Blokzijl

Het stadje Blokzijl.

Dr A. H. J. Prins.


Het stadje Blokzijl is een unieke verschijning onder de oude havens rond de Zuiderzee. In tweeërlei opzicht is er een duidelijk verschil met de andere kleine samenlevingen aan de zeekant van weleer. Ten eerste is Blokzijl een duidelijk voorbeeld van kolonisatie van overzee, van Hollanders voornamelijk, op Overijssels gebied.

En in de tweede plaats is het geen vissersplaats, maar een schippersstadje, dit geheel in tegenstelling tot het zo bekende algemene patroon. Bij beide aspecten wordt in de volgende pagina's uitvoerig stilgestaan. Over Blokzijl is weinig geschreven; over de schippers van het stadje nagenoeg niets.

Dit laatste hoeft niet te verwonderen in Nederland, waarvan een uitvoerige maritieme literatuur (in tegenstelling tot de ons omringende landen) bepaald geen sprake is. Ik was bij mijn onderzoek dan ook vrijwel geheel aangewezen op gesprekken met bejaarde informanten en op onuitgegeven, ja grotendeels ongeordende en gebrekkig bewaarde stukken, zoals o.a. het archief van de gemeente Blokzijl.

Niet alle bronnen werden evenwel aangeboord. Indien men een werkelijk diepgaande studie zou willen verrichten, zouden méér informanten moeten worden gepolst (van wie velen de leeftijd der zeer sterken reeds hebben overschreden) en méér bronnenverzamelingen worden doorzocht met name notariële en kerkelijke archieven. Zelf wilde ik evenwel volstaan met een oriënterend onderzoek, waarvan de resultaten hier zijn neergelegd. Blokzijl als Hollandse kolonie op de vreemde oostwal.

Het bestaan van een kleine voorstedelijke nederzetting op de plaats van het latere stadje ligt voor de hand - steden ontstonden doorgaans niet uit niets - en wordt ook door enkele oude berichten gesuggereerd. De oudst bekende kaart van de Zuiderzee, nl. die van Jasper Adriaansz uit 1556, geeft de naam 'Blockzijl' zonder een bijgetekende nederzetting. Een grote zijl bij 'Blockes Huis' wordt, naar het schijnt, reeds vermeld in 1438; 'tollenaars' aan 'de zijl' worden genoemd in 1518. De opbrengst van de turftol van Blokzijl moet, eerst in 1563, en dan nogmaals in 1580, dienen om de muren van Kampen te versterken.

De voormalige oude sluis, d.w.z. de later gedempte 'zijl' waaraan de stad zijn naam dus ontleent (nu het Verlaat; de huidige schutsluis is zoals we zullen zien van jonger datum) is aangelegd op kosten van het schoutambt Steenwijk en van de kerspels Kuinderdijk (noordwaarts) en Leeuwte (zuidwaarts).

Deze 'zijl' diende als afsluiting van de reeds vóór 1556 naar het zuiden verlegde monding van de Steenwijker Aa, die aanvankelijk dichter bij Blankenham, nl. bij het zgn. 'Kuipersluisje' in zee uitmondde. Het stadskwartier ten noorden van het Verlaat heet vanouds Steenwijkerkolk. De kolk zelf is op de kaart van Bleau van 1630 duidelijk aangegeven.

Misschien is het in de volksmond tevens de oudste naam van de minuscule voorstedelijke nederzetting geweest, die in wezen niet anders was dan een kleine rede met vluchthaven voor scheepjes varende op Steenwijk. Van een turftol kan in feite pas sprake zijn nadat de grote ontwikkelaar van de Noordwesthoek, de Spaanse stadhouder Aremberg ten tonele verschijnt. Zijn dood bij Heiligerlee in 1568 maakt een vroeg einde aan zijn nog maar pas begonnen werk.

Het graven van de Arembergergracht, aangevat in 1564, en bedoeld als ontsluiting van het veenland achter Vollenhove, verruimde tevens het achterland van Blokzijl. Was Blokzijl aanvankelijk een voorhaventje van Steenwijk, nu werd het vooral doorvoersluis voor turfschepen en tevens, met het uitbreken van de oorlog, invalspoort naar Drente en Noord-Overijssel.

