Home » Historie-Friesland » Plaatsen rond de Zuiderzee » Het Levensboek Van Jan Goos, uit Enkhuizen

Het Levensboek Van Jan Goos, uit Enkhuizen

Door: K. Boonenburg.


spanvis-10.jpg

Jan Goos

Zuider Havendijk te Enkhuizen. Niet veel veranderd sinds de dagen van Jan Goos, alleen de bomen aan het water zijn verjongd.

Jan Goos is de naam van een Enkhuizer visser, die in 1877 werd geboren en in 1950 overleed. Toen hij zestig jaar oud was, overviel hem de onbedwingbare behoefte, alles, wat hij in zijn leven had meegemaakt, op te schrijven. Dit was voor hem geen geringe opgave, want hij was de schrijfkunst nauwelijks meester, hetgeen begrijpelijk is, als men bedenkt, dat Goos op negenjarige leeftijd de schoolbank reeds verwisselde voor de doft van een botvlet!

Zijn geheugen moet zo scherp zijn geweest, dat het hem telkens weer vervulde met heldere herinneringsbeelden, vooral uit zijn kinderjaren. Om dit af te reageren zou hij „Het Boek", zoals hij het noemt, geschreven kunnen hebben, dus om vrede te kunnen hebben met zijn eigen verleden. Ik geloof nl. niet, dat Goos ooit het idee heeft gehad, zijn werk eenmaal gepubliceerd te zien.

Op zijn negende jaar stapte hij met de ouderen mee aan boord, nadat hij op school al vaak verzuimd had, omdat hij bij een buurman bijverdiende met werk aan de netten... 'Medelijden voor kinderen op zee, nee, dat bestond niet, noch op de schuit, noch op de logger; nergens! Kinderen — toen — op zee, dat was nog minder dan rotte kool bij een groenteboer!' schrijft Goos en hij herinnert zich:

We woonden in een klein huisje waar twee kleine kamertjes in waren en een lang en smal keukentje. Langs de muur stond een lange smalle kast met twee deurtjes erin. Daar stond altijd het eten op te stoven. Moeder had toen ook nog een haard, die altijd gestookt werd met eikenhakhout en korte turf. Op het kastje stonden altijd twee of drie rode stenen komforen met dove-kolen er in. Op de komforen kool en de vetpan.

Wij jongens onder elkander speelden in die botvletten. Wij sprongen van de een in de ander en dat ging steeds vlugger. Dat geschommel vonden we leuk. Plotseling kwam vader op ons af. „Kom uit die vlet! Wat doe je in een ander zijn goed? Kom hier zeg ik je!" Ik nam een grote sprong uit de vlet en kwam niet toe, raakte te water en in de prut. Ik werd opgepakt en in de taanderij gegooid, nat en smerig als ik was.

Het was die dag nogal warm geweest en na een half uurtje hoorde ik het donderen en lichten. Ik dacht, dat ze me nu wel zouden komen halen, maar nee, ze lieten me in dat nare donkere pakhuis alleen, en dat met zulk weer. Groter angst heb ik in mijn hele leven niet meer doorgemaakt.

Toen de donderbui over was, haalde iemand het houtje uit de kram. De deur viel open. Toen stond ik nog in twijfel of ik er wel uit zou gaan. Wij kinderen werden in die tijd altijd erg gauw bang gemaakt. Het stonk verschrikkelijk in dat pakhuis naar taan, eik, smerige rook en schimmel. ,,Ga nu naar huis jongen", zeiden de mensen die naast de taanderij woonden. Ik durfde niet. Even later kwam oom Jacob en die nam me mee.

Thuis zei moeder niets. Ik moest me in de keuken uitkleden, werd afgewassen en moest zo naar bed. Zonder eten of drinken in de koffer. Ik zie vader nog staan, met zijn bruine stenen melkkan vol verse haring in de hand. Moeder vertelde hem wat er gebeurd was. Vader draaide zich om en keek mij met een paar grote ogen aan. Ik dacht: och Heer, zou ik nu wéér een pak slaag krijgen? "Maar gelukkig zei moeder direct: „Sla hem maar niet, want zijn kont is al blauw!"

Toen ik op school kwam, vroeg meester: „Waar was je gistermorgen? Waarom ben je niet op school gekomen? "Ik was niet goed, meester". „Zo, maar 's middags hebben ze je toch gezien. Toen was je zeker weer beter!" „Een beetje wel". „Ja, het is me al gezegd dat je bij Mol aan 't werk was. Wat doe je daar?" „Azen en spleten " „Zo, verdienen voor je moeder". „Ja meester". „Vergeet je school niet, jongen. Want daar zal je later om denken".

