Burgemeester Krijger en het naar hem vernoemde plein in Lemmer 'Het Burgemeester Krijgerplein'

Op 11 mei 2020 is er door de beheerders van deze site Hendrik Bootsma en Roelie Spanjaard-Visser, op 5 mei 2020 een petitie opgesteld na het zien van de uitzending op 4 mei 2020 van Oud- rechter Severein. Op de Facebookpagina kwamen vele reacties los, waaronder de reactie van Lipkje Schat-Visser, documenten die wij konden tonen, knipsels die ingezonden werden etc... Hebben ons doen beslissen, dat dit werkelijk niet kan, dat dit plein de naam draagt die het nu heeft. Leest u a.u.b. onderstaande en de bijlages en steun ons als u kunt. Wij zullen in ieder geval niet opgeven! 


  • Oud- rechter Severein (Fryslân doc 3 mei 2020) Hij had deze zes Joodse mensen kunnen redden van de dood. Hij liet het echter na om hen tijdig in te seinen over wat er komen ging. Volgens Severijn liet de burgemeester het zestal zelfs arresteren, met als gevolg dat ze de oorlog niet hebben overleefd.

Drama te Echten kostte 6 mensen het leven.

Op een dag in oktober 1943 werd er een telefoongesprek gevoerd tussen de S.D.-man C. J. Kaptein uit Den Haag en burgemeester M. Krijger te Lemmer. Tijdens dit gesprek werd de burgemeester verteld, dat er in Echten bij de schoonmoeder van Ds. Fokkema* 6 Joden waren ondergedoken en dat die mensen moesten worden gearresteerd. De burgemeester werd persoonlijk verantwoordelijk gesteld voor dit geval. Burgemeester Krijger heeft de zaak daarop doorgegeven aan de politiecommandant Hafma, die er later met 6 man op af is getrokken, met het noodlottig gevolg, dat de 6 onderduikers allen werden gearresteerd. Ze zijn overgebracht naar Den Haag en nooit weer teruggekeerd.

Thans stond als eerste terecht Marinus Krijger, burgemeester van Lemsterland, ter zake van het opzettelijk blootstellen aan opsporing en vrijheidsberoving van de 6 ondergedoken Joden, zonder hen van tevoren te hebben gewaarschuwd of zonder hen te doen waarschuwen.

* Zat tijdens de bezetting enige tijd ondergedoken. Zijn naam werd na de bezetting tijdens een proces tegen burgemeester M. Krijger van Lemsterland in verband gebracht met de arrestatie van zes joden die bij zijn schoonmoeder (mevr. De Vries-Frankema) ondergedoken zaten. Van enige betrokkenheid van Fokkema daarbij bleek echter niets.

Afgeluisterd telefoongesprek.

Mej. Z. J. Smeding, verklaarde het gesprek tot stand te hebben gebracht en te hebben afgeluisterd. De Burgemeester maakte eerst wel bezwaar, door te zeggen, dat hij geen hoofd van de politie was. Als plaats waar de Joden waren ondergedoken, werd genoemd de schoonmoeder van Ds. Fokkema. De burgemeester was steeds erg voorkomend tegenover de Duitser, meer vriendelijk dan normaal.

Mej. P. v. Brug, heeft even later een gesprek tot stand gebracht met de burgemeester. Ook toen was er sprake van arrestatie van Joden bij de schoonmoeder van Ds. Fokkema. De burgemeester protesteerde niet en hij was erg voorkomend. Zij wilde de Joden wel graag waarschuwen, maar zij wist niet waar zij zijn moest. Ook Aagje Molenberg en haar chef wisten er geen raad mee.

De opdracht.