Deze strategische ligging is aanleiding tot de snelle ontwikkeling van een ligplaats bij een kleine sluis tot een Hollands vestingstadje aan de Zuiderzee. Want, is de vóórgeschiedenis al Overijssels, de geschiedenis zélf is, zeker in de eerste honderd jaar, een Hollandse aangelegenheid, volgend op een Hollands initiatief.

Had Aremberg in 1564 het zaad gestrooid, Sonoy, de stadhouder van Prins Willem in Hollands Noorderkwartier, plukte nauwelijks twintig jaar later de vruchten. Steenwijk had in de eerste jaren van de opstand de zijde van de Prins gekozen. Het 'verraad van Rennenberg', gevolgd door het verlies van Groningen bracht dit sterke stadje in onmiddellijk gevaar.

Bij een Hollandse poging tot ontzet van de belegerde vesting werd Blokzijl als Staatse aanvoerbasis in 1581 dan ook versterkt: het werd 'vanwege de steden van West-Friesland en Noorderkwartier door de overste Sonoy tot een schans gemaakt en met soldaten van deze kwartieren bezet en verzekerd'. Steenwijk viel weliswaar in Spaanse handen, maar Blokzijl bleef Staats. In een brief van Enkhuizen uit 1594 wordt dan ook gesproken van de schans van Blokzijl als 'voorpost van West-Vrieslandt en het Noorderquartier'.

De schippers van Blokzijl worden nadien van tijd tot tijd vermeld in verband met de logistieke ondersteuning van Prins Maurits' troepenverplaatsing. De bevolking bestaat vrijwel uitsluitend uit aanhangers van de nieuwe leer, Hervormden en Doopsgezinden uit West-Friesland en Waterland, uit Vlaanderen en Danzig, naast Friezen, Fransen, Schotten en Engelsen. Bij de ordonnantie van 1589 krijgt de schans (in vele stukken de 'Vesting' of 'Forteresse' Blokzijl genoemd; stadsrechten worden pas in 1672 verworven) vanwege Zijne Excellentie (i.c. Prins Maurits) eigen jurisdictie, in 1590 een waag, wapen en zegel.

 Plattegrond van Blokzijl, Joannes Blaeu, ± 1650.

Het wordt uitdrukkelijk losgemaakt uit het rechtsgebied van de Drost van Vollenhove en afgescheiden van het staatsgebied van Ridderschap en Steden van Overijssel. Tot 1615 hebben de Staten van Holland de soevereiniteit. Daarna is de vesting twistappel en de factor tweehorig tot 1675, wanneer de jurisdictie aan Vollenhove terugvalt.

De tweehorigheid blijkt hieruit, dat Holland de soevereiniteit en de rechtspraak, maar Overijssel de inkomsten had uit de 'imposten en heffingen'. Kerkelijk werd dit als het ware weerspiegeld; Holland betaalde de traktementen van de Hervormde predikanten, maar afvaardiging van de Kerkenraad was naar de synode van Overijssel. In sociologisch opzicht is het stadje Hollands gebleven, en het antagonisme tegenover Overijssel en met name de vijandschap tegenover Volenhove is blijven bestaan. Zo moet men ook de uitdagende spreuk zien, die tot 1828 op de toen afgebroken Beurs prijkte:

„Blokzijl heeft meer schepen in getal"
„Dan Overijssel heel en al,"

Een spreuk die vooral die van Kampen wel een doorn in het oog zal zijn geweest. Met 'schepen' worden zeegaande schepen bedoeld, geen 'schuyten'. Hoeveel het er waren in het jaar waarop de zinspreuk gebeiteld werd, is niet bekend, maar in 1658, één van die incidentele jaren, waarover een gegeven bekend is, waren het er 160, wat naar mijn mening evenwel aan de hoge kant lijkt, zelfs als het uitsluitend smakschepen betreft.

Het is duidelijk, dat Blokzijl geen middeleeuws stadje is en dat een vergelijking met kleine Hanzesteden zoals Elburg mank gaat. Zoals het er nu ligt is het een Hollands waterstadje uit de 17e eeuw, waarvan de ruimtelijke ontwikkeling duidelijk kan worden afgelezen. Die ontwikkeling is begonnen met Prins Maurits en is onder de stadhouder-koning afgesloten. Sindsdien is er niet veel veranderd, ook al dateren de meeste huizen die er nu staan uit later tijd.

