konden worden, zolang het gemaal werkte. Om deze redenen vroeg de gemeenteraad van Lemsterland in een adres aan de Provinciale Staten d.d. 29 Januari 1921, te willen bevorderen, dat in de oude sluis een stel sluisdeuren werd bijgeplaatst, waardoor deze als schutsluis kon worden gebruikt, opdat de scheepvaart zo weinig mogelijk zou worden belemmerd.

Naar aanleiding van dit adres wendden de Gedeputeerde Staten, als gevolg van een door het Statenlid, de heer H. Pollema, gedane suggestie, zich tot het bestuur van het waterschap de Lemstersluis met de vraag; of dit waterschap voornemens was een tweede stel deuren in bedoelde Oude sluis aan te brengen. Ged. Staten spraken daarbij als hun oordeel uit, dat zulks ook geheel op de weg van het waterschap zou liggen, dat immers die oude sluis onder zijn werken had, terwijl bezwaren van financiële aard, gezien de garantie, die de provincie ingevolge het Statenbesluit van 9 Juli 1884, no. 6, tegenover het waterschap op zich heeft genomen, wel niet zouden bestaan bij het waterschap.

Inderdaad ging het waterschap nog in de loop van 1921 tot het aanbrengen van een tweede stel deuren in de Oude sluis over.

In de loop van het jaar 1924 werd de bestaande mistklok vervangen door een mistsirene, aangedreven door een elektromotor

  • In 1925 werd de brug nabij de stroomsluis te Lemmer, die was ingestort, vernieuwd.
  • In 1928 werd een regeling getroffen tussen het en de gemeente inzake het gezamenlijk bedienen van de Truitjezijlsbrug en de Blokjesbrug.
  • In 1955 werd o.m. een stel nieuwe eikenhouten sluisdeuren in de Oude schutsluis geplaatst.

In het laatst van 1957 bezweek de basculebrug over de Oude schutsluis (de Blokjesbrug) onder de last van het zware verkeer. De bovenbouw werd in 1938 vernieuwd, enigszins verbreed en berekend op zwaar verkeer. De gemeente droeg 50% in de kosten bij. De kosten van een tijdens de uitvoering van het werk gelegde hulpbrug bleven echter geheel ten laste van het waterschap.

Begin 1938 moest de Truitjezijlsbrug vernieuwd worden. Het gemeentebestuur; dat deze brug in onderhoud had, vroeg aan Gedeputeerde Staten of de onder de bestaande brug aanwezige sluisdeuren (keerdeuren) opnieuw geplaatst moesten worden.

De hoofdingenieur van de provinciale waterstaat rapporteerde, dat het handhaven van een noodwaterkering daar ter plaatse niet meer nodig was en dat dus onder de nieuwe brug geen keerdeuren meer behoefden te worden aangebracht. Gedeputeerde Staten beslisten overeenkomstig dit advies.

In het begin van de tweede wereldoorlog, tijdens de Duitse bezetting, werd, op last van de Duitsers, door de Dienst tot verbetering van de kanalen Stroobos—IJsselmeer en Fonejacht—Harlingen, de vaarweg van Groningen naar Lemmer provisioneel geschikt gemaakt voor grotere schepen. Daartoe werd o.m. de capaciteit van de oude Lemstersluis vergroot. Dit bracht mede, dat de sluisdeuren vervielen.

Het gevolg hiervan zou zijn, dat opnieuw — inwerkingstelling van het stoomgemaal — stromingen zouden ontstaan. Als middel hiertegen werd overwogen het maken van een nieuw stel puntdeuren in de oude sluis en van een enkele deur in de Truitjezijlsbrug. De bezetters wilden echter geen materiaal beschikbaar stellen voor beide afsluitmiddelen, doch alleen voor de deur ter plaatse van de Truitjezijlsbrug. Bij brief van 16 September 1942, no.. 36, 2e afdeling W., werd echter door de Staatsraad in b.d, Commissaris der provincie Friesland, waarnemende de taak van Gedeputeerde Staten, toegezegd o.m. dat het stel deuren, hetwelk nodig was om de oude sluis als keersluis te kunnen gebruiken, doch dat thans wegens gebrek aan materialen niet kon worden vervaardigd, alsnog van provinciewege zou worden aangebracht. In het begin van 1950 is de verlichting op de havendam en bij de  sluizen gemoderniseerd.