Getuige G. Hafma, groepscommandant der Rijkspolitie te Murmerwoude, vertelde, dat hij een boodschap had gekregen even bij de burgemeester te komen. Deze vertelde hem toen, dat hij een telefonische opdracht had gekregen om Joden te laten arresteren. Het was het eerste huis links van de kerk en de bewoonster moest ook gearresteerd worden. De S.D. had medegedeeld, dat zij inlichtingen had gekregen van Ds. Fokkema, schoonzoon van de bewoonster. Deze behoefde niet gearresteerd te worden, maar kon en passant worden meegenomen.

Ik kreeg de indruk, dat de verrader ter plaatse aanwezig zou zijn. De burgemeester heeft toen nog gezegd: "Van je familie moet je het maar hebben". Toen de burgemeester mij de order gaf, heeft hij mij gevraagd: "Wat ga je nu doen?" Ik heb gezegd, dat ik er wel heen moest en er werd mij niet te kennen gegeven, dat ik het niet moest doen. Getuige vertelt, dat hij een uur heeft gewacht, voordat hij er op afging met zijn mannen. De onderduikers zijn gevonden en na in Lemmer te hebben gezeten, overgegeven aan de politie te Wolvega. Daarna zijn ze naar Den Haag vervoerd, tezamen met mevrouw Frankema.

In dit huis naast de Geref. kerk, woonde de wed. B. Frankema-Slump.

Arrogante S.D.-manieren.

De vroegere wachtmeester L. J. Kaptein, die bij de S.D. werkte en het gesprek met burgemeester Krijger heeft gevoerd, blies nog hoog van de toren. Hij wenste de eed niet af te leggen en evenmin de belofte. Hij wenste zijn hoofd niet te pijnigen met deze zaak, die men nu toch heel anders beoordeelt dan toen. Volgens hem was het gesprek in het Nederlands gevoerd. Alleen als er een Duitse telefoniste tussen kwam, sprak hij Duits. Men had zuivere inlichtingen en alles stond precies op papier. Van wie men het wist wenste hij niet te zeggen.

Verhoor verdachte.

De burgemeester voerde aan te hebben geprobeerd er voor weg te komen, doch dit gelukte niet. Ik werd persoonlijk verantwoordelijk gesteld voor het overbrengen van de boodschap. Er werd gezegd, dat men inlichtingen had van de schoonzoon der bewoonster. Dat vond ik zeer verdacht. Ik wilde de zaak ook met Hafma bespreken. Ik heb tegen hem gezegd, dat naar alle waarschijnlijkheid de verrader in het huis was, zodat er niet gewaarschuwd kon worden.

- President: Uit de stukken blijkt, dat u dat wel aan uw vrouw heeft gezegd, maar niet aan Hafma.

. Verdachte beweerde nu, dat hij het ook aan Hafma heeft gezegd.

-President: Maar u had toch kunnen waarschuwen.

. Verdachte: Ik kon niet waarschuwen, omdat het voor mij vast stond, dat de schoonzoon-verrader in huls was.

-Procureur-Fiscaal: U had twee mogelijkheden en daaruit koos u die, waardoor u zelf het minste gevaar liep.

. Getuige Hafma: Ik had de hoop, dat er vanwege de burgemeester gewaarschuwd was.

Requisitoir.

Mr. Lazender begon met te verklaren, dat hij lang heeft geaarzeld de heer Krijger te dagvaarden, omdat hij weet, dat deze een goede Nederlander was, zonder sympathie voor N.S.B. en Duitsers. Ik ben er van overtuigd, dat als verdachte een strafbaar feit heeft gepleegd, dit is gebeurd in een moment van onnadenkendheid of bij wijze van vergissing.

Toch heb ik hem gedagvaard, omdat ik meen, dat men ook voor deze daden verantwoordelijk is. Ook acht ik het billijk, dat wanneer de politiemannen worden vervolgd, de opdrachtgever eveneens terecht staat. Verdachte heeft opdracht gegeven, zonder dat hij zelf of Hafma de Joden heeft gewaarschuwd. Is verdachte deswege strafbaar?