De bekende plattegrond van Pauw van 1823 is tevens de plattegrond van Blaeu van 1650, maar ook nog die van nu. De beide oude kwartieren liggen binnendijks van de oude Steenwijker zeedijk, d.w.z. de route die nog door het doorgaand verkeer gevolgd wordt (Kuinderstraat, Bierkaai, Zeedijk, Brouwerstraat, Zuiderstraat) en wel aan weerszijden van het Oude Verlaat aan de mond van de Steenwijker Aa, waar ook de in 1589 genoemde en door Blaeu weergegeven 'oude kolk' en 'rede' gezocht moeten worden.

Oud-Zuid, begrensd door de Domineeswal, is het oude 'Hollandse' stadscentrum met de kolossale Hervormde Kerk uit 1609 en, naast de toren, het nu gerestaureerde 'oude stadhuis'. De plattegrond van dit stadsdeel verraadt nog de vorm van de schans van Sonoy. Oud-Noord, achter de Bierkaai en bezijden de 'Oude Kolk', was de andere, kennelijk wat inferieure stadshelft, misschien vooral door Overijssels volk en door 'vreemden' bewoond.

PLATTEGROND VAN BLOKZIJL, naar A. H. J. Prins: Prestedelijke kernschans van Sonoy -1 2 3 Successieve mondingen van de Aa - 4 Doorgraving van de Rietvink - Omvang van de vesting van 1621 - (streepjes)Zeedijk - 5 Verlaat 6 (Nieuwe) Sluis - 7 Sas - 8 Kolk - 9 Huidige Sluisingang.

Hier stond de Doopsgezinde Kerk der 'Danzigers' en 'oude Vlamingen'. Was er al ruimtelijk apartheid, van onverdraagzaamheid was geen sprake: de Doopsgezinden begroeven in de Hervormde Kerk en in diezelfde Kerk is een gedenksteen van een Doperse predikant.

Deze beperkte omvang van de schans Blokzijl, binnen de wallen van Sonoy, met daar tegenover de wijk rond de 'oude kolk' duurde tot 1621, toen Noord-Holland besloot Blokzijl tot een moderne vesting 'uit te leggen' en een diepe zeehaven 'uit te palen'. Kennelijk gingen hier de eisen van wateren van vesting bouwkunde hand in hand.

De riviermond werd opnieuw zuidwaarts verlegd door het doorgraven van de Rietvink pal achter de stad, waardoor deze landtong tot eiland werd. Het Verlaat raakte buiten gebruik en werd later gedempt. Een nieuwe schutsluis groef men bezuiden Oud- Zuid, ± 100 meter meer landinwaarts dan de tegenwoordige sluis. Uiteraard moest de nieuwe monding binnen de vestingwal komen te liggen, zodat Nieuw-Zuid binnendijks wel uit deze jaren moet stammen.

In ieder geval kwam de uitleg buitendijks op aangeslibd land in deze tijd tot stand, opgehoogd met grond, gebaggerd uit de nu ontstane havenkom, die de argeloze bezoeker van vandaag zou doen denken dat het stadje rondom de kom ontworpen zou zijn in plaats van binnendijks gegroeid. Nieuw- Noord, geheel buitendijks gelegen, noch Nieuw-Zuid achter de Zuiderkaai hebben ooit echtsteedse allure gekregen.

De beide hier gebouwde Doopsgezinde Kerken („Het Lam" van de Nieuwe Vlamingen in Nieuw Zuidbinnendijks in de Breestraat en „De Zon" van de Verenigde Vlamingers en Waterlanders aan de Noorderkaai) zijn nauwelijks opvallend en het tegenwoordige stadhuis dicht bij „De Zon" was aanvankelijk een eenvoudig kantoor van de Directeuren van het Scheepsdiep.

Sommige gegevens betreffende de uitleg zijn bewaard gebleven: de nieuw ontstane havenkom mat 88 tot 92 roeden in de lengte, terwijl de ravelijnen buitendijks een totale lengte hadden van 448 roeden. Het scheepsdiep strekte zich aanvankelijk een kwartier gaans zeewaarts uit, gemeten vanaf de vloeddeuren (het „sas" en niet te verwarren met de sluis) aan de haveningang, maar moest in 1661 verder worden uitgepaald.

