Home » Historie-Friesland » Friese Verzetsstrijders » Helm, Krijn van der + Esmée van Eeghen

Helm, Krijn van der + Esmée van Eeghen.

Krijn van der Helm, geboren in 1912 te Amersfoort, overleden op 25-08-1944 te Amersfoort.

Van der Helm was commies bij de Belastingen in diverse gemeenten, w.o. Den Haag, Leeuwarden en Amersfoort en stond onder commando van de bekende en belangrijke organisator van het Friese verzet Jan Evenhuis en werkte met hem samen bij de Belastingen in Amersfoort.

Tijdens de Duitse inval vocht hij aan de Grebbelinie, waar hij gewond raakte. Tijdens de eerste bezettingsjaren was hij de oprichter van de eerste knokploegen in Friesland. Een belangrijke actie was o.a. de overval op het arbeidsbureau in Leeuwarden.

Later zou hij provinciaal leider van de KP in Friesland worden. Ook was hij medewerker bij de LO, hielp veel Joden onderduiken en was contactpersoon voor een Amsterdamse verzetsgroep die Joodse kinderen liet onderduiken. Verder zorgde hij voor valse papieren en distributiebonnen. Op 25 augustus 1944 werd hij in zijn onderduikeradres in Amersfoort, door de Nederlandse SD' er Pieter Johan Faber, bij een handgemeen doodgeschoten.

Pieter Johan Faber, is hiervoor in 1948 ter dood gebracht. Naar het lijk van Krijn van der Helm is na de oorlog lang gezocht. Het is gevonden in een massagraf bij het kamp-Amersfoort. Op 1 december 1945 is Krijn van den Helm in aanwezigheid van het hele Friese verzet herbegraven in Leeuwarden, op de Noorder-begraafplaats bij andere gevallen verzetsstrijders. Zijn zoon Krijntje is bij hem begraven.

Esmée van Eeghen.

Esmée van Eeghen, werd geboren op 18 juli 1918 in Amsterdam. Haar vader Reginald van Eeghen, van Engelse afkomst, was directeur van de Amstelbrouwerij (Reginald is na de scheiding naar Amerika gegaan en stierf in 1936 in San Francisco). Haar moeder was jonkvrouw Minette Adrienne van Lennep, beter bekend als Miesje van Lennep. (De moeder van Esmée, stierf in 1975. In de oorlog stierf haar man, werden twee van haar kinderen door de Duitsers vermoord en was haar huis aan de Spoorweglaan in Baarn door de Duitsers in beslag genomen. Ze is er nooit meer naar teruggegaan en heeft tot haar dood samen met haar broer dr. D.F.W. van Lennep in Aerdenhout gewoond).

Esmée werd opgevoed door een gouvernante, leerde verschillende talen en maakte vele buitenlandse reizen. Ze groeide op tot een sterke en avontuurlijke, intelligente en geestige, dappere, warme en royale vrouw. Tegelijkertijd werd ze later omschreven als nymfomaan. Esmée had een broer die Dave heette en twee jaar jonger was als zij. (Dave van Eeghen, Esmées broer stierf vlak voor het einde van de oorlog in concentratiekamp Bergen-Belsen).

Na zijn arrestatie door de Duitsers in het voorjaar van 1943 is hij naar Vught getransporteerd en vandaar naar Natzweiler Dachau, Ottobrunn en Dautmergen, een verschrikkelijk kamp in Zuidwest-Duitsland, dat weinig Nederlanders hebben overleefd. Daar werd Dave van Eeghen voor de keus gesteld blijven of op transport. Hij koos voor het laatste en kwam terecht in Bergen-Belsen). Ze had een fijne, beschermde jeugd, ondanks het feit dat haar vader toen ze acht was na zijn echtscheiding naar Amerika vertrok.

Miesje van Lennep hertrouwde, dit keer met Alphert, baron Schimmelpenninck van der Oye (burgemeester van Maarn en Doorn). Esmée en Dave kregen er in 1931 een broertje bij. Hij kreeg de naam Sander en werd in Bloemendaal geboren. Twee jaar later vertrok het gezin naar Baarn waar ze een riant huis betrokken op de Spoorweglaan 14.

Esmée had talent voor muziek, kon prachtig zingen en goed piano spelen. Er werd gezegd dat ze het perfecte gehoor had. Haar broer Dave ging in dienst en tijdens de mobilisatie van 1939 deed hij dienst bij het Vierde Regiment Huzaren in Amersfoort. Na de meidagen van 1940 werd hij lid van de Orde Dienst (OD), een van de eerste verzetsgroepen, die overwegend uit oud-militairen bestond.

Na wat omzwervingen kwam Esmée te werken in het Burgerziekenhuis in Amsterdam. Het was in dit ziekenhuis dat ze in contact kwam met Henk Kluvers. Hij studeerde medicijnen, en werkte als assistent.