De vraag is dan, of hetgeen hij deed, opzettelijk gebeurde. Spreker meende, dat dit inderdaad het geval was. Hij had twee dingen kunnen doen. Wanneer hij overtuigd was, dat er niet gewaarschuwd kon worden, dan kon hij de opdracht hebben achtergehouden. Hij had zichzelf dan in veiligheid kunnen stellen door onder te duiken. Hij heeft het leven van de Joden opgeofferd voor zijn eigen.

Verdediging verdachte.

Verdachte verdedigde daarop zichzelf en ontkende de opzet. Mijn wil was het niet, wat er gebeurd is. Ik heb iets aan het beleid van Hafma overgelaten. Zijn bevindingen ter plaatse, moesten voor hem richtsnoer zijn. Ik heb toch tegen Hafma gezegd, dat hij maar met zijn mannen moest praten, maar dat die er even weinig voor zouden voelen als hij zelf. Dat moest voor hem duidelijk zijn. Tegen mij zijn tot dusver, ook bij de burgemeesterszuivering, geen maatregelen genomen. Dit is dan ook de zwartste dag van mijn leven. Ik heb fouten gemaakt, maar dat ik schuldig zou zijn aan dit misdrijf, ik kan mij dit niet voorstellen.
Uitspraak over 14 dagen.

Wij zijn alle zes laf geweest.

In de middagzitting kwamen voor de groene tafel 2 van de 6 politiemannen die naar Echten zijn geweest, n.l. Marten v. d. Kamp uit Oudega en Lodewijk Eskens uit Heerenveen. Zij worden er van beschuldigd, Daan van IJssel en 5 andere Joden aan opsporing en vrijheidsberoving te hebben blootgesteld, door nadat hen door of vanwege de burgemeester van Lemsterland of de onder luitenant der Marechaussee Gerrit Hafma was meegedeeld, dat er in opdracht van de S.D. in Echten 6 Joden moesten worden gearresteerd, een onderzoek in het aangewezen huis te hebben verricht en toen ze aanvankelijk niets hadden gevonden, dat onderzoek toch voort te zetten. Nadat verdachte v. d, Kamp een schot had gelost onder een ledikant en daaronder een Jood vandaan gehaald; zijn zij toch met het onderzoek doorgegaan, hoewel Hafma en anderen hadden gezegd dat het genoeg was en men maar naar huis moest gaan. Hierna werden echter nog 5 Joden op zolder gevonden en gearresteerd.

De getuigen vertellen.

Wachtmeester Strampel vertelde, dat hij 30 meter van mevr. Frankema verwijderd woont, maar dat hij niet heeft geweten dat er Joden zaten. Hafma kwam mij halen en ik moest mee. Verdachten zijn toen naar binnen gegaan en de anderen stonden rond het huis. Ik stond achter. Even later hoorde ik een knal. Nadat een Jood was gevonden zijn we bij elkaar geweest en toen is besproken om weg te gaan.

-President: Waarom deed men dat niet?

.Getuige: Ik weet het niet. De verdachten waren zenuwachtig en erg bang. Wij zijn toen allemaal naar binnen gegaan en toen is er weer gezocht.

-President: Heeft U gehoord dat Hafma gezegd heeft om weg te gaan?

.Getuige: Neen. Ik heb wel in het algemeen gezegd: "laten we weggaan". De verdachten waren de mensen, die niet weg wilden.

-President: Zaten er meer Joden in Echten?

.Getuige: Echten stond er voor bekend. Het zat er vol.

.Verdachte Eskens: Wij zijn alle 8 laf geweest, daar wil ik wel voor boeten, maar niet voor iets, wat ik niet gedaan heb.

-Mr. Vis: Welke rol heeft Hafma gespeeld?

.Getuige Strampel: Mijn indruk is, dat Hafma de leiding uit handen heeft gegeven.

Reprimande getuige Hafma.

