Home » Historie-Friesland » Zuiderzee » De polders

De polders

De polders, een steeds andere volgorde en nog wat andere zaken.

Door Jaap van der Zwaag.


In mei 1932 was de Afsluitdijk gesloten en hield de eeuwenoude Zuiderzee op te bestaan. Het IJsselmeer was geboren. Tijdens de bouw van de Afsluitdijk was al een begin gemaakt met de constructie van de eerste polderdijk in de Zuiderzee, de dijk van de Wieringermeer(polder). En nog vóórdat de Afsluitdijk gereed was, werd deze polderdijk (in 1929) gesloten en kon worden begonnen met het leegpompen met behulp van de gemalen 'Lely' (bij Medemblik) en 'Leemans' (bij Den Oever). Na 8 maanden pompen viel de 20.000 ha grote Wieringermeer droog.

De toevoer van water op het IJsselmeer vond nu plaats vanuit de rivieren en omliggende gronden, afvoer door middel van spuien op de Waddenzee. Na de sluiting van de Afsluitdijk in 1932 werd het water dan ook snel zoeter en eind 1937 was de ontzilting afgelopen. Het veranderde zoutgehalte had grote invloed op de levensgemeenschap van het IJsselmeer.

Veel onderzoek naar het aanwezige leven is er trouwens in de eerste tientallen jaren na de afsluiting niet geweest, men had het te druk met inpolderen. We mogen dan ook van geluk spreken dat er in 1954, 22 jaar (!) jaar na de afsluiting een verslag verscheen van de Zuiderzeecommissie van de Nederlandsche Dierkundige Vereeniging, naar de verandering in de flora en fauna in de voormalige Zuiderzee. Hierdoor werd het mogelijk een indruk te krijgen van de huidige levensgemeenschap in het IJsselmeer. Ik zal mij beperken tot de vissen en ongewervelde dieren.

De Marker vissersbevolking en de ansjovis.

Links een ankertje ansjovis wordt ingestampt.

Al vóór de afsluiting kwam in de Zuiderzee zoetwatervis voor. De snoekbaars was nu de belangrijkste schubvissoort van het IJsselmeer geworden. De aal echter werd de economisch belangrijkste vis. Ook in de Zuiderzee was aal een belangrijke vissoort geweest. En zij zal in waarde nauwelijks hebben ondergedaan voor de bot. Omdat bot een vissoort is, die zowel in water met een hoog zoutgehalte als in volkomen zoet water gedijt, is dat de verklaring voor de aanwezigheid van deze vissoort in het IJsselmeer in de eerste jaren na de afsluiting.

Voorts komen in het IJsselmeer spiering (net als in de Zuiderzee), baars, brasem en pos voor. De blankvoorn was in de periode 1940-1946 een belangrijke consumptievis. Daarna is de betekenis echter sterk gedaald. Verdwenen waren de haring en de ansjovis. Hoewel tijdens de verzoeting van het IJsselmeer de meest opvallende veranderingen zich voltrokken in de soorten vis, hebben ook onder de ongewervelde dieren veel zeebewoners plaats moeten maken voor zoetwatersoorten, zoals het Jenkin's brakwaterhoorntje, de driehoeksmossel, de vijverpluimdrager, de poelslak en de vijvermossel.

Aanvankelijk was de overheid optimistisch over de toekomst van de visserij op het IJsselmeer. Het zag er dan ook vooralsnog niet slecht uit. In de eerste jaren na de afsluiting werd ongeveer 2 miljoen kilo paling per jaar gevangen met een jaarlijkse opbrengst van ruim 1 miljoen gulden. Dat gaf menigeen het gevoel dat de IJsselmeervisserij een redelijke kans van slagen had.

Er waren vissers, die het desondanks voor gezien hielden en een baan aan de wal hadden gezocht. Anderen (waaronder Lemster vissers) waren naar het noorden verhuisd, om bij de Afsluitdijk te gaan vissen. En weer anderen, waaronder mijn grootvader Jacob Kleis Visser, bleven voorlopig nog doorvissen. We zullen in mijn volgende verhaal lezen hoe het met de IJsselmeervisserij is gegaan.

