Blokzijl (1)

De "oude Waterleeuw" Frans I Poorter, 1833 - 1903.

Het mattenland van Frans I lag - we hebben het al gezien - in Urk, Wieringen, Schagen en Anna Paulowna. Hij had in zijn jongere jaren, evenals zijn vader als zoutschipper gevaren en daarbij de Zuidwal als afzetgebied gehad. Geen wonder dus, dat in de volgende generatie Pieter IV, die eerst (vanaf 1872) als knechtje bij mattenschipper Klaas Buisman had gevaren, voor de opbouw van een eigen mattenland in dezelfde richting keek als het voorgeslacht. Hij vond een markt voor zijn in 1888 gekochte jachtje, de „Op Hoop van Zegen", in Nijkerk, Harderwijk en in Kolhorn, de plaats waar zijn overgrootvader was geboren.

Tien jaar later vestigde hij zich in Harderwijk aan de wal en in 1900 werd het jachtje aan Zandbergen verkocht. Aanvankelijk had hij zijn broer Lourens als knecht, later het jongere broertje Hendrik, terwijl zijn broer Teunis hem opvolgde als knecht bij Buisman. Frans II, tenslotte, die een dochter van Buisman trouwde, was inmiddels beurtschipper geworden. Teunis, zelf ouder geworden, kocht ook een mattenjachtje, de „Dankbaarheid" van 33 ton, later, rond 1900, vervangen door een iets groter ijzeren tjalkje.

Het Mattenjachtje van Klaas Buisman voor de wal van Diemen 1895.

Zijn mattenland lag in Schagen en Alkmaar. Hij was één van de laatste mattenschippers, die zijn tjalkje verkocht (in 1916; naar Harderwijk - het voer nog jaren als houtscheepje bij Teunis den Herder), om zich metterwoon te Alkmaar te vestigen. Voor de "Op Hoop van Zegen" begon de vaart op het mattenland altijd met de oversteek naar Harderwijk, waar ligplaats werd gekozen van medio maart tot de week na Pasen.

De omvang van het afzetgebied werd beperkt door de afstand die schipper of knechtje met de kruiwagen per dag heen en terug kon afleggen, al nering doende. Hier lagen de grenzen dan ook bij Nunspeet en Putten (resp. 14 en 10 km. van Harderwijk).

Na Pasen, dus meestal in april, stak men dan weer in zee, op weg naar Kolhorn, waar een mattenland van gelijke omvang lag. Met Pinksteren moest de voorraad verkocht zijn en de mattenhandel kwam dan tot stilstand. Op Hemelvaartsdag, tien dagen tevoren, eindigde het krediet dat de schippers vanaf het nieuwe jaar bij de groothandel hadden gehad, en op die vaste donderdag togen vele schippers met welgevulde buidel naar Amsterdam of elders om hun rekeningen in baar geld te voldoen. ("Ik herinner me nog hoe vader met een zak vol gouden tientjes naar Amsterdam ging" - dat moet omstreeks 1900 zijn geweest.)

Een neringschipper zou geen koopman zijn geweest, wanneer hij nu met een leeg scheepje naar de oostwal zou zijn teruggekeerd. Het verbaast ons dus niet te vernemen hoe schipper Poorter kaas en boter kocht en met deze koopwaar terugzeilde naar Blokzijl.

Zijn vader, Frans I, placht op gelijke wijze met Noord-Hollandse kaas vanuit Edam naar Urk en naar Harderwijk te zeilen. Eind mei, begin juni lag zijn jachtje dus weer in de thuishaven, na bijna drie maanden afwezig te zijn geweest, met gezin en al - ook al bleven schoolgaande kinderen vaak te Blokzijl aan de wal, en al hadden sommige oudere vrouwen een voorkeur om thuis te blijven of om desnoods hun man over land te volgen.

In deze zelfde tijd kwamen ook de snikschippers (Toby met gezin en hondenkar als retourvracht met de beurtman; Zandbergen met het hooischip) naar het stadje terug, zodat de levendigheid van de winter scheen weeromgekeerd. De verkoop van kaas en boter ging vlug in zijn werk, evenals het innemen van nieuwe lading, voor Poorter altijd bestaande uit 24 m3 (i.c. een volle lading) gezaagd hout van de molen van Loos. Dit verkocht hij te Harderwijk, steeds op een zaterdag, op een publieke verkoping.