Jongens aan het ‘hoekwant spleten’, tekening van W.B. Tholen.

„Nou jongen waar kom je vandaan? Zeker weer bij buurman Mol? „Ja moeder". "Hoe laat ben je dan wel de deur uitgegaan? Eet je brood op, dan kan je naar school". Het leek wel of ik op school geen goed kon doen. Als ik niet moest schoolblijven was dat een bijzonderheid.

Op een keer ging de school uit. „Goos, eerst je honderd regels maken. Dan mag je gaan". Ik moest me ordelijk gedragen, en dat honderd maal. Toen ik ze klaar had: geen meester te zien. De achterdeur was los: ik zette een bank bij de muur en klom er overheen. Daar kom ik meester tegen. „Hoe kom jij uit school?" „Over de muur meester". „Ik had je vergeten jongen. Hier heb je twee centen, dan kan je een broodje kopen. Je mocht soms geen eten krijgen. Zeg maar niets. Ik zal voortaan niet zo krek kijken".

Het weer werd slechter, en het begon te regenen. We hielden op met zeilen en gingen op huis aan. „Zo jongen, ben je nu bang voor dat beetje regen?" zei moeder. „Welnee moeder, ik breng het schip alleen maar thuis". Daarop de deur weer uit. Het begon nog harder te regenen. Toen ik flink nat was ging ik weer naar huis. „Zo zeun, ben je nu nat genoeg?" „Dat weet ik niet, moeder". „Als je nog niet nat genoeg bent, ga je nog maar wat in de regen lopen". „Moeder, als ik niet thuis mag wezen, dan ga ik maar weer". „Wel ja jongen, zo nat ben je nog niet". Ik dacht: ik krijg ook geen eten. Ik ging naar opoe toe.

Opoe zei: „Zeun, neem een stuk want, leg het op de stoel en leer het zelf. Dat is veel beter. Doe je het een paar maal verkeerd, dan snij je het er maar weer uit en dan kijk je maar weer eens hoe het moet. Nu moet je proberen om te boeten met je mesje in je handen, dan hoef je er niet telkens naar te zoeken". Dat was ook zo eenvoudig niet, want die kaakmesjes zijn nogal dik van heft om in je handen te houden.

„Waar is een stoel, opoe?" „Boven staat nog wel een boerstoel". „Wat voor knoppen zitten daaraan?" „Ja, die dienen om de boetlatten aan vast te maken". „Maar die horen toch aan zo'n stoel?" „Ja zeker zeun".

In twee dagen kon ik boeten. 's Avonds zat ik naast oom Jacob en samen boetten we aan een net. Zo'n haringnet was een zwaar net, met dikke simmens) waar veel lood aan zat, en grote kurken van vijftien centimeter in het vierkant. De simmen waren zo dik dat je er met ruw weer een vissersschuit aan kon optrekken. De mazen waren heel fijn; twaalf en een halve maas op een voet.

Dan waren er nog grote hennepmazen, de zogenaamde ladderingen, van een voet wijdte. Deze ladderingen moesten het fijne net met de haring en de onder- en bovensim kunnen houden. Het hennepwant was zeven voet diep; het fijne linnen want was twaalf voet diep. Het was voor mij nog niet zo gemakkelijk te bewerken.

Als de haringnetten uit zee kwamen, werden ze schoongemaakt en aan de droogstokken gehangen. Als het niet al te best drogen wilde, werden ze mee naar huis genomen wanneer ze winddroog waren. Dan gingen die netten twee aan twee aan een touw door een gat naar de zolder. Daar werden ze naar boven getrokken vlak boven en opzij van de kachel. Dat was een mooi gezicht. Als die bovensimmen niet een beetje droog waren was 't geen doen.

Het water moest ook uit de kurken gedroogd worden. Als de netten wat droogden was 't een grote stofboel, want ze werden voortdurend bewerkt, op en neer aan de zolder, en over en weer op de boetstoel. Zaterdags moest alles uitgezeept worden. Het was ,,een grote troep" en geen verdienste". Opoe was altijd maar blij als de teelt achter de rug was.