Dankzij de Zuiderzeesteunwet werden de voormalige Zuiderzeevissers gesteund, financieel of op een andere manier. Op 1 januari 1937 ontvingen 2225 personen financiële steun, waarvan er 874 voor de rest van hun leven aanspraak konden maken op deze steun. De totale kosten van de Zuiderzeesteunwet was toen opgelopen tot 11 1/2 miljoen gulden, wat natuurlijk een schijntje is, vergeleken met de enorme kosten van de Zuiderzeewerken.

De kosten van de steunwet liepen regelmatig op met een bedrag van meestal tussen de één en twee miljoen gulden per jaar. Blijkbaar werd de daling van het geld ongeveer gecompenseerd door de vermindering van het aantal belanghebbenden. In 1970 was het totale bedrag op die manier gestegen tot 57 miljoen gulden.

Na de Wieringermeer zou eerst de Zuidoostelijke polder (het huidige Flevoland) en daarna de Zuidwestelijke polder (de Markerwaard, de polder die er nooit is gekomen). Maar al snel was de volgorde veranderd en zou de Zuidwestelijke polder (Markerwaard) vóór Flevoland worden aangelegd. In 1931 werd de volgorde wéér veranderd. In dat jaar verscheen namelijk op de begroting van het Zuiderzeefonds voor 1932 de eerste post voor de indijking van niet de Markerwaard of Flevoland, maar voor de Noordoostpolder.

Deze keus hield verband met het feit, dat men midden in een economische crisis zat en men in plaats van dure polders koos voor de relatief goedkope Noordoostpolder. En het is nog een wonder dat deze polder er is gekomen, want de toenmalige regering aarzelde of met een werk zou worden begonnen, dat tussen de honderd en tweehonderd miljoen gulden zou kosten. De kosten zouden uiteindelijk bijna driehonderd miljoen (om precies te zijn 294 miljoen) gulden worden. In 1940 werd de 54 km lange ringdijk om deze polder gesloten.

Na afloop van de Tweede Wereldoorlog zag het voor de Zuiderzeewerken niet best uit. De werken in de Noordoostpolder waren zo ver gevorderd, dat die wel moesten worden afgemaakt, maar de vraag was, wat er verder moest gebeuren. In 1950 werd besloten de grote, zeer dure, Zuidoostpolder (Flevoland) in twee delen uit te voeren. Begonnen zou worden met de Oostpolder (Oostelijk Flevoland). Dan zou weer een poging worden gedaan de Markerwaard (dus vóór Zuidelijk Flevoland) aan te leggen. En met Zuidelijk Flevoland zou de Zuiderzeewerken worden afgesloten.

Mede dank zij het Marshall-plan kon worden begonnen met Oostelijk Flevoland. In 1950 werd begonnen met de dijkbouw, maar de stormramp in 1953 in Zeeland eiste zoveel bagger- en dijkbouwmateriaal en personeel op, dat het werk voor de Zuiderzee werken enige tijd stillag.

Desondanks kon op 13 september 1956 de 90 km lange ringdijk worden gesloten en konden de drie gemalen, 'De Wortman' (bij Lelystad), 'De Lovink' (bij Harderwijk) en 'De Colijn' (bij Ketelhaven) met hun werk beginnen. Negen maanden later, op 29 juni 1957, was de 54.000 ha grote polder droog. In die tijd hadden de gemalen anderhalf miljard kubieke meter water uit het omdijkte gebied gepompt.

De komst van de Noordoostpolder en Oostelijk Flevoland betekende dat de IJsselmeervissers een steeds kleiner werkterrein hadden en het is dan ook niet verwonderlijk, dat een groeiend aantal vissers er mee ophielden. Een van de redenen om er mee op te houden was trouwens ook het feit, dat de houten zeilschepen van weleer vervangen werden door kostbare stalen schepen; de meeste vissers konden het benodigde kapitaal daarvoor niet opbrengen en stopten.