Men kan m.i. als vrij waarschijnlijk aannemen, dat reeds voor 1640 bij de Lemstersluis tol is geheven van de schepen, die er gebruik van maakten. De eerste duidelijke verwijzing naar zulk een tol vindt men in de resolutie van de „Staten van Vries land" van 20 Maart 1640, „wegens de Tol van Lemsterzijl” (Charterboek Deel V, blz. 455),

„De Staten van Vrieslant, aendachtelijk examineert en overwogen hebbende het versoek, door requeste gedaen bij de Heeren dr. Epeus Oosterzee, mede Gecommitteerde in de camer van Finantie in s’Gravenhage, en Cyprianus Oosterzee, Grietman over Lemsterland en mede Rekenmeester deeser Provintie, specialyck Gecommitteerde van drie Dorpen Lemmer, Eestergae en Follegae, medebrengende voorschreven versoeck, dat de Lemsterzijl, schoon deselve verleden jaer merkelijk grooter en swaerder gemaeckt was, tot groote excessive kosten van de voorschreven dorpen, deselve Syl nochtans de verledene winter in grooten perikel gestaen heeft van door te breeken, en al wederom merkelijke schade geleden heeft, in dier voegen, dat de oncosten in geender manieren connen ontvangen worden uyt de opcomsten van de voorschreven Syl, en dat daer en boven de Heeren Requiranten sekere droechte binnen de Syl ten dienste van ‘t  Land en geryf van de zeevaert verbeteren sullen, hebben de. Heeren Versoeckers in qualiteit geoctrojeert en consenteert, octrojeren en consenteren deselve bij desen, omme tot stuyr en onderholt van de voorschreven Lemsterzijl van nu voortaen te mogen invorderen, eyschen en ontfangen van yeder grote opene pont ofte turffschip ofte schuite ses stuyvers in plaetse van twee stuyvers, en van de smal schepen ofte kaagen, over ses lasten groot, vier stuyvers, en van andere schepen naer advenant, invoegen oock op andere havens betaelt wordt; ordonnerende en bevelende mitsdien een yegelijk, die dit sal raecken, de Heeren Requiranten het effect van desen octroye en consent te laten rustelyck en vredelyck genieten; alles nochtans tot revocatie van Haer Ed. Moge en dat de penningen tot geen ander fine implojeert sullen mogen worden”

Uit de woorden. „in plaetse van twee stuyvers” valt af te leiden, dat dus voor 1640 ook al tol werd geheven. Dat aan het bezit van de sluis in elk geval inkomsten waren verbonden, volgt trouwens ook al uit hetgeen in de nota van Mr. W. W. Buma van 1858 wordt medegedeeld omtrent de Sententie van Hof van Vriesland van 7 December 1602, waar sprake is van „de zijl’s huur" en uit het feit, dat van de sluis in het floreenkohier van 1511 melding wordt gemaakt. De hier bedoelde zijlshuur kan echter ook alleen op inkomsten uit het visrecht betrekking hebben gehad.

Bij resolutie van Gedeputeerde Staten van Friesland van 18 Augustus 1645 werd aan de gecommitteerde volmachten van de ingezetenen der drie dorpen voor de tijd van drie jaren en op approbatie van de Staten, toegestaan tot dekking van de reparatie van de opgegraven Lemstervaart, boven het Octrooi van 20 Maart 1640, nog van ieders pontschip te mogen ontvangen, boven de zes stuivers, vier stuivers, en van ieder kaagschip boven de vier stuivers, één stuiver. In het arrest van 13 April 1870 van het Provinciaal Geregtshof in Friesland wordt evenwel geconstateerd, dat van een approbatie van de Staten niet is gebleken en evenmin van vernieuwing na verloop der drie jaren.

Tot 1815 schijnt in de tol verder geen verandering te hebben plaats gevonden. In Januari 1815 verzochten de Floreenpligtige ingezetenen van de dorpen Lemmer, Follega en Eesterga, als eigenaren van de Lemsterzijl Gedeputeerde Staten van Friesland goedkeuring op een door hen ontworpen „Reglement en Tarief der Sluisgelden voor de Lemsterzijl". Bij resolutie van 6 Maart 1815 werd de gevraagde goedkeuring verleend.

Dit tarief is blijkbaar toegepast tot 1873 In het hiervoor meermalen aangehaalde arrest van het Provinciaal Geregtshof in Friesland van 13 April 1870 was o.m. geconstateerd, dat de Gedeputeerde Staten, die in 1815 een nieuw reglement en tarief voor de tolheffing goedkeurden, daartoe niet bevoegd waren en dat nog altijd gold de heffing van 1640.

Om twijfel aan de rechtskracht van de tolheffing te voorkomen, werd het daarom, toen het beheer en onderhoud van de sluis c.a. overgingen naar het gereglementeerde waterschap, wenselijk geacht o.a. de tolheffing een nieuwe basis te geven. Dit geschiedde bij het Koninklijk Besluit van 6 Januari 1873, no. 9. Bij dit besluit werd aan het waterschap de Lemstersluis voor de tijd van één jaar concessie verleend tot heffing van regten aan die sluis overeenkomstig het bij het besluit gevoegd tarief.

Bepaald werd tevens, dat de opbrengst der heffing in de eerste plaats moest worden aangewend tot deugdelijk onderhoud van de sluis en van datgene wat daartoe behoorde