Deze houtvaart op Harderwijk in juni vond meestal tweemaal plaats, maar de tweede maal was het geen retourvaart, weerkerend naar Blokzijl. Nu werd op een veiling van de domeinen een lading oud hout gekocht (meestal van de kazernes en barakken afkomstig; Harderwijk had een groot garnizoen) met bestemming de kleine dorpen aan de IJssel, met name Welsum.

Hier lag het jachtje dus in de eerste helft van juli. Wanneer de vroege appels en peren rond het dorp rijpten, kocht de schipper een volle lading (d.w.z. 150 mud) hard fruit, waarvoor hij gewoonlijk afzet had in Sneek. In sommige zomers maakte hij twee van zulke reisjes, maar globaal genomen lag hij de maand augustus toch in Friesland voor de wal.

In Sneek kocht hij in september tabak 'bij Jacob Fortuin' en in Menaldum wortelen, aardappels en koolrapen, die aan vaste klanten - hier drie, daar vijf mud - in Harderwijk en Elburg werden verkocht. Daar ging de maand oktober mee heen en ook vaak november, althans wanneer de handel goed was en een tweede scheepslading uit Friesland kon worden gehaald. De laatste reis, zo rond St. Nicolaas was dan de thuisreis: van de Zuidwal eerst Friesland weer in, vervolgens weer om de Zuid, opnieuw volgeladen met aardappels bestemd voor Blokzijl, om ten leste af te meren in de Kolk na vijf maanden 'kleine handelsvaart'.

Schippers van Blokzijl. V.r.n.l. Frans 1 en Frans II Poorter, Piet Buisman, Pieter IV Poorter, „Meester" de Man, Jan Schaap. (± 1895)

In de onderstaande kaart is een en ander aangegeven. Tegen Kerstmis was het ruim leeg en werd het schoongemaakt. Het gezin, al die maanden eng behuisd in het roefje, betrok nu het ruim. Hier woonde men de veertig dagen van Christus' Geboren tot Maria-zuivering.

Dit waren de gezellige weken, alle scheepjes weer thuis in winterlaag en ieder ruim behuisd, met ruimte voor vele bezoeken over en weer - tot dat met Vrouwendag het nieuwe schippersjaar begon, het schip gehellingd en uitgerust, en, in de loop van de februarimaand, gestouwd met nieuwe lading voor het nieuwe mattenseizoen.

Wanneer wij tenslotte nog stilstaan bij het verdwijnen van deze, in onze ogen haast knusse, maritieme maatschappij, dan ligt het voor de hand in de eerste plaats verband te zien met conjunctuurveranderingen en technologische ontwikkelingen. Het laatste zal, naast incidentele omstandigheden, het einde van de zoutziederij, en daarmee van het waterschip zijn geweest.

Ook de beurtschepen moesten één voor één verdwijnen. Eerst op de korte, dan ten leste ook op de lange afstand ruimden zij het veld voor de stoomtram (die zelf maar een kort leven was beschoren), de spoorweg- en de wegverbindingen.

De mattenschippers verdwenen één voor één en in een snel tempo rond de eeuwwisseling - niet om in andere takken van vervoer, en met name de zeevaart of de binnenvaart een bestaan te zoeken, maar om zich te vestigen als walbewonende middenstanders in groot- of kleinhandel ver weg in hun mattenland, waar de meeste van hen tot grotere welvaart kwamen dan in Blokzijl het geval zou zijn geweest.

Het einde van de negotieschipperij kan ons, gezien tegen de algemene achtergrond, niet verbazen: deze vorm van bestaan had zijn tijd gehad. Wat ons veeleer verbaast is het plotselinge einde van de maritimiteit van het stadje, of juister gezegd, van de maritieme activiteit van de vele schippersgeslachten.