Bron: Waterschap Zuiderzeeland: Gemaal Wortman in Lelystad doet al 50 jaar zijn werk; hij houdt de polders van Oostelijk Flevoland droog. In november 1956 is het gemaal in werking gezet. Samen met de gemalen Lovink (Harderwijk) en Colijn (Ketelhaven) pompte de Wortman binnen negen maanden Oostelijk Flevoland droog. Hierdoor was en is het mogelijk om in dit deel van Flevoland te wonen, werken en recreëren. Nog iedere dag moeten gemalen pompen om het water daadwerkelijk uit de polders te houden. Ook de Wortman heeft hier een taak in.

Het spreekt voor zich dat 50 jaar een enorme geschiedenis met zich meebrengt. Van het begin in 1956, toen er rond het gemaal alleen nog maar een werkeiland was en verder alleen water, tot nu 2006 waarin met computerapparatuur het waterpeil in de polder geregeld wordt. In het gemaal staan vier oude Stork Hesselman motoren uit de begintijd, die nog steeds in werking zijn. Elke pomp kan 500 000 liter per minuut uit (of in) de polder pompen. Als alle pompen draaien, betekent dat dus 2 miljoen liter water per minuut!

In 1957 werd al vast begonnen met de werken voor de Markerwaard, maar twee jaar later werd toch besloten eerst Zuidelijk Flevoland aan te leggen. Weer was dit het gevolg van bezuinigen; Zuidelijk Flevoland zou een kleiner beroep doen op de overheidsfinanciën dan de veel kostbaarder Markerwaard. En zo werd wéér de volgorde van de inpolderingen veranderd.

Naast het steeds veranderen van de volgorde word ook de grootte en omvang van de polders regelmatig veranderd. Een grote blunder was, dat men bij het maken van de plannen van de polders geen rekening had gehouden met de gevolgen voor het aangrenzende oude land. Bij de Wieringermeer en de Noordoostpolder waren geen randmeren geprojecteerd. Om deze twee polders zouden wel relatief smalle ringvaarten komen voor de scheepvaart en voor het watertransport.

Ook voor de andere polders had Lely alleen maar aan ringkanalen gedacht. Ze ontbraken zelfs langs kustgedeelten waar ze niet strikt nodig waren geoordeeld. Al snel bleek na het gereedkomen van de polder dat de strook tussen De Lemmer en Kuinre tot enkel kilometers diep landinwaarts sterk begon in te drogen doordat de leeggemalen polder water onttrok aan het aangrenzende oude land. Dit was nooit voorzien en uitvoerige studies waren nodig naar de invloed van polderbemaling op het aangrenzende gebied. Vrij brede randmeren waren nu een noodzaak om polders van het oude land te scheiden.

In de tijd van Lely werd de landaanwinning als een landbouwzaak gezien en de begrotingen van de polderwerken waren dan ook geheel gericht op de agrarische kant (de vissers worden vervangen door de boeren!). Ook de vorm van de polders waren daarop gericht. De Zuiderzeepolders waren dus bedoeld voor het scheppen van een nieuw landbouwareaal, vergroting van het bestaande gebied met tien procent.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Wieringermeer en de Noordoostpolder werden opgezet als een agrarisch gebied. In de daarop volgende polders, Oostelijk en Zuidelijk Flevoland zou deze doelstelling worden verlaten. Werd in de Wieringermeer en de Noordoostpolder ongeveer 87 procent van de oppervlakte bestemd voor landbouwgrond, in Oostelijk Flevoland liep deze oppervlakte terug tot 75 procent en in Zuidelijk Flevoland nog slechts de helft. Maar andere doelstellingen waren inmiddels al verzonnen.

Dus sinds het begin van de Zuiderzeewerken waren in de loop der jaren de denkbeelden over de Afsluitdijk veranderd (denk aan de spoorweg die er nooit kwam), werd de volgorde van de aan te leggen polders steeds gewijzigd, werd de beroepsvissers wijsgemaakt, dat het allemaal wel meeviel en dat er een goede boterham kon worden verdiend met de IJsselmeervisserij, was vergeten dat randmeren nodig waren om uitdroging van het oude land te voorkomen en was de oorspronkelijke (agrarische) doelstelling verlaten. Dat ook de kosten uit de hand liepen vertel ik in mijn volgende (en laatste) verhaal, waarin ik het onder meer ook zal hebben over de 'gouden toekomst' van de IJsselmeervisserij.