Vervolgens wordt getuige Hafma gehoord, die steeds, evenals in de zitting van burgemeester Krijger, ontwijkende antwoorden geeft, waarop de president hem een ongezouten reprimande geeft over zijn ter terechtzitting aangenomen houding. Hafma verklaart daarop, dat hij niet heeft gezegd, maar naar huis te gaan. Nadat er 1 Jood was gevonden, heeft Hafma van de bewoonster gehoord, waar de andere 5 verborgen waren en die zijn daarop uit hun schuilplaats gehaald; door wie dit is gebeurd wordt echter niet duidelijk. De verdachten ontkenden dat zij dit hebben gedaan, doch zeggen dat Hafma er op afliep.

-Getuige wed. Frankema vertelde daarop, dat ze 3 Joodse echtparen in huis had. Ze waren er al 1½ jaar. Daarop schilderde ze met zachte stem hoe de huiszoeking heeft plaats gehad, welke volgens haar zeer nauwkeurig was geweest en ook ruw. Verdachte Eskens had haar met de revolver gedreigd. Verdachte v. d. Kamp had gezegd: "we hebben er nu 1 en er moeten er 6 zijn, die zullen gevonden worden, al moeten we het huis ook afbreken". Hij heeft boven veel stuk gemaakt.

Verraad in het spel.

Als getuige wordt dan gehoord op eigen verzoek het Tweede Kamerlid Ds. Fokkema, de schoonzoon van wed. Frankema, die zegt dat hij toen was ondergedoken, omdat zijn leven gevaar liep. Zijn vrouw, zoon en dochter waren wel gearresteerd, maar die kunnen het niet gezegd hebben. Ik weet, aldus Ds. Fokkema, dat er verraad is geweest, maar dat is niet meer te achterhalen.

Verhoor verdachten.

Verdachte v.d. Kamp zegt dat hij mee moest, doch dat men meende niets te zullen vinden. Tenslotte vond ik onder een bed een man liggen en toen was mijn illusie, dat er niets was, kapot.

-President: Waarom heeft U toen geschoten?

.Verdachte: Dat deed ik in mijn verbijstering. Ik vind het raar, dat Hafma nu niet wil vertellen, dat hij het niet verantwoord achtte om weg te gaan, nadat er 1 man was gevonden. Ik heb alleen maar mijn best gedaan, meer niet.

-President: Uw streven was, om de Joden te vinden.

.Verdachte: Later is geprobeerd, de Joden te ontzetten. Toen dit gebeurd was, is het gevolg geweest dat het escorte is versterkt.

.Verdachte Eskens: Hafma heeft ons gezegd, dat wij ieder persoonlijk aansprakelijk werden gesteld voor een juiste uitvoering van de opdracht. Toen het schot viel dacht ik als het op mij gericht is, is het mis. Ik heb boven in de kast gekeken, waaruit de Joden later kwamen, maar ik vond niets en toen later een paar van de getuigen boven kwamen met Hafma voorop toen kwamen er ineens Joden uit. Ik heb ze niet gevonden, maar zij vonden ze wel. Hier wordt door de getuigen niet de waarheid gesproken.

Raadsheer Mr. Okma: U heeft gelijk, er wordt hier geen waarheid gesproken door de heren van de politie!

Requisitoir.

Mr. Lazonder begint met te vragen: Waarom alleen deze beide verdachten en waarom ook niet getuige Hafma? Dat is, doordat ik nog niet voldoende inzicht in de gang van zaken had en niet de vraag kon beantwoorden of Hafma ook schuldig was. Ik wilde het van de loop van deze zitting laten afhangen wat er meer zal gebeuren. Ik heb nu wel een bepaalde mening en zal dat wel nader uitdrukken. Uw collega zal ook wel een bepaalde mening hebben gekregen en daar zeker gevolgen van verwachten. Wat de feitelijke gang van zaken betreft, die is wel duidelijk. Ook wanneer verdachten zenuwachtig en angstig geweest zijn, dan moeten ze toch verantwoordelijk worden geacht.