Toen vroeg ik aan opoe, of ik mijn potje mee mocht nemen, met het geld dat ik met nettenboeten had verdiend. "Wat potje bedoel je jongen?", zei opoe. „Wat ik verdiende met boeten dat zou toch in een potje gaan?" „Dat heeft je vader al meegenomen. Hij zou wat voor je kopen geloof ik". Meteen liep ze naar achter toe. Toen hoorde ik dat ze zei: „Och here, jongen!"

Ik nam toen afscheid van de boetclub en ging naar moeder, om eens te zien hoeveel ik wel verdiend had. Ik vroeg aan moeder waarom vader mijn potje nu eigenlijk meegenomen had. "Nou jongen is dat zo erg, het staat op het kastje". "Ik zie geen potje moeder". „Dan is het zeker omgevallen". „Er ligt toch nergens wat". „Zeun, moeder zal het je wel zeggen. Moeder heeft er zaterdag eten voor gekocht, anders had je zondag niets gehad". „Zo erg moeder?" „Ja kind, waar het heen moet, ik weet het niet", ik zag dat moeder de punt van haar boezel nam en haar ogen afveegde.

Hij vertelt van de keer dat zijn spaarpot weg was: opgebruikt in het huishouden; een huilende moeder. Verder: van de keer dat de vangst was meegevallen en een zusje maar niet kan geloven dat ze nu een half pond suiker mag halen in plaats van de gebruikelijke anderhalf ons. En het gebeurde dat hij voor 't eerst meer geld dan zijn vader binnenbracht en zo dom was dit hardop te zeggen; er zwaaide wat!

'Als vader varen was dan sliepen wij onder in een kast. Daar konden wij met ons zessen in slapen: drie eerste rang en drie tweede rang. En drie in de keuken: Alles ging best!'

'Als het winter was en wij aan 't vissen waren, dan zag je iedere week de was van moeder kruislings door de kamer hangen. Bovendien nog aan elke kant van de kachel twee bossen netten met een omvang van twee meter. Daar zwierven wij dan met ons vijftienen (later zeventienen) onderdoor. Maar dan was het kamertje ook vol. En alles ging zijn gewone gang. Zo maar.'

9f05ec7ced7a42eabba29f97ca992830.jpg

Toen ik uit school kwam, zag ik dat de stokken een stuk achter uit staken, over de schuit heen. De netten lagen op de kant van het boord. De gestropte stenen lagen netjes op elkaar gestapeld. Zo konden ze achter elkaar in zee vallen, met de netten er aan. „Hoeveel netten heeft U nu vastzitten ,vader?" „Drie repen van zes netten, Jan". Het zeil ging weer omhoog.

Er werd met man en macht aan het ankertouw getrokken, net zo lang tot hij „op en neer" stond. „Los maar", riep vader, en de schuit viel vol. De fok erbij en dan ging 't met volle gang. Zo hard als 't kon ging ook het viswant uit de schuit. Want het want moest dwarsstrooms staan wanneer het eenmaal het schip verlaten had. Toen het lange ankertouw bijna stijf kwam riep de reepschieter met een grote schreeuw: „Vallen!" en het anker plonsde in zee.

Dat anker staat dan al klaar; buitenboord op het berghout. De ankerman behoeft alleen maar een duw te geven. Direct daarop volgt dan het joon, dat op het anker vastzit. Ik keek er erg van op dat alles zo hard ging. Netten binnenhalen. „Die twee vlaggen met dat stukje vlag erbij, dat is ons „alderwest". "De stok is de west van de oost" . „Ja", zei Piet. „Hou jij je stil jongen!" „Hoor je dat nu zeun; wij mogen niets zeggen". Fok maar neer. Flap, daar lag hij al.

Gerrit stond al klaar om de stok met een haak naar zich toe te trekken. De stok in de zij. Het touw, waar het anker aan vast moest zitten, kwam stijf. „Houwen jongens! Licht is-ie!" riep Gerrit met een harde stem. Spoedig kwam het zware anker tegen de bolder. Het werd vlug scheep getild en aan de lijkant op het boord gezet. Toen werd vlug het ankertouw ingehaald waar de netten aan zaten. „Haringgeluk!", riep Simon. „Mooie haring!" Toen er een paar netten binnenboord waren moest het zeil neer. Wat sprongen die levende harinkjes in de netten! Het was een pracht om te zien. De enkele die er uit vielen lagen te spartelen op de plecht.