Van sommige onder hen staat de zeevarendheid op zijn minst voor vier of vijf generaties vast: vijf voor Poorter, Nekeman, Engelsman, Pieter Buis, en Visser, ten minste vier voor Snoek, Buisman, Keur en Keuter, en voor Mastebroek, Spits, van der Velde en de Jonge. Waarom verdwijnen zij stuk voor stuk van het water? Het antwoord hierop houdt mijns inziens verband met de aard van hun maritiem bestaan.

Hoewel zij mattenschippers worden genoemd, schippers dus gekenmerkt door een bepaald soort handel, zijn ze toch vooral en in de eerste plaats varende kooplieden, weliswaar wonend aan boord van hun schepen en ligplaats kiezend in eigen of vreemde haven, eerder dan zwalkers op het woelige water. Hun scheepjes waren daarvoor ook te veel „maar spanen doosjes".

Hoezeer zij verschilden van beurt- of waterschipper toont ons een eenvoudige vergelijking. De beurtschipper maakte in het algemeen de lange oversteek tweemaal per week, zodat hij ruwweg twee zevende deel van het jaar, dat is honderd dagen, op het wijde water was. In die tijd zal hij in totaal tien a twaalfduizend km. buitengaats gevaren hebben.

Zo ook de waterschipper. Aannemende dat hij eens per week zout water laadde en eens per maand naar de Zuidwal voer, valt hij in dezelfde orde van bevarenheid. De mattenschipper daarentegen is een veel minder bevaren man. Zelfs wanneer wij de (uit hoofde van de ligging van het mattenland) meest bevarende onder hen in ogenschouw nemen, is hij eerder amfibisch te noemen dan maritiem. Bezien we immers het schippersjaar van Pieter IV Poorter, dan legt hij niet meer dan de volgende zeetrajecten af:

4 x Blokzijl - Harderwijk (of omgekeerd)
4 x Lemmer - Harderwijk (of omgekeerd)
1 x Harderwijk - Kolhorn
1 x Kolhorn - Blokzijl
2 x Elburg - Harderwijk
1 x Ketelmond - Lemmer
1 x Lemmer - Blokzijl

Het Mattenjachtje van Pieter Poorter voor de Zuiderkaai te Blokzijl.

Al met al zijn dit hooguit veertien oversteken met een gezamenlijke vaarlengte op open water van nauwelijks meer, dan duizend a twaalfhonderd km. Veertien dagen op zee in een heel jaar is niet veel, noch in absolute zin, noch ook in vergelijking tot de honderd dagen van broer, neef of verre verwant die op de beurtman voer.

De waardering van de beurtschipper voor de balkenjager ten Napel („hij wou nooit liggen") is zo naast die van de mattenschipper („een woeste zeiler") zeer wel te begrijpen, evenzeer als de bijnaam van „Oude Waterleeuw", die door de mattenschippers aan Frans I, de vroegere waterschipper, nog op zijn oude dag in het gilde werd gegeven.

En ook de wat denigrerende constatering dat de mattenjachtjes maar „spanen doosjes" waren, komt ons nu uit de mond van bevarende schippers niet zo vreemd meer voor. Geen wonder dan ook dat de beurtschipper aan het gilde het tienvoudige betaalde van de contributie van de mattenschipper.

Onze aanvankelijke verbazing was dus niet zeer terecht. Blokzijl was inderdaad een schippersstadje, maar het werd tegelijk gekenmerkt door wat in meer dan één zin kan worden verstaan als: maritimiteit in miniatuur. Het schippersgilde, dat in de eerste plaats reddingsmaatschappij was geweest uit ijs en storm, had in deze gemeenschap dan ook op de duur geen plaats meer.

Op één der allereerste vergaderingen in de uitgaande eeuw wordt dit mede als argument voor de opheffing aangevoerd, met de woorden: „ . . . dat de meeste der thans bestaande leden zeer waarschijnlijk nimmer in het ijs zouden komen, daar een gedeelte in de binnenwateren voer (waar het ijs dus geen ramp kon betekenen) en een ander deel in het geheel in het najaar niet in de vaart kwam ..." Aldus werd, op de eerste Vrouwendag van de nieuwe eeuw, het gilde opgeheven. Alleen de Poorters hadden tegengestemd.

De Zoutkeet.

Het beurtschip "Koophandel II" 1904.