Henk Kluvers was betrokken bij het verzet, en al snel sleepte hij Esmée mee. Niet alleen in het verzet trouwens, maar ook in de liefde want ze kregen een verhouding. Het was het begin van een verhaal dat tragisch zou aflopen en dat zelfs vandaag nog verschillend wordt beoordeeld. Voor sommigen was Esmée een warme, loyale vrouw die nergens bang voor was en goed met een revolver kon omgaan. Voor anderen, waaronder Dr., L. de Jong, was ze niets meer dan een verraadster die het leven van een aantal van haar vrienden op haar geweten had.

Henk Kluvers besloot op een zeker moment voor de illegaliteit naar Friesland te gaan. Hij wilde onderdak regelen voor Amsterdamse studenten die hadden moeten onderduiken omdat ze geweigerd hadden om de Duitse loyaliteitsverklaring te tekenen. Esmée besloot mee te gaan naar Friesland. Dat wilde Kluvers in eerste instantie niet hebben. Hij vond dat ze niet sterk en hard genoeg was voor het verzet. Volgens hem was ze te lief.

Daar kwam nog bij dat ze in Friesland teveel zou opvallen. Maar Esmée hield voet bij stuk. Ze wilde bij Kluvers blijven en zo vertrok het stel toch richting het Noorden. Kluvers had verwacht dat er in Friesland een organisatie klaar stond om de studenten op te vangen. Maar dit viel tegen. Hij vond alleen een terughoudend contactpersoon genaamd ds. Van der Wittel. Verder was er niets voorbereid. Die nacht sliep hij met Esmée in het Oranje Hotel in Leeuwarden. De volgende dag ging Esmée terug naar Amsterdam, maar ze kwam regelmatig naar Friesland om samen te zijn met haar Henk.

Stap voor stap raakte Esmée bij het verzet betrokken en ging mee op klussen. Op 25 juli 1943, de dag dat het verzet het Arbeidsbureau aan het Zaailand in Leeuwarden overviel, besloot ze voorgoed in Friesland te blijven. Ze deed haar best om niet op te vallen, en omdat ze intelligent en vastbesloten was leerde ze in een maand tijd de Friese taal. Maar ze bleef een mooie jonge vrouw uit de Randstad en dat maakte dat ze toch als iets bijzonders werd gezien. Ook door haar verzetsvrienden, waarvan een aantal verliefd op haar werd.

Dat gaf zo af en toe problemen. Henk Kluvers had opdracht om in Friesland hulp te bieden aan de regionale Knokploeg (KP)-leider Krijn van den Helm. Henk stelde Esmée aan Krijn voor en hij zag meteen dat hij haar wel kon gebruiken. Hij stelde haar aan als koerierster, maar daar bleef het niet bij. Al snel zat Esmée in alle mogelijke soorten van verzetswerk.

Ze haalde joodse kinderen uit Amsterdam en bracht die onder op duikadressen in Friesland. Ze zocht ook onderkomens voor volwassen joden en voor studenten die in Amsterdam niet veilig waren. Ze trok de hele provincie door met bonkaarten, persoonsbewijzen en andere documenten voor de onderduikers. De risico’s werden steeds groter.

Esmée was intussen de hoofdkoerierster van Krijn van der Helm en samen met hem deed ze de meest gevaarlijke klussen. Ze gebruikten een ambulance om neergeschoten geallieerde piloten op te halen, ze vervoerde wapens en draaide haar hand ook niet om voor het meedoen aan gewapende overvallen. Bij iedere vergadering van het verzet was ze aanwezig, en ze was dus van praktisch alles op de hoogte. Daarbij kwam nog dat ze voor Krijn ook speciale opdrachten uitvoerde.

Ze wist van geen ophouden en Piet Oberman, die in de zomer van 1944 Krijn van der Helm opvolgde als KP-leider in Friesland, heeft na de oorlog verklaard: "Esmée was buitengewoon goed op de hoogte van alles wat betrekking had op de verzetsbeweging in Friesland en zij kende veel leidinggevende illegale personen in andere provincies met wie zij als hoofdkoerierster in aanraking kwam. Zij woonde meermalen belangrijke besprekingen bij op het hoofdkwartier van de KP, destijds gevestigd ten huize van de heer Harm Kingma, directeur van een timmerfabriek in Leeuwarden en zijn vrouw Annie. Geheel alleen heeft zij onder andere wapentransporten naar Limburg en Amsterdam verzorgd."

Niet iedereen kon met Esmée overweg en vooral vrouwen zagen haar als een vreemd, vrijpostig wezen, dat een bedreiging vormde. Maar anderen hielden haar de hand boven het hoofd omdat ze veel gevaarlijk werk deed en daarmee veel respect had verworven. Er gaan veel verhalen rond over de koelbloedigheid van Esmée, de meeste zijn onmogelijk te bevestigen. Zo zou ze het voor elkaar hebben gekregen om een Duitse officier een koffer vol met wapens door de controle op het Centraal Station in Amsterdam te laten dragen.