De zes netten, die scheep gehaald werden, werden in drieën verdeeld om leeg te maken. Vader met oom Klaas zaten achterin, Piet en ik in het midden en Gerrit en Simon op de plecht. Steeds moest het mandje geledigd worden in de achterbun. In deze reep zat een „tal" of zes haring. Met een goed half uur waren de netten leeg. De reep werd weer op de kant van het boord klaargelegd om in zee te doen. Er zat best haring in! De mannen stonden dansende de netten binnen te halen, want er was vraag naar haring.

Toen alle netten leeg waren en weer in zee stonden, werd het schuitje mooi schoon gemaakt. Ouwe Rob smeerde wat schubben op mijn klompen. „Laat jij maar zien dat we haring gevangen hebben". Vader stond lachend aan het roer. De haring stond gelijk met het water in de achterbun. „Dat valt er lelijk in, jongens", zeiden ze aan de buitenkant. „Nu is er een enkele haring in zee en nu wordt het nog winter!" Een week later werd een vlet op de sleperswagen geladen en naar Andijk gereden om te proberen of ze daarmede de netten uit zee konden halen. Met dubbel volk gingen ze er op af.

Ik hoorde later zeggen: als die ankers maar niet zo zwaar waren. Zo'n anker van 40 kilo uit de grond trekken en dat op het ijs, dat viel niet mee. Iedere keer brak het ijs af. Eén reep want, hebben ze kunnen meenemen. De ankers waren naar elkaar toe gekomen en het net lag op een hoop, los op de bodem. Dat net hebben ze met grote moeite in de vlet gekregen. Toen werd de zaak opgegeven. Met de vlet terug over het ijs ging nogal gemakkelijk. Maar toen „bij de dijk op", dat was nogal een haal. Toen moest de vlet nog op de wagen. Daartoe moesten eerst weer de zware netten uit de vlet en toen de vlet op de wagen stond konden de netten er weer in. Toen we thuis kwamen waren we stijf van de kou.

Het was een beste dooi en het duurde niet lang, of de repers gingen met de schotsen noord op, het gat uit. Het was wel een toer om de netten in zee te krijgen, zo tussen de schotsen. Er moest gewacht worden op stil water. Dan kreeg ieder zijn netten in zee. Met de vloed moest ieder weer zien dat hij de haven „weer kreeg". Er moest altijd gewacht worden op de achtervloed, dan bestond er meestal de beste kans om in de haven te komen. "Nou zeun", zei tante, „als de netten onder het ijs vandaan mogen komen, dan hebben wij het slechtste pak. Wat mij betreft wou ik maar dat ze aan en op de zolder lagen. Jongen, de robben zitten steeds bij de netten, en die trekken de haring er uit. Zodat er geen heels meer aan de netten overschiet. Tante heeft dat al meer meegemaakt. Dan staan we er mooi op!"

De losse beug 'inbakken' en in de bakken opschieten. Het zeewater, dat daar vanaf spatte op hand en polsmoffen, werd allemaal ijs. Op 't laatst kon ik het niet meer uithouden. Ik stond te stampvoeten van de koude handen; er was geen warmte in te slaan! 'Jongen, wacht,' zei grootvader, 'leg je handen even tussen mijn wanten.' De 'schrepigheid' van dat baai deed me nog meer pijn.

Mijn lieve oom, die in de zij stond te zweten van het trekken aan de beug, zei: 'Verdomd mensen! Hij verdomt het. Als het er een van mij was sloeg ik hem met de knook op zijn verdommenis!' Ja, dat was mijn oom dan weer. 'Nou,' zei opa, 'maak het een beetje.'

Ondertussen hielp opa een beetje met het binnentrekken van het want. 'Zeun, probeer nog eens,' zei hij dan. 'Nog even, dan is de beug scheep.' Toen was ik twaalf jaar. Het was in 't jaar van 1889—1890; die strenge winter was toen juist begonnen.

Het brood werd voor de dag gehaald en „altemet" ging de kruik met water rond, om het brood naar beneden te werken. Ieder had zijn brood in een rode zakdoek. „Jongen", zei de oude Mol, „waar is jouw brood?" „De bakker had vergeten te brengen".

„Nee, daar zal wel wat anders achter zitten. Nou, hier heb je van mij een stuk brood. Ik lust toch niet alles". Even later zei Van Krachten: „Hier zeun, nog een stukje". Water had ik niet nodig. Hun boterhammen smaakten geweldig; ze waren zó gevlogen. Eerst durfde ik niet. „Eet jij gerust maar op 'oor zeun!"„Of was het koek!"

