Roos, Wietse de

Wietse de Roos, geboren op 21 december 1923 in Wolvega. Overleden op 30 november 1944 in Kamp_Husum-Schwesing te Neuengamme (Duitsland).

De zaak Steenaart: Een zwaar geval van hulpverlening aan de vijand.

1947-De dagvaarding, die tegen de nu 48-jarige Hendrik Steenaart door de procureur- fiscaal bij het Bijz. Gerechtshof was uitgebracht, bevatte drie elementen van strafbare feiten: het aanbrengen van enige personen voor de Arbeidsinzet, zijn optreden als Landwacht en zijn journalistieke werkzaamheid als hoofdredacteur van het Nieuwsblad van Friesland.

Brieven aan ’t Arbeidsbureau.

Het eerste was het minst erge. Drie personen had hij bij de directeur van het Arbeidsbureau aangebracht: Wietse Niewold te Wijnjeterp, Geert v. d. Meulen aldaar en de machinezetter Johan Mars, te Heerenveen. De eerste twee waren, toen ze gehaald zouden worden, elders ondergedoken en de laatste werd afgekeurd. „Juist wat ik bedoelde", zo luidde 't verweer van verdachte. Niewold maakte het een „kameraadske" lastig, v.d. Meulen was zijn familie tot last en Mars stelde ik in de plaats van zijn broer, die wel zou zijn goedgekeurd, en ik wist bij voorbaat dat Joh. Mars zou worden afgekeurd.

Het Hof stond blijkbaar sceptisch tegenover dit excuus, want de beide eersten werden dan toch maar aan opjaging blootgesteld, en dat dr. Osinga een door Joh. Mars gefingeerde kwaal als echt zou accepteren, was vooraf wel als onwaarschijnlijk te voorspellen. Te minder, waar Mars in de brief aan 't Arbeidsbureau werd gekwalificeerd als „een lopende Engelse propagandacentrale",
— een dergelijke betiteling in een officieel stuk aan een N.S.B.er was in
die dagen wel een uiterst gevaarlijke uitlokking van straffe Duitse maatregelen.

Maar Steenaart bleef er bij: Ook dit was een kwestie van tactiek om de mensen van de drukkerij allemaal vrij te krijgen.

Jan Hagel in actie.

Om Steenaarts landwachtactiviteit aan de dag te brengen was er een vijftal getuigen opgeroepen. De reeds veroordeelde kapper C. Nieboer, die met hem op 't pad was geweest, was één hunner. Als een armzalig hoopje mens, geschuwd door de overige getuigen, zat hij op het uiterste van de bank.

Het landwachtcommando, dat onder bevel van Douma stond, was actief bij de arrestatie van de zoon van Meester; bij de huiszoeking bij Jacob Bles te Mildam, waar de zoon, die probeerde te ontkomen, juist Nieboer en Steenaart in de armen vloog; bij de huiszoeking bij Tj. v. d. Meulen te Terband, waar men de gezochte radio niet vond, omdat de vrouw die bij zich in 't bed verstopt had, en bij de huiszoeking bij T. v. d. Meulen te Oranjewoud, waar een onderduiker, Wietse de Roos, werd meegenomen. De zoon van Bles en De Roos zijn via Amersfoort naar Duitsland gevoerd en nimmer teruggekomen.

Steenaarts aandeel in al deze gevallen probeerde hij zo gering mogelijk voor te stellen. Dat het om onderduikers ging bij deze tochten, had hij niet geweten. De politie had de leiding en de landwacht ging slechts mee. Aan de afzetting van woningen had hij niet deelgenomen. Hij had op de fietsen gepast, die een 20 M. verder geparkeerd stonden; dat is geen smoesje, maar de waarheid, — zo zei hij.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.