Ondanks de vele gevaren kon Esmée van Eeghen het niet laten om ook naar de lichtere kant van het leven te kijken. Ze kreeg een verhouding met Krijn van der Helm en schrok er ook niet voor terug om met andere KP’ers het bed in te duiken. KP-leider, Pieter Wijbenga, geeft toe dat hij ruzie kreeg met Krijn van der Helm over Esmée. Hij was tegen liefdesverhoudingen onder KP’ers en koeriersters en stak zijn mening niet onder stoelen of banken. Wijbenga had het gevoel dat Krijn door de verhouding met Esmée zijn ongeluk tegemoet rende. Krijn vond dit onzin en wilde er absoluut niet over discussiëren. Het vele werk dat Esmée verzette zei genoeg, volgens hem.

Volgens een andere KPer, Piet Meerburg, was er sprake van een soort rivaliteit tussen Krijn van der Helm en Pieter Wijbenga. Dit werd door Esmée van Eeghen nog versterkt. Volgens Meerburg waren beide mannen waarschijnlijk verliefd op Esmée.

Dit alles gebeurde nadat Henk Kluvers de verhouding met Esmée had beëindigd. Zij wilde graag trouwen en zo snel mogelijk een kind. Dat durfde Kluvers midden in de oorlog, met alle bijkomende gevaren, niet aan. Hij verliet Friesland en dook onder bij de familie van Esmée in Baarn.

Daar trekt hij zich uit de illegaliteit terug als hij met tbc in een ziekenhuis wordt opgenomen en verbreekt hij de verloving. Veel verzetsmensen wilden niet geloven dat Krijn en Esmée (of Elly, zoals ze in het verzet heette) een verhouding hadden. Te meer omdat Krijn getrouwd was en een kind had. (De vrouw van Krijn van den Helm, is na de oorlog teruggegaan naar Friesland, met haar zoon Joop die na de dood van Krijn werd geboren. Ze heeft er gewoond bij de familie Kingma, haar oude onderduikadres, later kreeg ze een huis in Leeuwarden). De echte problemen begonnen in het voorjaar van 1944. Er begonnen geruchten de ronde te doen in Friesland dat Esmée met Duitsers was gezien.

Zoals dat met geruchten gaat kwam er steeds iets bij. Iemand had haar in het Duits horen telefoneren. Er zou een foto de ronde doen waar ze met feestende Duitse officieren opstond. In een trein van Groningen naar Leeuwarden zou ze in de Weermachtcoupe een fles cognac hebben leeggedronken met een groep SD’ers, met een van de mannen, een zekere Zacharias Sleijfer, zou ze de nacht hebben doorgebracht. Maar anderen verwijzen dit soort geruchten naar het land der fabelen.

Piet Meerburg gaf aan dat hij er niets van geloofde. Volgens hem was Esmée veel te kieskeurig voor dit soort dingen. Waarschijnlijk kwamen de verhalen allemaal van Sleijfer zelf. Hij was een Nederlander die in de oorlog voor de SD werkte en was een gevreesd man. Vriend en vijand had weet van de martelpraktijken die hij er als SD’er tijdens verhoren van verzetsmensen op nahield. Na de bevrijding zat hij 5 jaar vast. Uiteindelijk kwam hij in een psychiatrische inrichting terecht waar hij in 1953 is overleden.

Hij vertelde de Politieke Recherche hele verhalen over Esmée, inclusief het treinverhaal. Hij vertelde dat ze tijdens de treinreis naar de SD’er Lammers vroeg. Lammers was een Nederlandse SD’er die een grote rol speelde in de strijd tegen de illegaliteit in Friesland.

Krijn van der Helm heeft altijd gezegd dat Esmée in zijn opdracht contact met Duitse officieren zocht. Dit wordt bevestigd door Wijbenga, die na de oorlog vertelde dat hij en Krijn Esmée wilden inzetten om Sleijfer en Lammers uit de weg te ruimen. Ze moest de twee SD’ers naar Makkum lokken waar ze geliquideerd zouden worden.

Door omstandigheden is van dit plan nooit iets gekomen. Er zijn ook andere voormalige KP’ers die bevestigen dat Esmée spioneerde in opdracht van Krijn. Sommigen zeggen dat ze op die manier informatie over haar broer Dave probeerde te krijgen die op een trawler in IJmuiden was opgepakt toen hij probeerde om naar Engeland over te steken. De tocht was verraden. Hij overleed kort voor de bevrijding waarschijnlijk van uitputting in Bergen-Belsen.

In mei/juni 1944 werden steeds meer leden van de KP wantrouwig met betrekking tot Esmée van Eeghen. Het werd duidelijk dat ze contact had met een Weermachtofficier die Hans Schmälzlein heette en in Leeuwarden woonde. (Hans Schmälzlein, een anti-nazi en Oberzahlmeister bij het Verpflegungsamt, en woonachtig aan de Emmakade te Leeuwarden)Weliswaar had ze contact met de man gemaakt in opdracht van Krijn van der Helm, maar haar gedrag begon te veranderen.