Nou zeun nu zulle we zien als de botjes er beiten wille aan je wand dat je gehaast heeft". Het schepnet pakte vader uit de zij een groote mand achter het bun, andre mantjes er om een, ik zag oom enkele tongen uit de mazen van het achter de net trekken, ik ging eens buitenboord kijken, ja wel ik zag ze ook zitte, ik zocht de tongen in de mand, die er voor klaar stond, ik kon ze haast niet vast oude, want die tongen, hebben zo'n leuke gewoonte, om bevrijd te komen, een tong heeft scherpege donkere schubbe op de rug, en nu probeert hij zijn eigen om te slaan, met de staart na zijn kop, en dan als je hem vasthout die donkere schubbe over je handen te duwen, op hoop dad je hem loslaad, ik liet hem ook eerst los, maar daar wen je gou aan want kwaat kan het niet. Vader met Piet kwammen intussen met een schep vol, daar werdt alles uitgezocht; de rommel bleef ligge en wat goede visch was werdt in de manden gedaan, van alles, wat de zee heeft, zat in dat net. etcetera.

Ik moest wat gedroogde vis dragen. Oom Klaas tilde me op de loopplank. „Jongen! je trapt op de vis!" riepen ze toen ik de loopplank afliep. Ik wilde naar omlaag kijken om het „mis te lopen" en viel van de plank in de „doop". Gelukkig tegen de wal aan en niets bezeerd, alleen wat nat. De visjes moesten afgespoeld worden. Ik zei: geef nu evengoed maar op, maar dat mocht niet. Ik moest maken dat ik thuis kwam zei vader. „Wat nou, een snoek?" zei moeder. „Ja nou, gelukkig dat het zaterdag is. Nu kan je je meteen verschonen". Ik heb het nog lang moeten horen: „Gedroogde vissnoek".

We zullen wat stenen van het keienerf halen om te gaan „stroppen". De stenen werden goed uitgezocht. Ze moesten een beetje langwerpig zijn, anders bleef de touwstrop er niet omheen zitten. De stukken touw werden voor de dag gehaald en afgesneden op een kleine vaam lengte. Dat werd dan uit elkaar gedraaid, om de steen gepast en weer in elkaar gedraaid. Een dunner touwtje voor een hangertje werd er omheen gesplitst. Daarna werd de strop met een stevige hamer om de steen geslagen. Het dunnere touwtje diende om de steen aan de loodsimmen te kunnen vastbinden.

Als het dan weer winter was ging ik zo met vader wel eens mee naar grootvader, naar de mannen luisteren. Want er werd wat afgebabbeld achter die kachel. Als het weer tijd werd om te gaan vissen moest er weer volk gehuurd worden. Dan werd er 's avonds om de kachel besproken, wie ze zouden vragen. Dan hoorde je zeggen: „Zou Piet Boei nog vrij wezen?" „Nee?" Dat is wat moois! Neem dan Simon de Poep, of Jaap van Tetman! Wat dunkt je van de Rare Kiek of Pot Eten? Ziewertje Boeboe is ook nog vrij ". Daags daarop hoorde je dan: „Nu, ik heb mijn volk. Ja, Gert van Aaltje de Sprieuw heb ik ook gevraagd".

In de eerste helft van februari hadden ze de eerste tien „tal" haringen. Die werden verkocht voor de „sloepen. Ze hadden vijftig gulden te verdelen. Dezelfde avond kwamen alle manschappen aanzetten. Elk nam een stoel en ging in de ruimte van de kamer zitten. Vader legde het geld op tafel. Dat gebeurde allemaal bij opoe thuis. „Heb jullie het gezien, mannen?

Er is twee en vijftig gulden en een paar centen. Het is het eerste geld in de vier weken. We zullen elk vijf gulden nemen. Die twee gulden doen we in het potje voor zaterdag, voor het kostgeld". „Nou Teunis, je kunt wat ons betreft al het kostgeld er wel afnemen, want het moet toch betaald worden". „We zullen hopen Gerrit, dat er nog wat bij komt van de week". „Net zoals U wilt". „Hier jongens", zei vader, „Van de tien elk vijf; vijf man elk een deel. De drie repen want elk een deel, en de schuit twee delen. Jongens, laat nou zien in 't café dat jullie wat verdiend hebben vandaag".
„Wees daar maar niet bang voor schipper". „Hoe laat morgenochtend?" „Oude klok maar hè?" „Ja, want we waren vanochtend ook nog vroeg genoeg bij de netten".