Op de Noorderwal aan de vestinggracht lag de lijnbaan; buiten de wallen aan de overzij van het Noorderdiep de kalkoven. Iets verder oostwaarts aan de z.g. Valsche Trog lagen de traankokerijen op een stuk land, dat nog 'traannest' heet. De zoutziederij lag in Nieuw-Zuid, aan het eind van de Zuiderkaai. De houtzaagmolen lag buiten de Zuidergracht, niet ver van de Rietvink, waar ook het houtstek lag en de scheepswerf. Drie andere molens stonden op Plan No. 17 drie van de punten van de zespuntige ster der ravelijnen.

Lijnentekening van een „Blokzijlder Yacht" van W. K. Versteeg.

Een groot aantal ambachtelijke takken van nijverheid lagen over de stad verspreid. Blokzijl is altijd een kleine gemeenschap geweest: het hoogste inwonertal (voor zover geregistreerd; dit is een ernstig voorbehoud) is 1821 zielen (in 1853), van wie 1700 protestant (1300 Hervormd, 400 Doopsgezind) en 9 Rooms Katholiek, terwijl er ruim 100 joden waren.

De getalsverhoudingen voor 1815 liggen, op 1618 inwoners, nog duidelijker in het voordeel van de Hervormden. In het bestuur van de stad wordt het onderscheid weerspiegeld, dat stilzwijgend bekend werd verondersteld. Bij de bestuurshervorming van 1686 wordt gesteld, dat de stad geregeerd zal worden door 'negenmannen', t.w. 3 burgemeesters, 3 scheepsgildenmeesters en 3 menisten, alle gekozen uit een college van 21 electorabele 'meentsluyden', dit laatste trouwens al sinds de ordonnantie van 1589.

Hoewel de 'menisten' dus wel tot ambten verkiesbaar waren, konden zij blijkbaar niet tot gildenmeester van de schippers opklimmen; in 1692 beklagen zij zich over de achterstelling, terwijl zij toch, zo zeggen ze, „de meeste zijn, die het veer met schepen onderhouden" en velen van hen als geldschieter bijsprongen. Namen van oude menistenfamilies die in de archieven telkens opnieuw voorkomen zijn bij de Waterlanders: Mastenbroek, Visser, Stuurman, Jonge- jans; bij de Vlamingen: Loos, de Liefde, Spijker, Ragger en Buys.

Inderdaad vindt men hun namen niet in de 'verschanste posities', die kennelijk aan Hervormden werden voorbehouden. Namen van 17e eeuwse scheepsgildenmeesters zijn Vos en Bastiaans, Boer, Benjamins en Kuyper, Schuurink en Wakker, alle namen, die in de 19e eeuw trouwens verdwenen zijn.

Wel was sinds 1675 één der directeuren van het Scheepsdiep een Mennoniet. Schijnt verdraagzaamheid één kenmerk te zijn van deze kleine maritieme maatschappij, een andere die ermee verband houdt is de openheid tegenover vreemden.

Niet alleen het groot aantal Joden wijst op een open gemeenschap, hetzelfde doet het voortdurend opdoemen van nieuwe familienamen in de archiefstukken, namen die gewoonlijk wijzen op immigratie van overzee, hoewel soms Saksische namen uit het Overijsselse achterland voorkomen.

De trouwboeken (behouden van 1767 tot 1795) schijnen deze openheid te bevestigen. Van de vijftig huwelijken uit die periode betreffen er slechts 29 verbintenissen tussen Blokzijlers onderling; bij de 21 andere zijn partners 'uit den vreemde' betrokken.

Case studies leveren eenzelfde beeld, waarbij als enige endogaam criterium optreedt, dat de connubia niet uitsluitend het stadje (16 van de 24 wèl, 8 niet locaal endogaam), maar wèl de stand (negotieschippers en neringdoenden als 'één soort volk') optreedt (binnen Blokzijl huwt de schippersfamilie Poorter met zeevarende geslachten als Nekeman, Schuurman, Pees, Spijker, Buisman, Engelsman, de Liefde, de Jonge, Fhaner, Noback en Snoek).