Eis tegen ieder hunner: 6 jaar gevangenisstraf.

De uitspraak luidde thans: Burgemeester Krijger; Schuldig verklaring aan het ten laste gelegde en veroordeling tot zes maanden gevangenisstraf voorwaardelijk, met 1 jaar proeftijd en recht van cassatie.

De beide politiemannen Marten v.d. Kamp, marechaussee en Lodewijk Eskens wachtmeester, kregen een eis van 6 jaar. Het hof achtte het aan beide beklaagden ten laste gelegde niet bewezen en sprak hen daarvan vrij.

Vereniging Friesland 1940-1945 (Documentatiecommissie)

Pro-Duitse activiteiten van M. Krijger, tijdens de bezetting burgemeester van Lemsterland
- aan de bezetter inzage gegeven in het bevolkingsregister en opmaken van lijsten voor de arbeidsinzet in Duitsland;
- aanwijzen van werkkrachten voor het graven van dekkingsgaten;
- propageren van en verlenen van medewerking aan Winterhulp Nederland;
- aanwijzen van werkkrachten voor het schoonhouden van de kwartieren der SD te Lemmer;
- bevorderen van tewerkstelling van mensen uit Lemsterland in Drenthe;
- optreden tegen de Mei-staking 1943;
- paardenvordering ten behoeve van het Duitse leger;
- verzuimen ondergedoken Joden te waarschuwen;
- geven van de opdracht tot arrestatie van J. de Rook, leider van de CPN te Lemmer, later overleden te Buchenwald

Telefonistes als luisterpost.

Dank zij de oplettendheid en de betrouwbaarheid van deze telefonistes is voorkomen dat er opnieuw slachtoffers zijn gevallen in Lemmer. Ambtenaren van de telefoondienst te Lemmer waren mej. A. Molenberg, P. van Brug en Z.J. Smeding. Mej. Aagje Molenberg, geb. 19 januari 1913 te Lemmer was in de tweede wereldoorlog werkzaam op het PTT -kantoor te Lemmer, o.a. als telefoniste en lokettiste. Zij bezorgde illegale blaadjes en zette zich in voor het Rode Kruis. In haar functie als telefoniste luisterde zij tijdens de stakingsdagen in mei 1943 o.a. ook het gesprek af waarin burgemeester Krijger aan de SD te Leeuwarden de hulp inriep voor ongeregeldheden bij de brug in Echtenerbrug.

Dit betrof namelijk onenigheid tussen bevolking en Duitsers. Op 16 oktober 1943 om 19.30 uur werd abonnee 73, woonhuis burgemeester Krijger voor de 2e maal opgebeld door de Sicherheitsdienst te Den Haag, met het bevel om huiszoeking te doen bij de schoonmoeder van Ds. Fokkema (wed. Slump) waar vermoedelijk joden verborgen waren. Daar op dat ogenblik aan de ambtenaren niet bekend was, wie hiermede bedoeld werd en ook de directeur van het postkantoor te Lemmer geen opheldering kon geven, konden deze slachtoffers niet gewaarschuwd worden.

Na de oorlog werd op 5 juni 1945 mej. A. Molenberg opgeroepen om gehoord te worden door de zuiveringscommissie voor burgemeesters in het gemeentehuis te Lemmer. Op 13 juli 1945 werd een aanklacht ingediend aan Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandse Zaken te 's-Gravenhage en op 25 januari 1946 aan een Kamerlid van de Tweede Kamer aangaande bovengenoemde zaken. Deze aanklachten waren ondertekend door 2 telefonistes en door F. Garvelink, destijds directeur van het Arbeidsbureau. Het was Aagje Molenberg die als getuige werd gehoord voor de Rechtbank tegen de burgemeester.

Zie ook