Zuiderspui bij de Bocht, te Enkhuizen.

„Ik zou het eten maar te vuur zetten".De grote ijzeren pot kwam „opperdan".De aardappelen gingen in een netje in de pot en de rog ging er boven op. Daar kwam helder zeewater bij. Dat alles zag eruit om in te bijten, zo keurig! Ik dacht bij mezelf was 't maar klaar! ,,Piet, gooi het zootje maar op". Er kwam een grote gaatjesschotel voor de dag. De vis (gekookte rog) ging aan de kanten in het rond; de aardappelen in het midden.

Daar weer middenin een kom met mosterdsaus. Toen er „een woordje in stilte gesproken was" begon eerst de baas, daarna de knecht, de jongen en de „passagier". Dat was regel bij iedereen aan boord. De vis pakte je met de hand van de grote schotel. Je zat op je knieën om de schotel heen. Er werd gesmuld. Vier mensen aten vijf kop aardappelen en acht pond vis. 's Avonds bij het brood was er weer gebakken vis. Als er 's avonds wat overgebleven is, wordt er 's nachts op de wacht ook al een visje verschalkt. Toen iedereen genoeg had was de schotel leeg.

„Jongens", zei Gerrit van Aaltje, „Het is gauw elf uur. Zouden we de man geen zeven centen doen?"
„Dat is de moeite niet waard", zei Simon. „De man een dubbeltje is ook goed. Piet, jij bent de jongste. Hier bij Meijknecht heb je goede jenever, onversneden dan maar. Er ligt een glaassie in de onderste la, haal jij dat nou, als Piet dan terugkomt is alles gereed. Er scheelt maar weinig aan of ik heb een fles vol!" „Nu, wie is de oudste?" „Gerrit! Nee Simon! Nee Sieuwert!" „Geef maar hier Piet! Eerst snakken ze er naar, en nu zal het op ruzie uitdraaien wie de eerste zal nemen! Nu jongens, dat we geen klagen mogen hebben van 't voorjaar!" „Dat we ze nog lang mogen lusten". „Als we ze maar krijgen kunnen". „Dat het jullie goed mag bekomen". Ik zag wel dat ze ze graag lustten. „Ja jongen, jij bent nog te klein voor dit lekkers", zei Piet.

Moeder vroeg aan vader: „Heb je al volk voor 't haringvissen, of is het wéér zo'n drinkersbende?" „Nou niet erger!" zei vader. „Wie lust er nu geen slokkie?" „Ja, maar de helft van je verdienste opmaken, dat gaat toch zeker wel een beetje te erg, niet?" zei moeder.

Toen ik in de kooi lag, bemerkte ik dat er een „bedroefde" lucht aan boord hing. Dat kwam door de carbolineum, de teer en de taan van de visnetten. Ik zakte toch wat af. De jongen zette een ketel water op het vuur; toen kwam het vooronder ook nog vol rook te staan. Ik ben toen onder de dekens gekropen om maar niets meer te ruiken. Het was dag geworden. Ik deed mijn broek aan, kroop onder het loef zwaard en wreef de slaap nog even uit mijn ogen. Wat een stank beneden! „Ja", zei de jongen, "het water dat in de schuit staat stinkt ook nogal wat. Moet je geen koffie?" ,,Ik niet. Ik wacht maar tot vanmiddag op thee".

Ik zakte van de wereld af en lag te rusten tussen de boekweitdoppen. 's Morgens bij dag worden hoorde ik, dat ze doende waren het net binnen te halen. Want ze sjouwden met die grote klompen op de plecht vlak boven mijn hoofd. De kooi, waar ik in lag, was een goede meter diep, en je kon liggende het dek beraken. Het schip van vader was toch maar een klein schuitje, en bijzonder klein voor de Noordzee. Het was een schokker model van ongeveer 12 meter lengte en 3 ½ meter breedte.

De hoeken kon je net buigen zoals je wilde. Het waren roodkoperen hoeken zonder weerhaak. „Nou", zei de oude Kees Mol, „neem nou dat witte mandje met spleetwand en ga dan maar bij ons zitten op dat bankje. Daar ligt wel een schaaltje voor je garnalen. Probeer het maar".