Ze werd naar Amsterdam gestuurd voor een opdracht en kwam pas weken later terug. In haar gebruikelijke KP-kringen was ze nauwelijks meer te vinden. Op een zeker moment kwam de KP’er achter dat ze in het huis van Hans Schmälzlein woonde, en dat daar ook nog een andere vrouw huisde. Op een ander moment werd ze openlijk in Groningen gezien arm in arm met Hans Schmälzlein, Oberzahlmeister bij het Verpflegungsamt in Groningen.

Esmée vertelde een voormalige hospita dat ze van Hans Schmälzlein was gaan houden, en dat ze dit niet onder stoelen of banken wenste te steken. Ze bleef nog wel illegaal werk doen en gaf het ook door als ze via haar contact hoorde dat er razzia’s gepland stonden. Krijn van der Helm bleef volhouden dat alles in opdracht gebeurde, maar zijn ruzies met Wijbenga over Esmée liepen steeds hoger op.

Wijbenga wilde Esmée confronteren met de situatie, maar volgens Krijn was ze naar België voor een familiekwestie. Later zou ze met TB in het ziekenhuis liggen. Wijbenga vertrouwde de zaak steeds minder, maar na de oorlog is gebleken dat het ziekenhuisverhaal wel klopte. Waar Esmée in die tijd precies verbleef is niet meer te achterhalen, maar in juni 1944 was ze in Baarn bij haar moeder.

De KP’ers Piet Oberman en Wijbenga hebben altijd beweerd dat ze bij Hans Schmälzlein woonde. Vooral Oberman, die onder de naam Piet Kramer werkte, was erg tegen Esmée gekant en hij wilde haar eigenlijk uit de weg hebben. Hij wilde de zaak aan het veemgericht voorleggen. Dit was een verzetsrechtbank die moest voorkomen dat verzetsmensen over de schreef gingen.

(Anno Houwing stelde het veemgericht samen en fungeerde als contactpersoon tussen de illegaliteit en de juristen. Houwing maakte rapporten op over 'foute' Nederlanders op basis waarvan het veemgericht het vonnis 'ja', 'nee' of 'nader onderzoek' uitspraken. Volgens Houwing zijn naar aanleiding van die rapporten, die hij tot zijn dood thuis heeft bewaard, enkele tientallen executies voltrokken. Uit naoorlogs onderzoek kan worden geconcludeerd dat in ieder geval elf doodvonnissen zijn uitgesproken. De direct betrokkenen hadden afgesproken dat er nooit meer over het veemgericht gesproken zou worden, maar het is juist Houwing die kort na de oorlog één vonnis noemde, namelijk dat tegen Esmée van Eeghen. Zij was vriendin van Krijn van den Helm, maar werd er tevens van verdacht veel contacten met Duitse legerofficieren te hebben. Houwing had Esmée in 1943 leren kennen en vond haar 'een vlotte mondaine verschijning' die hij echter niet vertrouwde).

Maar Krijn van der Helm was hier zwaar op tegen. Hij was bang dat er een doodsoordeel zou worden uitgesproken. De zaak kwam tot een soort climax op 15 juli 1944. Op die dag, het was een zaterdag, overviel de SD het Kaaspakhuis in Leeuwarden en nam de gehele administratie van het Friese verzet in beslag.

De inval was het gevolg van de arrestatie van de voormalige politieman Ben de Vries die zich bij de KP had aangesloten. Hij werd tijdens een actie door de Landwacht aangeschoten en gearresteerd. Ben de Vries werd urenlang zwaar mishandeld en sloeg door. Het gevolg was een aantal invallen in huizen van verzetsmensen en een inval in het Kaaspakhuis.

Daar werden wapens, munitie, uniformen en zelfs geschut gevonden. Maar erger nog was dat de volledige administratie in handen van de SD viel. Er waren veel brieven, een kaartsysteem met de code erbij en namenlijsten van mensen die geld gaven om onderduikers te ondersteunen. Kortom, de ramp was compleet. Omdat de KP-leden tijdig waren gewaarschuwd en er wat tijd voorbij was gegaan werden er weinig mensen opgepakt. Bijna alle leidende leden konden onderduiken.

In die zelfde tijd ontdekte men dat Esmée weer in Leeuwarden was, en er ontstond een theorie dat zij de boel verraden moest hebben. Krijn van der Helm sprak dit woedend tegen, maar toen hij ontdekte dat ze wel degelijk in het huis van Hans Schmälzlein was, moest hij toegeven dat ze voor het verzet verloren was. Wel was intussen, na onderzoek, bekend dat ze geen verraad had gepleegd.

