Home » Historie-Friesland » Friese Verzetsstrijders » Brandsma, Anno Sjoerd

Brandsma, Anno Sjoerd

Anno Sjoerd (Titus) Brandsma, (Hoogleraar aan de universiteit te Nijmegen) geboren op 23 februari 1881 te Oegeklooster. Overleden op 26-07-1942 te Dachau.

Verzet.

Al in een vroeg stadium waarschuwde Brandsma via publicaties in dag- en weekbladen en tijdens lezingen en colleges voor de gevaren van het nationaalsocialisme, rassenhaat en ophitsing. Hij veroordeelde de anti-joodse maatregelen van het Hitler-regime zowel reeds voor als tijdens de bezettingstijd. Zo was hij medio 1936 enige tijd lid van het door Nederlandse geleerden en kunstenaars opgericht Comité van Waakzaamheid tegen het nationaalsocialisme. Tijdens de oorlog verzette hij zich tegen het verwijderen van Joodse leerlingen en bekeerlingen van katholieke middelbare scholen en was hij de architect van het verbod dat de Utrechtse aartsbisschop Jan de Jong uitvaardigde tegen het opnemen van NSB-advertenties in de r.k. dagbladen.

Arrestatie en overlijden.

Als gevolg daarvan arresteerde de Gestapo pater prof. Brandsma op 19 januari 1942. Via een tocht langs de 'Oranje'-gevangenis in Scheveningen, kamp Amersfoort en de strafgevangenis van Kleef kwam hij tenslotte in het beruchte concentratiekamp Dachau terecht. Ook hier was, aldus latere getuigenissen van voormalige kampgenoten, deze 'alledaagse' mysticus een grote morele, spirituele en daadwerkelijke steun voor zijn medegevangenen. Na enkele weken vol ontberingen en mishandelingen werd hij - levenslang behept met een wankele gezondheid - uitgeput en doodziek in het kamphospitaal opgenomen. Met een dodelijke injectie maakte een kamparts daar een einde aan zijn leven. In 1986 werd pater Titus na een jarenlang onderzoek door de RK kerk zalig verklaard.

In de Tweede Wereldoorlog sloten de nazi's in het Oranjehotel Nederlanders op die zich, op wat voor manier dan ook, tegen de Duitsers verzetten. Het verblijf in het Oranjehotel was meestal niet langdurig: gevangenen werden vrijgelaten, of op een andere plaats, vaak in Duitsland, gevangen gezet. 734 gevangenen van het Oranjehotel zijn omgekomen. Een deel daarvan is ter dood veroordeeld en geëxecuteerd op de Waalsdorpervlakte, maar velen zijn op andere plaatsen om het leven gekomen. Ongeveer 25.000 Nederlanders zaten tijdens de Tweede Wereldoorlog gevangen in het Oranjehotel, waaronder priester en hoogleraar wijsbegeerte Titus Brandsma en hoogleraar rechten Rudolph Cleveringa.

Tekening van Titus Brandsma, vervaardigd in het concentratiekamp te Amersfoort door John Dons, die kort nadien gefusilleerd werd. De tekening werd uit het kamp gesmokkeld door de heer J. A. C. Bleeker te Aerdenhout.

● 1947: Weekblad 'De Zwerver'

PROF. DR. TITUS BRANDSMA.

De naam van Prof. Dr. Titus Brandsma heeft voor de verzetsmensen geen vreemde klank, hoewel de meesten weinig meer van hem zullen weten, dan dat hij in een concentratiekamp stierf en in de Scheveningse gevangenis een teer en vroom lied schreef, dat ons bewaard bleef en in de bezettingstijd o.a. in de bundel „Frontsector" in tienduizenden exemplaren verspreid werd.

De heer H. W. F. Aukes schreef thans een uitvoerige biografie over Titus Brandsma, welke door het Spectrum werd uitgegeven. Met bewondering hebben wij dit werk gelezen. Bewondering', niet alleen voor de figuur van Titus Brandsma, maar ook voor het gedegen werk, dat de auteur ons hier biedt. Hij noemt het zelf een beknopte biografie met een voorlopig karakter. Dat is wel zeer bescheiden. Alleen de bijna 250 verwijzingen naar door hem geraadpleegde geschriften, spreken al duidelijke taal.