Dat schaaltje met garnalen op je schoot houden was wel het slimst. Ook het „krunnen" van de garnaal: met je nagel moest je de harde kap op de kop van de garnaal er af wippen en in dezelfde slag aan de haak slaan. Die moest dan netjes op de rand van de mand worden gelegd. Een handbreed dikte rondom de mand. Ze moesten ook vast liggen anders schommelden ze door elkaar bij 't verwerken.

Ik vroeg aan Klaas: „Wat is dat nou voor een ton?" „De rode ton van de Kreupel, zeun". Het was prachtig helder weer en je kon alles zien over de Zuiderzee. Je kon ook zien dat er markt was geweest, want de boerenwagens liepen vlug achter elkander over de dijk om thuis te komen.

Staverse boten zag men toen nog niet; vliegtuigen nog minder. Alles ging vlug in zijn werk. In de tijd dat ik rondkeek pakte de schipper de eindboei en lei die op de twee doften neer. De mand waar het botwant in moest, nam de oude Mol tussen de benen. Hij haalde het botwant in de mand, waar het met ronde bochtjes in viel. De bot werd van de koperen hoeken af gestreken. Die waren zo zacht, dat ze bij het afstrijken van de bot recht bogen.

De vis had er niets van te lijden. Ik keek voortdurend naar het water dat ze in de vlet lieten lopen. Er werd wel gestadig weer water uitgeschept maar het kwam toch vrij hoog. Er was veel bot en er moest dus veel water in de vlet om de bot in 't leven te houden. Het was een mooi gezicht, die mooie rode plekjes op de zwarte bovenkant van de bot in dat heldere water.

Toen gingen de proppen even in de gaten van de vlet. De „schepper" mocht even uitrusten. Tenslotte was de botbeug binnen. De zes riemen gingen weer buiten boord. Voor het vloedje uit waren we spoedig in de haven. De viskaren werden opzij van de vlet getrokken. De bot ging met handen vol de viskaar in. De schol werd onder de bemanning verdeeld; die had naar verhouding weinig waarde.

Het duurde niet lang of ik wipte in de vlet. Er werd geroeid naar het Noordeinde van het Krabbersgast. Daar werd even gewacht tot de vloed inliep. Dirk was de grootste; die moest met zijn beide armen omhoog het korretje achter uit de vlet tillen en daarna op de bodem laten zakken.

Eerst werden de voorgangertjes uitgevierd, daarna een eindje tocht en dat werd vastgemaakt aan de doft. Dan was het drie man roeien, met zes riemen. Gestadig doortrekken, voor de stroom weg, tot aan de haven. Daar werd het korretje weer omhoog getild. Er zat van alles in. Het was een mooi gezicht in die aasmanden: krabben, puitaaltjes, zeehaantjes en allerlei ander gedierte. Als je dat voor 't eerst ziet is het een leuk gezicht.

„Roep je vader maar even. Zeg maar dat we bij Wieringen zijn". Vader nam het roer over en Piet ging nog even een dutje doen. „Freek, haal dat wier eens van 't zwaard. Het drijft hier vol wier". Er lagen grote bruine plekken op het water van wier dat op elkaar gedreven was. „Dat is hier nu bijna altijd zo", zei vader. We gingen toen bij de grote rode bakens langs met twee rode korven. Lieve hemel, wat een rode bakens om dat Wieringen!

In 1892 is er een begin gemaakt met een methode om sneller haring machtig te worden. Vóór die tijd geschiedde dat met 18 of 21 netten, van boord van de schokker af. Na die datum tot 1932 toe totstandkoming Afsluitdijk viste men met 50 tot 60 netten, welke „uit en in zee" werden bewerkt met een grote vlet. Deze vlet was 25 a 26 voet lang. Na 1932 kwam geen haringvisserij meer voor wegens het verdwijnen van de haring.

Geen sentimentaliteiten. En geen blad voor de mond. Veel Enkhuizers kunnen zich het beeld voor de geest halen van de bolle, rondborstige visserman, die zo raak vertellen kon. Het wonderlijke is dat hij het in één ruk kon opschrijven ook. Een verhaal (aan zijn vader ontleend) over een dikke vrouw, in een café blijkbaar:

Daar liepen ook twee kinderen over de vloer, al grote kinderen. Toen we onder een borreltje zaten, gingen die kinderen het jak van moeder losmaken en namen elk een borst. Wij dachten: gaat dat zo maar, maar ze bleven staan te zuigen, ieder aan een/kant. Nu, er zat wel twee kan (liter) in elke borst. Mijn maat had zulks nog nooit gezien; hij wilde weglopen. Maar de vrouw zei: 'Schipper, gaan jullie niet weg. Man schenk nog eens in voor ons.