Herkomst in de zin van Vlaams, Fries of Hollands was daarbij geen huwelijksbeletsel, evenmin als Hervormd of niet-hervormd (i.c. Doopsgezind). Er is geen bepaalde reden om aan te nemen, dat voor de andere maritieme geslachten deze regels anders zouden hebben gelegen.

Blokzijl als maritieme maatschappij. De maritieme inslag van Blokzijl vindt al vroeg uitdrukking in geschreven bronnen, waarvan de acte van 1589, waarbij Johan Sloet Drost van het Land van Vollenhove en Kastelein van de Heerlijkheid Kuinre het Oude Schippersgilde instelt, een van de oudste is. Zie ook: Het geslacht Sloet

Dit was enkele maanden vóór de soevereiniteit overdracht aan Holland, en het stuk is vermoedelijk één van de laatste Vollenhovense stukken betreffende 'den Blocksijll'. Het is des te merkwaardiger, dat Prins Maurits als stadhouder van Holland pas in 1609 het octrooi in kwestie bevestigt. Uit de bewoordingen blijkt, dat het hier om vrachtschippers gaat, die op een schippersbeurs en volgens vaste regels dingen naar het vervoer van koopmansgoederen.

Het gaat hier dus om vrachtschippers, in functie wèl te onderscheiden van de negotieschippers op hun 'schepen met eigen handel' van de 19e eeuw. De bloeitijd van dit 'grootschippers gilde' ligt in de Gouden Eeuw. Het verval in de 18e eeuw blijkt uit het verschil in aantallen grote schepen met Blokzijl als thuishaven (160 in 1658 tegen 39 in 1720).

Het kramers- of winkeliers gilde van 1644 regardeerde daarentegen de (toen nog weinige?) negotieschippers, wier opkomst, als zg. mattenschippers evenwel pas van de 18e eeuw dateert. De mattenexport wordt in 1701 voor het eerst genoemd en het (nieuwe) schippersgilde telt bij de oprichting in 1775 bijna vijftig leden. Van het Grootschippers gilde was de Prins beschermheer; een door hem in 1609 of 1610(?) geschonken drinkhoorn is helaas verloren gegaan.

Van een zilveren votiefscheepje dat het gilde terzelfder tijd in de Kerk had doen ophangen moet hetzelfde worden geconstateerd: de Munstersen roofden het in 1672 en hingen het op, naar men zegt, in één van hun eigen kerken.

Twee andere oude stukken dateren van 1593; het ene is een octrooi van Prins Maurits over turfschepen; het andere") betreft de kleuren van de scheepsvleugels van top, die krachtens eerder decreet uitsluitend 'blauwwitgeel en zwart' mochten zijn en niet 'door moedwil en dartelheid, vermetelijk en tot verachting van haarzelfs wapen' van oranje, rood of groen.

De Kolk, Blokzijl.

Naast de 'grootschippers' en de turfschippers waren er in de Gouden Eeuw nog de walvisvaarders. Dit blijkt althans uit een resolutie van Steden en Ridderschap d.d. 6 april 1660, waarin de Groenlandsche Compagnie te Blokzijl exceptie van tolgeld wordt verleend.

Of deze bedrijvigheid veel heeft betekend waag ik trouwens te betwijfelen: het stadje hoorde zeker niet tot de bekende havens en wordt in Hollandse stukken niet genoemd. Is het aldus geschetste beeld van de eerste eeuwen van maritimiteit al wel heel summier, anders wordt het voor de jaren na 1775, het jaar waarin het nieuwe schippersgilde werd opgericht.

Vooral na de vestiging van het Koninkrijk worden de gegevens allengs ruimer en wordt het mogelijk een gedegener beeld van het schippersstadje te krijgen. De staatsregeling van 1798 had alle gilden afgeschaft, maar een door Lodewijk Napoleon in 1807 gegeven wet stond wederoprichting toe; de economische werkzaamheid verbleekte echter snel.

De 'grote geschiedenis' is trouwens aan het stadje voorbijgegaan. De rekeningen lopen tussen 1798 en 1807 door, alsof er niets gebeurd is. dadelijk maakt, namelijk één van achteruitgang en nauwelijks te keren verval.

Men hoede zich hierbij evenwel voor vergelijkingen met andere, grotere koopsteden of -stadjes zoals Veere of Zierikzee, Harlingen, Harderwijk of Enkhuizen, óók niet in kwantitatieve zin, want, mocht Blokzijl ooit méér dan 2000 inwoners hebben gehad, dan zou mij dat zeer verbazen.