Doch daarnaast heeft de schrijver een respectabel aantal personen, die op een of andere wijze met Titus in aanraking waren, gevraagd naar hun bevindingen, zodat hij ons uiteindelijk een beeld kon geven, dat zeer volledig is. En dat moet een niet eenvoudige taak geweest zijn ten opzichte van een figuur, met een zo veelzijdige belangstelling als Titus Brandsma.

Wie dit boek leest, ziet uiteindelijk de figuur van de kleine Fries in zijn Carmelieter pij, voor zich leven; hij hoort de stem van deze „sjouwer en draver voor God"; die milde, argeloze natuur, die zich nergens te hoog voor acht, naar Christus voorbeeld bewogen met elke hulpbehoevende, die zijn weg kruist.

Titus was een Fries in hart en nieren, doch geen Fries, zoals de massa zich die graag denkt: stroef en afwijzend, doch blij en open. Het was in het hart van Friesland, in Oegeklooster, dat Anno Sjoerd Brandsma op 23 Februari 1881 geboren werd. Zijn hart hing aan dit land, hetgeen blijken moge uit hetgeen hij eens schreef: „Wy Friezen halde fen us groun en fen ûs folk. Wy binne bliid, det wy Friezen binne".

De liefde voor Friesland, het waren geen ijdele woorden, want in de Friese beweging speelt Titus een grote rol. Bij de oprichting in 1911 van de Rooms Frysk Boun wordt hij voor lange jaren de eerste secretaris. En hij doet het met hetzelfde vuur, dat al zijn acties kenmerkt. Op de eerste jaarvergadering zingt men een lied „Fryslan", op eenvoudige, door hemzelf gedichte tekst:

Fryslan, hwer myn Mem my widze,
Hwer as bem ik boarte had,
Hwer 'k myn earste wirden utre,
Fen gjin lansdou haldt ik sa! 

Friesland, waar mijn moeder mij wiegde, waar ik
als kind heb gespeeld en waar ik mijn eerste woorden
sprak — van géén land houd ik zo!

Maar hij is de man van de grote lijn. De universitaire leerstoel in het Fries is jarenlang het doel van vele reizen en conferenties. De wetswijziging ten behoeve van het Friese onderwijs is allereerst Titus werk. Doch in zijn edelmoedige bescheidenheid maakt hij geen reclame voor de eigen zaak, zodat uiteindelijk weinigen weten van zijn activiteit daarvoor.

Op elfjarige leeftijd trekt Titus naar het Brabantse Megen, waar hij onder Fransiscaanse leiding de zes-jarige studie der humaniora voltooit. Als zeventienjarige doet hij op 17 September 1898 zijn intrede in de Boxmeerse Carmel, het klooster van een religieuze gemeenschap, die haar oorsprong terugvoert tot de kluizenaars van de berg Carmel, mannen, die daar de geest gecontinueerd hadden van de, profeet Elias, die zij hun vader noemden.

Na een tweejarig noviciaat vangt hij zijn philosophie studie aan, doch reeds in het eerste jaar van deze studie treft een maagkwaal, die hem in later jaren steeds blijft vervolgen, voor het eerst in volle kracht zijn werkzaam leven. Hij wordt terstond van het vasten en alle oefeningen
ontslagen, doch gebruikt de uren van gedwongen rust voor een bewerking uit het Frans van een Bloemlezing uit de werken der H. Teresia, zijn grote Ordeheilige, een studie, waarmee hij practisch verder zijn hele leven bezig blijft en waaraan hij nog in de Scheveningse gevangenis arbeidt.

Dan volgt een vierjarige theologische studie in Zenderen en Oss, onderbroken door de beslissende opgang naar Gods altaar in de Bossche Sint Jan, welke in 1905 plaats vindt. Als hij zijn theologische studiën voltooid heeft, verwacht ieder zijn benoeming in het leraarschap, doch
deze blijft uit wegens zijn afwijkende meningen in wijsgerige kwesties.