Er werd contact opgenomen met het veemgericht en het advies was dat Esmée te gevaarlijk voor het verzet was en geliquideerd moest worden. Krijn bleef hier fel op tegen en redde zo in feite haar leven. Er werd besloten dat Esmée Friesland moest verlaten, zoniet zou ze als nog worden neergeschoten.

Een andere koerierster nam contact met haar op in het huis van Hans Schmälzlein. Esmée vertelde haar dat ze van de Duitse officier hield en met hem wilde trouwen. Ze wilde naar Duitsland verhuizen en zeker niet terug naar het verzet.

Daarna had ze nog een ontmoeting met verschillende KP’ers waaronder Krijn. Ze bleef bij haar besluit en zei dat ze bang was voor verschillende SD’ers waaronder Lammers. Hans Schmälzlein zou haar kunnen beschermen. De KP’ers maakten duidelijk dat ze de volgende dag uit Friesland weg moest wezen, anders werd ze omgelegd. Esmée beloofde dat ze zou gaan en ze hield haar woord. Ze werd uitgeleide gedaan door haar Duitse vriend en vertrok naar haar familie in Baarn.

Esmée bleef een paar weken in Baarn en ging nooit terug naar Leeuwarden. Naar Duitsland is ze ook nooit gegaan. Van alle kanten vreesde ze voor haar leven. De SD was op de hoogte van haar activiteiten en haar hospita was opgepakt. Ben de Vries had tijdens de verhoren haar naam genoemd, en er bleef weinig voor de SD verborgen. Het net begon zich langzaamaan te sluiten.

De SD’er Lammers was er erg op gebrand om Esmée in handen te krijgen, want hij verdacht haar van betrokkenheid bij de liquidatie van de foute politieman Sikke Wolters uit Heerenveen (een verrader), die op 27 juni 1944 in de fietsenstalling op het NS-station in Heerenveen is neergeschoten, en een vriend van Lammers was. (In de nacht van 29 op 30 juni 1944 werd de 59-jarige veehouder Albert Marten Rinkema in zijn woning aan de Binnendijk doodgeschoten. Deze moord was het gevolg van de moord op politieluitenant Sikke Wolters).

Ben de Vries had haar betrokkenheid bevestigd. Lammers ging nu met enkele andere SD’ers echt op jacht naar Esmée.
Via An Jaakke, die ook bij de Duitse officier Schmälzlein verbleef kreeg hij extra informatie. Zij was de vriendin van een andere officier die op hetzelfde adres woonde. De vrouw, ook bekend als Bep H. (Antoinette Jaake) maakte een afspraak met Esmée op het Centraal Station in Amsterdam. Ze ging met twee SD’ers, waaronder de gevreesde Faber, naar de hoofdstad en op 9 augustus 1944 werd Esmée door de SD’ers gearresteerd toen An Jaakke Esmée door middel van een judaskus op het station van Amsterdam Esmée overleverde aan de bezetter.

De twee dames werden in een café gearresteerd en na de nacht in Haarlem te hebben doorgebracht, reisde het gezelschap de volgende dag door naar Groningen. An Jaakke werd in Meppel vrijgelaten en keerde terug naar Leeuwarden. Esmée werd overgebracht naar het hoofdkwartier van de SD in Groningen.

In een telefoongesprek met haar moeder kondigde ze aan dat er een paar SD’ers naar Baarn zouden komen om haar kamer te doorzoeken. Ze vroeg haar moeder om de mannen wat kleren mee te geven. Het is nooit echt duidelijk geworden waarom An Jaakke Esmée in handen van de SD speelde. Ingewijden zeggen dat jaloezie een rol speelde omdat ook zij een oogje op Schmälzlein had. Zelf heeft ze altijd gezegd dat Lammers haar had gedwongen.

Volgens verschillende Duitse bronnen nam Esmée van Eeghen in het Scholtenshuis, het Groningse SD-hoofdkwartier, een speciale plaats in. Ze zou een eigen kamer hebben gehad en ze kreeg dagelijks brood en melk. Ook sigaretten zouden tot haar beschikking hebben gestaan. Dit werd na de oorlog door SD’ers verteld die bang waren voor de doodstraf. Echt betrouwbaar zijn deze verklaringen dus niet. Volgens Lammers klopt er allemaal niets van. Hij probeerde haar over te halen om voor de SD te werken.

Maar hier kwam weinig van terecht. Lammers vertelde na de oorlog dat Esmée nooit is mishandeld en dat ze zonder veel moeite veel informatie over de illegaliteit prijs gaf. Ze zou ook namen genoemd hebben, onder meer de namen van de verzetsmensen die Wolters hadden geliquideerd. Hij verklaarde dat ze de namen van 5 belangrijke verzetsmensen had genoemd, die werden opgepakt. Ze zou ook Oberman hebben genoemd die in vrijheid bleef door van zich af te schieten. Lammers voegde er aan toe dat hij niet kon begrijpen dat het verzet zoveel vertrouwen in Esmée had gesteld. Of Esmée van Eeghen ook echt namen heeft genoemd blijft onzeker. Volgens Pieter Wijbenga is het onwaarschijnlijk.