Mocht het al waar zijn, dat het stadje een echte bloeitijd gehad heeft, zoals sommige bronnen suggereren, dan nog zal het welvaart op kleine schaal geweest moeten zijn. Hoe het ook zij, een dergelijke bescheiden welvaart schijnt nog in 1879 geheerst te hebben wanneer de gemeenteverslagen, in karige bewoordingen en vol met lacunes, beginnen te vertellen.

De bevolking bestaat dan uit 1630 zielen. Er varen zeilbeurtschepen op Amsterdam, Zwolle, Kampen, Steenwijk en Meppel, terwijl een stoomboot een dagelijkse dienst onderhoudt op Steenwijk, Meppel en Zwolle. Hoewel er in het gemeenteverslag niets(!) gezegd wordt over de mattenschippers, is er toch ook en vooral hun maritieme bedrijvigheid geweest. Dit blijkt nl. uit de gilde stukken en bijvoorbeeld ook uit de kohieren van de personele belasting over 1876: van de 238 belastingplichtigen (op 1634 zielen) wonen 36 gezinshoofden (of ruwweg 159? ') „aan scheepsboord".

Enkele jaren tevoren, in 1868, toen de bevolking nog 1769 zielen bedroeg, waren dit er op de 215 belastingschuldigen 34 geweest, een vrijwel gelijk percentage (169?). Helaas wordt na 1880 de vermelding „aan scheepsboord" maar éénmaal aangetroffen, nl. in 1902.

In het jaar 1880 wonen evenwel van de 244 aangeslagene (op 1635 zielen) liefst 56 gezinshoofden (229r) niet aan de wal, maar aan boord van het schip! Dit is een hoogtepunt. Twee-en-twintig jaar later, in 1902, is het inwonertal sterk achteruitgegaan: Blokzijl telt dan nog slechts 1398 inwoners, van wie er 206 belastingplichtig zijn. Niet meer dan 16 van hen, of nauwelijks 19, verblijven dan evenwel nog „aan scheepsboord".

Dit hoeft niet automatisch een achteruitgang in de eigen steedse scheepvaart te betekenen, want een mogelijk wat gestegen welvaart onder de schippers (en een daling van prijzen van onroerend goed in een ontvolkende stad!) kan velen ertoe gebracht hebben een huisje te kopen en aan de wal te gaan wonen; iets wat vele schippers op latere leeftijd trouwens deden. Maar toch geeft het te denken. Laten wij daarom eens zien, of er voor het verloop en de mate van maritimiteit ook andere gegevens zijn.

De gemeenteverslagen zijn ongetwijfeld geen zeer accurate bronnen; veel van wat te vermelden zou zijn geweest is weggelaten. De wet op de gemeenteverslagen is van 1851, maar in Blokzijl zelf zijn geen oudere verslagen te vinden dan 1879.

Er zijn evenwel jaren, waarin een klerk zich blijkbaar moeite heeft gegeven wat details te vermelden. Behalve een monotoon-herhaald „visscherij is van weinig betekenis; wordt met punters bedreven" (vanaf 1886) of: „visscherij: niet van toepassing" (in de voorgaande jaren) en een volledig ontbreken van enige vermelding van de oude scheepswerf vóór 't jaar 1917(1), is er om de zoveel jaar een opgave van het aantal schepen boven de 10 ton (de grens voor de zeepunters), dat ter stede thuishoort.

Zo telt Blokzijl in 1881 liefst 76 schepen; in 1886 zijn dit er zelfs 78. Maar in 1891 is hun aantal geslonken tot 61 en in 1895 tot 32. De neergang is blijkbaar plotseling versneld: in vier jaar is de vloot bijkans gehalveerd. In 1901 is het aantal nog verder gedaald, en wel tot 26. In 1906 zijn er nog 24 over; in 1909 zijn het er niet meer dan 13 .

Daarna zwijgt het jaarlijks verslag. Het laatste, dat over 1917, vermeldt nog slechts twaalf punters ter visserij; ook de stoomboten zijn verdwenen. Het laatste beurtschip heeft de klerk over het hoofd gezien.

Bierkade, Blokzijl