Als Dr. Hubertus Driessen, procurator van de ganse Carmelorde het klooster bezoekt en bemerkt, dat men Titus sacrista van het klooster gemaakt heeft, beslist hij echter, dat Titus naar Rome moet om daar philosophie te studeren. Daar wordt hem op 25 October 1909 de doctorsbul
uitgereikt.

Ondanks zijn zwakke gezondheid heeft Titus dan reeds tal van publicaties in tijdschriften verzorgd, waarbij hij van een grote sociale activiteit blijk geeft. Als leraar nu keert Titus naar het Osse klooster terug. Steeds verder verdiept hij zich in de Carmelhistorie, waaraan hij tal van publicaties ontleent, waarbij vooral de vertaling van de werken van de grote Carmelites, Teresia van Avila, de liefde van zijn hart heeft.

Dan komt ook zijn activiteit in de Friese beweging. Titus activiteit kent geen grenzen; hij wordt redacteur van het tweemaal wekelijks verschijnende blad „De Stad Oss", zet de stichting van
een openbare leeszaal in Oss door. De prior moet hem, om zijn tere gezondheid lange tijd het vroege koorgebed van vijf uur verbieden, maar bemerkt dan tot zijn schrik, dat er tot diep in de nacht in Titus cel gewerkt wordt. Hij wordt de ziel van de missiebeweging in het Zuiden, verdeelt zijn krachten tussen de wordende HBS te Oss en het Oldenzaals Lyceum.

Op de 27ste Juni 1923 komt op de Osse Carmel het bericht binnen van Dr. Brandsma's benoeming tot gewoon hoogleraar in de geschiedenis der Wijsbegeerte en de mystiek aan de Hogeschool te Nijmegen. Titus Brandsma sluit zich niet op in een professoraat. Hij is wel een wijsgeer, doch één met een Apostelziel.

Overal waar hij kan — en ook wel waar het eigenlijk niet kan — neemt hij zijn deel — en meer
dan dat — aan organisatie en reglementering. En daarnaast vindt hij tijd voor ieder, die in moeilijkheden en druk verkeert. Enkele woorden van hem voortgekomen uit- een warm-voelend hart, vagen bij velen, om voor henzelf onnaspeurlijke redenen, alle moeilijkheden weg.

De 19e Januari van het oorlogsjaar 1942 brengt Titus' arrestatie door de Duitse Sicherheitspolizei. Aanleiding daartoe is zijn bemoeienis met de Katholieke pers. In twee punten van het allereerste belang: het onderwijs aan de middelbare scholen en de katholieke pers, culmineert in 1941 Prof. Brandsma's activiteit. Hij is dan de naaste en eerste medewerker van de Aartsbisschop van Utrecht. Hij is n.l. voorzitter van de Bond van besturen van R.K. scholen voor voorbereidend hoger en middelbaar onderwijs en adviseur van de Kath. Journalistenvereniging.

Op Oudejaarsavond van 1941 schrijft Titus Brandsma, in opdracht van de hoogste bestuurder der Nederlandse Kerkprovincie, zijn richtlijnen voor de katholieke journalisten „Een kostbaar en eerbiedwekkend document, dit stuk, waarin de Carraeliet de last van de journalisten overneemt en zich plaatst tussen zijn broeders en de vervolger. Zijn woord: "het kan niet anders, de grens is hier bereikt", het hoort voor altijd thuis in het hart van Christen-Nederland.

In de volgende dagen heeft Prof. Brandsma besprekingen met de verschillende Bisschoppen, Dagbladdirecteuren en journalisten. Die actie wordt afgebroken door zijn arrestatie. De bewaard gebleven stukken, welke op Prof. Brandsma's verhoren betrekking hebben, tonen aan, hoe
moedig hij tegenover de Duitsers de gehoorzaamheid aan Zijn Meester beleed. Wat hij deed, was een protest tegen beginselen, met die van de Kerk in strijd.

Is dat dezelfde Prof. Brandsma, die zich nooit in heftige polemieken wikkelde? Die zo graag bijeenbracht en overal de synthese zocht en met grote voorkeur de middenposities zocht? Ja, volkomen dezelfde, want ondanks dat was hij nooit de man, die eigen mening verdoezelde of prijsgaf, doch hij wist anderer standpunt te waarderen en zocht altijd naar de punten. waarop men kon overeenstemmen. Doch waar die punten ontbreken, waar zijn geloof hem een bepaalde
weg voorschrijft, daar is hij onvermurwbaar, ook al blijft hij de dingen zonder enige felheid zeggen en zoekt hij zijn positie zo gunstig mogelijk te belichten. Hij werpt zich niet onder het zwaard van de beul, al zal hij het, als God het over hem beschikt, niet ontwijken.