Moeder lustte ze ook graag. Toen de kinderen genoeg hadden, gooide ze de borsten zo het jakkie in, en maak weer vast.
'Zie zo,' zei de vrouw, 'die hebben genoeg, maar wij, lusten er' nog wel een, niet schipper?' 'Dat zal wel gaan' zei Jan de Graaf.

De visserij.

Uitvoerig spreekt hij over de wederwaardigheden ter visserij, uiteraard. De lezer, die hier geen speciale belangstelling voor heeft, kan het al gauw niet meer volgen: de opmerkingen van technische aard schieten hem als vliegende vissen om de oren. Maar telkens treft daar tussendoor het schilderend vermogen en het geheugen van de ongeletterde visserman. Hij beschrijft Urk:

Als je per ongeluk pas laat in de avond in de haven aankwam, en je moest dan naar een boer om melk te halen, dan was je gelukkig als 'je bij terugkomst de helft nog over had in je kan. Het kwam ook vaak voor, dat je tussen twee huizen vastliep. Als je dan rondkeek om te zien waar je was, dan kwam je hoofd boven de dakgoot uit. Dan dacht je: 'Er is toch ruimte genoeg!' maar je onderlijf zat muurvast.

Weer wel in gespreksvorm wordt de volgende ontmoeting neergezet en hoe. Het is duidelijk, dat hier niet is geromantiseerd, noch door schrijver Jan Goos, noch door de bewerker die zich strikt hield aan het parool de tekst maar toegankelijk te maken; wel te normaliseren, maar niet te verfraaien.

Uit met Trijn.

'Och here,' zei Willem, 'kijk nou eens hier. Daar heb je er vier, arm aan arm!'
'Wat?'
'Urkerinnen!'
'Donder ze bij de kant beneer,' zei Ko'
Ze sprongen zo aan boord.
'Denk erom,' zei Ko, 'je kon er wel doorheen springen!'
'Goos, dat is nu mijn zuster.'
'Zo, die is heel wat zwaarder dan jij bent.'
'Het lijkt de rooie boei van het Westgat wel,' zei Ko Bonman. Ik stikte van de lach. Willem ook.
Die vrouw wist meer dan wij; was dat even een monster. Zulke dikke lippen als die meid had!
Toen het mooi genoeg was, riep ik Willem boven.
'We moeten van dat goed af hoor!'
'Ja, ik heb afgesproken dat ik met Trijn uitga.'
'Zo, ben je niet goed in je hoofd, zeun. Die Trijn heeft last van lichte toevallen.'
'Ach, maak mij wat wijs!'

Jan Goos heeft in zijn latere jaren (maar nog voor de oorlog) veel met 'heren' aan boord gevaren, zyn prachtige boeier 'De Bries', voor dat doel gekocht, was voor vakantievaarten ideaal. Adellijke families recommandeerden hem bij elkaar; hij sprong zonder enige schroom met hen om. Nap en Pientje de La Mar, Jo Spier en Frits Schiller behoorden tot de clientèle, om niet te zeggen:
vriendenkring.

Zo'n rommeltje.

Heeft Goos ooit zelf de illusie gehad dat zijn 'boek' nog eens zou worden uitgegeven? Het is niet bekend. Dat velen uit zijn omgeving naar hun voorhoofd wezen, spreekt vanzelf. Maar daar trok hij zich niets van aan.

Zijn weduwe zegt: 'Ik heb die blocnotes nooit gelezen, 't Was zo'n rommeltje. En al die verhalen wist ik al. Mijn man had eerder tegen die meneer Boonenburg moeten aanlopen. Ik zelf had nooit aan iemand durven vragen om dat allemaal te gaan uitpunneken'.

Voldoening geeft het haar wel. 'We staan er niet voor schut in. Dat de dominee er zijn naam onder durft te zetten, dat 't een goed boek is, in de Kerkbode, dat zegt toch wel wat. En ik ben niet eens een klant van hem. Nu wordt het dan toch gewaardeerd. En 't is allemaal waar. Het is ons leven.'

Afdruk van: van Martin Dielen


TOP