De vijf mensen die door Lammers werden genoemd kwamen volgens Wijbenga voor een groot deel via andere wegen in handen van de Duitsers. En maar een van deze personen Ds.Touwen, een predikant uit Makkum, werd uiteindelijk op 7 september 1944 in het Drentse Vries gefusilleerd. Volgens Wijbenga waren veel meer mensen tegen de muur gegaan als Esmée van Eeghen echt had verteld wat ze allemaal wist.

Er wordt ook beweerd dat Krijn van der Helm door Esmée in handen van de Duitsers viel. Hij was ondergedoken in Amersfoort bij zijn ouders en een brief van Esmée aan zijn vrouw zou de SD op zijn spoor hebben gezet. Krijn werd vermoord door de Nederlandse SD’er Pieter Johan Faber, die ook Esmée arresteerde. Faber kwam doormiddel van de brief van der Helm in Amersfoort op het spoor. Tijdens een confrontatie op Krijn’s tweede onderduikadres, het huis van zijn schoonouders aan de Kapelweg, schoot Faber hem dood.

(Pieter Johan Faber was de broer van de oorlogsmisdadiger Klaas Carel Faber. Zelf was hij tijdens de Tweede Wereldoorlog opperwachtmeester bij de Sicherheitsdienst (SD) in het Scholtenhuis in de stad Groningen. Het gezin waarin de broers opgroeiden, was lid van de NSB. Vader Pieter, die bakker was in Heemstede, werd op 20 juni 1944 op 55-jarige leeftijd doodgeschoten door de verzetsstrijdster Hannie Schaft. De familie Faber verzette zich tegen het executeren van gijzelaars en andere willekeurig gekozen mensen als represaille voor de dood van Pieter Faber, maar de beide zoons werden erg fanatiek in het bestrijden van het Nederlandse verzet. Pieter Johan Faber werd schuldig bevonden aan 27 moorden. Na de oorlog werden de broers veroordeeld tot de doodstraf, maar alleen Pieter Johan Faber werd geëxecuteerd door een vuurpeloton. De doodstraf van zijn broer Klaas Carel Faber werd omgezet in een levenslange gevangenisstraf).

De SD in Groningen was hier niet blij mee, omdat ze van der Helm graag levend in handen hadden gekregen. Een onderduikster, Ruth de Jonge, die getuige was van de moord meldde in Friesland wat er was gebeurd. Over een brief van Esmée heeft ze trouwens nooit iets gehoord. KP’er Piet Meerburg is er van overtuigd dat Esmée van Eeghen geen verraad heeft gepleegd.

Volgens hem was zij wel het soort persoon dat een verhouding met een Weermachtofficier zou aanknopen, maar niet met een SD’er of een SS’er. En hij is er van overtuigd dat ze nooit iemand verraden zou hebben. Meerburg: Natuurlijk moet je iets zeggen als je verhoord wordt, en dat zal ze ook gedaan hebben, de SD wist al zoveel. Maar dat is geen verraad. De afspraak was dat je ten minste vierentwintig uur je mond hield, daarna kon je praten, dan was toch iedereen weg. Esmée wist alles, ze wist veel te veel. Als ze echt verraad had gepleegd, had ze onnoemelijk veel schade kunnen aanrichten. Ik vind dat ze op een twijfelachtige manier met onzuivere motieven is aangevallen.

Ze was en bleef een vreemde in Friesland, niet een van hen. De verklaringen over de tijd in het Scholtenshuis blijven elkaar tegenspreken. Het standpunt van Piet Meerburg lijkt het meest te passen. Esmée zal zeker wat dingen hebben verteld om te proberen haar leven te redden, maar van grootscheeps verraad is geen sprake geweest zoals sommigen beweren.

Wat er verder met Esmée is gebeurd bij de SD is moeilijk te achterhalen. Maar op 8 september 1944 vonden burgers uit Paddenpoel in de Gemeente Noorddijk het lijk van een jonge vrouw in het Van Starkenborghkanaal. De vrouw was elegant gekleed, en was om het leven gebracht met dertien kogelschoten. Een boer had die avond ervoor schoten gehoord.

In augustus 1944, na verraad door An Jaakke, de vriendin van de huisgenoot van Hans Schmälzlein, werd Esmée opgepakt. Esmée werd naar Groningen overgebracht, waar ze op 7 september door Knorr, één van de leidende figuren van de SD te Groningen, werd neergeschoten en in het Van Starkenborghkanaal gegooid.

De moordenaar van Krijn van der Helm, Pieter Johan Faber, was bij de executie aanwezig, samen met zijn broer, en vertelde na de oorlog dat zijn chef, Untersturmführer Knorr, Esmée doodschoot.