Tot 12 Maart blijft Titus in het Oranjehotel. Het is in de barre winter van 1942, wanneer de verwarmingsbuizen nauwelijks enige warmte geven in zijn cel. Doch klagen doet hij niet. Laat het kil en koud zijn om hem heen, Jezus' nabijheid maakt hem alles goed. De schaarse documenten uit Titus Scheveningse dagen geven ons een kijk, recht in zijn hart. Het is het
hart van een monnik, teruggekeerd tot de rust van voorlopig ononderbroken eenzaamheid, na twintig en meer jaren van rusteloze arbeid en actie, van reizen zonder eind, van bijna chaotisch-verscheiden bedrijvigheid.

De rust van de cel wordt hem echter niet lang gegund. Eer we twee maanden verder zijn telt het kamp Amersfoort hem onder de gevangenen. Daar houdt hij het vol tot de eerste lentedag, dan verhuist hij naar de Sanitätsbarak.

Er wordt honger geleden in Amersfoort, maar Titus klaagt niet. De kleine gestalte moge uitgeteerd zijn, achter de dikke brilleglazen blijven de ogen levend van geest. Op Goede Vrijdag houdt hij er, steunend met de elleboog op een der bedden, een van de schoonste colleges uit zijn bijna twintigjarig professoraat.

Het is een college over de Nederlandse lijder-mystiek diepe gedachte, zowel om de dag als
om de plaats! Bij zijn lezing staat Pater Titus boven op een kist, die -tot spreekgestoelte dient, tussen twee rijen bedden in. Rond de tafel voor hem zitten de genodigden uit andere barakken en opgepakt op de bedden aan alle kanten de eigen inwoners van de barak, in het geheel een auditorium van zeker meer dan honderd man. Achter de beschotten wordt door anderen meegeluisterd. De wonderlijkste vergadering, ooit gehouden!

Professoren, vooraanstaande geestelijken en leken, juristen en journalisten, de bloem van een volk, allen in hun oude soldaten-pakjes, allen met lijdende en vermagerde gezichten. Velen getuigden, dat deze lezing verreweg de mooiste was, welke zij tijdens hun gevangenschap hoorden.

Van 28 April tot 16 Mei vertoeft Titus opnieuw in Scheveningen, wachtend op doorzending naar Duitsland; een kleine oase, vóór de gloeiende hitte van de woestijn hem zal verzengen. Dan komt in Kleef, op doorreis, nog de allerzoetste verkwikking, de Heilige Mis en de Communie in de gevangeniskapel.

Omstreeks 13 Juni wordt hij naar Dachau getransporteerd. Onder zijn reisgenoten is Ds. Kaptein uit Groningen. zijn grote vriend. Beiden zijn aan de laatste etappe van de aardse reis gekomen.
Meer dan wie ook wordt de kleine Pater, die lichamelijk aan het eind van zijn krachten is, in Dachau mishandeld. De hel van Dachau is in deze maanden op z'n ergst. Met Ds. Kaptein, met Ds. Knoop uit Rotterdam, met de Rotterdamse aalmoezenier rector Kuyper, met de Geref. predikant Dr. Sietsma en anderen, heeft Titus warme contacten. Zij weten zich een in de zekerheid der eeuwige dingen.

Op Sint-Annadag van 1942 kan het moegestreden lichaam van Titus Brandsma de strijd niet langer volhouden: zijn krachten zijn verteerd. De weg van het lijden, de weg naar het Rijk van
Christus, is ten einde.

AD.

Reactie plaatsen

Reacties

Godfried van Agthoven
7 maanden geleden

Titus Brandsma is op 3 november 1985 in Rome zaligverklaard door paus Johannes Paulus II.

Groeten. t.t. Godfried van Agthoven
( medewerker Titus Brandsma Museum Bolsward)