We laten hem aan het woord: "Ik hoorde van Knorr dat 'Esmée en een zekere Kremer, (Luitje Kremer, 24 jaar en lid van de KP Noord-Drenthe), 'ook een politieke arrestant, die avond moesten worden doodgeschoten'. Om negen uur zijn ze in de auto van Knorr gestapt, 'We waren met z’n vijven, Knorr, mijn broer Karel , Esmée, Kremer en ik, Knorr chauffeerde.

We zijn gereden door de nieuwe Ebbingestraat en zo in de richting van Winsum. Even buiten de stad stopte de wagen, onder welk voorwendsel dit gebeurde weet ik niet. Knorr stapte uit en liet daarop Esmée uitstappen. Ik ben daarop ook uitgestapt, met Kremer. Ongeveer op hetzelfde moment schoot Knorr Esmée dood. Ik heb daarna Kremer neergeschoten. Daarop hebben wij met ons drieën beide lijken in het daar aanwezige kanaal gegooid. Een en ander gebeurde in opdracht van Knorr en ik neem aan dat zowel Knorr als Haase (Chef van de SD in Groningen) hiervoor opdracht hadden van een hogere instantie. Hier is echter niet over gesproken.”

Haase ontkende na de oorlog dat de opdracht van hem kwam en gaf aan dat er waarschijnlijk een bevel uit Den Haag moet zijn gekomen. Waarom Knorr 13 keer schoot is ook niet duidelijk. Hij heeft er nooit iets over gezegd. Na de oorlog pleegde hij zelfmoord in een Haagse gevangenis voordat hij verhoord kon worden.

Intussen had de moeder van Esmée van Eeghen sinds het telefoontje uit het Scholtenshuis niets meer van haar dochter gehoord. Ook na de bevrijding niet. Henk Kluvers ging bij haar navraag doen, maar werd niets wijzer. Kluvers is toen met Esmée’s moeder naar Groningen gegaan, waar al snel bleek dat het slecht nieuws was.

Aan de hand van sieraden die op het lijk werden gevonden is Esmée uiteindelijk geïdentificeerd. Kluvers heeft daarna het proces van Faber in Groningen bijgewoond en volgens hem heeft Faber openlijk gezegd dat Esmée niemand had verraden. "Die kerel heeft mij persoonlijk gezegd dat Esmée niets heeft losgelaten. Ze hebben met haar rondgereden van het ene adres naar het andere, maar ze hebben niets uit haar gekregen. Op het laatst begon het hen te vervelen en toen hebben ze haar gezegd weg te lopen. Auf der Flucht erschossen heet dat.’

Esmée van Eeghen werd in eerste instantie op de Algemene Begraafplaats in Noorddijk begraven. Na de oorlog heeft haar moeder haar laten herbegraven op de begraafplaats aan de Wijkamplaan in Baarn. Ze ligt daar in een 'oorlogsgraf op een normale afdeling.

Het lijk van Krijn van der Helm werd uiteindelijk teruggevonden in een massagraf bij Kamp Amersfoort. Hij werd onder grote belangstelling begraven in Leeuwarden. Het hele Friese verzet was bij de uitvaart aanwezig. Bep H (Antoinette Jaake), de verraadster van Esmée kreeg in 1946 12 jaar gevangenisstraf. Eerder was de doodstraf geëist. De moeder van Esmée ondertekende een verzoek in 1946 tot gratie voor Bep H., de verraadster van haar dochter.

Van de Duitse officier Schmälzlein is nooit meer iets vernomen. Waarschijnlijk is hij aan het Oostfront omgekomen. Van de betrokken Nederlandse SD’ers kreeg Lammers levenslang.
Hij kwam in 1964 vrij en werd voor altijd uit Friesland verbannen. Pieter Johan Faber, de man die Krijn van der Helm vermoorde kreeg de doodstraf. Hij werd in 1948 geëxecuteerd.

Na afloop van de oorlog werden de broers Klaas Carel Faber en Pieter Johan Faber, gearresteerd en in juni 1947 door de Bijzondere Rechtspleging veroordeeld tot de doodstraf. De zaken die Karel (1) en (2) tijdens het proces ten laste werd gelegd waren:

  • 25-08-1944; Het doodschieten van Krijn van der Helm
  • 07-09-1944; Het liquideren van Esmee van Eeghen en Luitje Kremer in Noorddijk
  • 19-09-1944; Executie van 5 mensen in Exloo
  • 25-09-1944, 12-10-1944, 28-10-1944; Executie van ten minste 34 mensen in Westerbork. Het is bewezen dat hij aan de executie van 28e zeker heeft deelgenomen.
  • 05-10-1944; De moord op Johannes Treurniet, een ondergedoken politieagent.

Tweede kerstdag 1952 ontsnapt Carel samen met Herbertus Bikker, Sander Borgers en nog 4 andere oud SS'ers uit de Bredase Koepelgevangenis. Nog diezelfde avond vluchtten ze naar West-Duitsland.

  • (1) Dit punt is discutabel: Krijn van der Helm is door Pieter Johan Faber doodgeschoten. Zijn broer Klaas stond buiten op wacht.
  • (2) Esmée van Eeghen is door Obersturmführer Knorr persoonlijk doodgeschoten. Pieter heeft de ander doodgeschoten. Klaas was erbij maar heeft waarschijnlijk geen actief deel aan de executies gehad.

In de onderstaande bijlage van Yso van der Meer, zijn ook de verklaringen van Pieter en Johan Faber hun verhoren te vinden.

Als ze echt verraad had gepleegd, had ze onnoemelijk veel schade kunnen aanrichten. Ik vind dat ze op een twijfelachtige manier met onzuivere motieven is aangevallen. Ze was en bleef een vreemde in Friesland, niet een van hen.’ De verklaringen over de tijd in het Scholtenshuis blijven elkaar tegenspreken. Het standpunt van Piet Meerburg lijkt het meest te passen. Esmée zal zeker wat dingen hebben verteld om te proberen haar leven te redden, maar van grootscheeps verraad is geen sprake geweest zoals sommigen beweren.

Executie.

Wat er verder met Esmée is gebeurd bij de SD is moeilijk te achterhalen. Maar op 8 september 1944 vonden burgers uit Paddenpoel in de Gemeente Noorddijk het lijk van een jonge vrouw in het Van Starkenborghkanaal. De vrouw was elegant gekleed, en was om het leven gebracht met dertien kogelschoten. Een boer had die avond ervoor schoten gehoord.

De moordenaar van Krijn van der Helm, Pieter Johan Faber, was bij de executie aanwezig, samen met zijn broer, en vertelde na de oorlog dat zijn chef, Untersturmführer Knorr, Esmée doodschoot. We laten hem aan het woord: “Ik hoorde van Knorr dat ‘Esmée en een zekere Kremer, (Luitje Kremer, 24 jaar en lid van de KP Noord-Drenthe), ‘ook een politieke arrestant, die avond moesten worden doodgeschoten ‘. Om negen uur zijn ze in de auto van Knorr gestapt, ‘We waren met z’n vijven, Knorr, mijn broer Karel, Esmée, Kremer en ik. Knorr chauffeerde. We zijn gereden door de nieuwe Ebbingestraat en zo in de richting van Winsum.

Even buiten de stad stopte de wagen, onder welk voorwendsel dit gebeurde weet ik niet. Knorr stapte uit en liet daarop Esmée uitstappen. Ik ben daarop ook uitgestapt, met Kremer. Ongeveer op hetzelfde moment schoot Knorr Esmée dood. Ik heb daarna Kremer neergeschoten. Daarop hebben wij met ons drieën beide lijken in het daar aanwezige kanaal gegooid. Een en ander gebeurde in opdracht van Knorr en ik neem aan dat zowel Knorr als Haase (Chef van de SD in Groningen) hiervoor opdracht hadden van een hogere instantie. Hier is echter niet over gesproken.”

Haase ontkende na de oorlog dat de opdracht van hem kwam en gaf aan dat er waarschijnlijk een bevel uit Den Haag moet zijn gekomen. Waarom Knorr 13 keer schoot is ook niet duidelijk. Hij heeft er nooit iets over gezegd. Na de oorlog pleegde hij zelfmoord in een Haagse gevangenis voordat hij verhoord kon worden. Intussen had de moeder van Esmée van Eeghen sinds het telefoontje uit het Scholtenshuis niets meer van haar dochter gehoord. Ook na de bevrijding niet. Henk Kluvers ging bij haar navraag doen, maar werd niets wijzer.

Kluvers is toen met Esmée’s moeder naar Groningen gegaan, waar al snel bleek dat het slecht nieuws was. Aan de hand van sieraden die op het lijk werden gevonden is Esmée uiteindelijk geïdentificeerd. Kluvers heeft daarna het proces van Faber in Groningen bijgewoond en volgens hem heeft Faber openlijk gezegd dat Esmée niemand had verraden. “Die kerel heeft mij persoonlijk gezegd dat Esmée niets heeft losgelaten. Ze hebben met haar rondgereden van het ene adres naar het andere, maar ze hebben niets uit haar gekregen.

Op het laatst begon het hen te vervelen en toen hebben ze haar gezegd weg te lopen. 'Auf der Flucht erschossen' heet dat.

(26 mei 2012: De Nederlandse oorlogsmisdadiger Klaas Carel Faber (90) is donderdag 24 mei 2012 overleden. De geboren Haarlemmer Faber was tijdens de Tweede Wereldoorlog medewerker van de Sicherheitsdienst in Groningen en werd in 1947 ter dood veroordeeld voor het mede-plegen van zeker 22 moorden. De straf werd omgezet in levenslang maar in 1952 wist Faber met zes medegedetineerden te ontsnappen uit de Koepelgevangenis van Breda. Sindsdien woonde hij in Duitsland).

Zie ook: www.begraafplaats-baarn.nl

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.