Boer, Gerrit de

“Herinneringen uit mijn kampleven Vught-Dachau 1943-1945” van Gerrit de Boer thans wonende in Canada.

Gerrit de Boer, geboren op 30 juli 1921 was in 1943 inwonend boerenknecht bij Sietze Reitsma te Sandfirden.

Gerrit was afkomstig van, toen Idzega, thans Rigedyk 12 Oudega (W)
Wegens zijn daadwerkelijk aandeel aan de Mei-staking in 1943 werd hij door de Duitsers opgepakt. Na zijn terugkomst uit Dachau in juni 1945 werd hij van verschillende kanten verzocht zijn belevenissen op schrift te stellen. In de loop van 1945 heeft Gerrit de Boer zijn wederwaardigheden met potlood in een schrift geschreven en op verzoek werd dit dan voor diverse verenigingen vooral J.V.’s en M.V.’s voorgelezen.

Na 40 jaar was dit potloodschrift zodanig verbleekt dat alleen hijzelf dit nog kon lezen. Op mijn verzoek heeft Gerrit de Boer dit overgeschreven en mij toestemming gegeven dit te plaatsen in de “Nijsljochter”. De aantekeningen zijn sober en is een relaas van feitelijkheden. Tussen de regels staat vaak meer dan er in. “Hier werd ik kort verhoord en ter dood veroordeeld direct of morgenvroeg” zo vertelt Gerrit de Boer in deze eerste aflevering, maar wat hij dan denkt en wat hij dan heeft doorgemaakt in die dagen daarna, geen woord daarover.

Wanneer er iemand in het kamp werd opgehangen moesten ze er in een boog om heen staan en dan zegt Gerrit de Boer “veel indruk maakte het niet, want we hadden zo langzamerhand al aardig wat meegemaakt.” Voor de aandachtige lezer zijn deze “herinneringen uit mijn kampleven” een indrukwekkend verhaal. Een verhaal van een getekende, kaalgeknipt, zebrakleding. Een verhaal over treiteren, martelen, hard werken, honger, altijd honger, moorden, bitter kou, luizen.

Dat alles heeft Gerrit de Boer overleefd, toen een jongen onder ons, en nu vertelt hij zijn ontberingen in elf afleveringen in de Nijsljochter, 41 jaar later (1986).

Bewaar deze afleveringen.

Hiele Walinga.

 


1. ’t Was een prachtige zonnige morgen, de morgen van de 3e mei 1943. Doch wreed werd onze rust verstoord, want voordat we erop verdacht waren was de boerderij van S. Reitsma, waar ik toen werkte, door de leden van de Grüne Polizei met medewerking van de beruchte handlanger der S.D., Lammerts, omsingeld. Wegens sabotage met de Meistaking werd ik toen gearresteerd en meegenomen in de overvalwagen die in Sandfirden gereed stond. Met nog een paar bekenden, n.l. Hieltje Walinga en Sikke Bakker gingen we naar Oudega waar ook nog de vrouw van Bouke de Vries werd meegenomen, vervolgens gingen we naar Woudsend waar we de hele dag zijn geweest en toen naar Leeuwarden.

Allereerst naar de gevangenis en de volgende dag naar het Oldburger weeshuis waar de S.D. was ondergebracht. Hier werd ik kort verhoord door het Standgericht en ter dood veroordeeld, direct of morgenvroeg. Met zo goed als ik weet met nog vijf anderen o.a. ook onze dorpsgenoot Bouke de Vries, met wie ik nog even heb gepraat. Alhoewel, die is toen ook direct opgehaald met nog iemand, hoogstwaarschijnlijk een zekere Fokkens, die zo goed als ik weet denkelijk direct zijn doodgeschoten. Daarna werd ik met drie anderen, een zekere Eisinga een onderwijzer uit Gorredijk, die ’s nachts nog is doodgeschoten, en nog twee uit Berlikum, die in Dachau zijn overleden, naar het Huis van Bewaring gebracht.

Na een tijdlang in onzekerheid te hebben gezeten werd de doodstraf in 15 jaar Tuchthuisstraf omgezet. Vijf weken heb ik daar gezeten alleen in een cel, wat eerst niet best was, vooral daar ik absoluut niets had te doen, ook niets te lezen. Later werd dat beter, maar met Gods hulp ben ik daar ook doorgekomen. Daarna werd ik met die twee uit Berlikum naar het Scholtenshuis in Groningen gestuurd om de volgende dag met een heel transport naar Vught te gaan.

Toen we daar aankwamen regende het en lieten ze ons een poos buiten staan om te wennen. Daarna werden onze bezittingen afgenomen b.v. geld, brieven, horloges enz. Na geregistreerd te zijn, kaalgeknipt, kregen we kampkleding met blauwe en witte strepen (zebra). Vervolgens gingen we het kamp in, een der eersten die ik ontmoette was Jan Elzinga, nog een oude schoolkameraad, om toen naar een der barakken ondergebracht te worden.

2. De andere dag gingen we naar een andere barak (Blok 15) waar alleen zwaar gestraften, joden en ter dood veroordeelden waren. In ’t eerst deden we niks en zaten we de hele dag binnen en verveelden ons best. Negen uur ’s avonds was het bedtijd en 4 uur ’s morgens opstaan. Er werd eerst nog behoorlijk geslagen, we hadden 3 keer per dag appèl, wat ze om te pesten aardig konden rekken vooral als het regende, en wee als het niet klopte of als er eens iemand tussen uitgeknepen was dan kon het tot in de nacht duren.

Ook ’s middags om 12 uur duurde het wel eens zolang dat het eten er bij in schoot. Wat dat eten betrof, dat was in één woord slecht, het smaakte verschrikkelijk. Ik heb wel eens gehoord dat dat met opzet werd gedaan, daar de S.S. officier die over de keuken ging een geweldige haat jegens de gevangenen koesterde. Dan werd het geringste vergrijp zwaar gestraft b.v. 25 stokslagen die niet mals waren, een tijd in de bunker en soms ook een tijd lang op hurken huppen totdat het slachtoffer erbij neerviel.

Toch zeiden diegenen die er als een tijd waren geweest dat het een sanatorium was vergeleken bij wat het geweest was. Nou dat vond ik in het begin alles behalve, maar alles went gelukkig, en ook dit leven. Na een poosje kon ik me er ook best inschikken, vooral toen we aan het werk werden gezet gaf dat heel wat afleiding. Eerst begonnen we met ijver, maar dat duurde niet lang toen volgende we het voorbeeld van anderen om zo weinig mogelijk te doen. Ze noemden dat drukken. eerst bestond het werk uitsluitend uit zand kruien, we hadden altijd de kruiwagen vol. Maar in het zand zat altijd zo’n verdacht kuiltje dat was van het zitten erin en er waren altijd van die mooie sprekers die voor de afwisseling zorgden.

Maar als er gevaar was dan was het plotseling een en al bedrijvigheid. In de regel hadden we een Hollandse SS-er over ons gesteld, maar die was in de regel niet te zien en over het algemeen hadden we daar helemaal geen last van, die hadden al lang in de gaten dat ze op het verkeerde paard hadden gewed. Maar je moest daarom altijd voorzichtig wezen wie je kon en wie je niet vertrouwen kon. Dan was er nog een Duitse gevangene een zgn. Capo over ons gesteld als voorman die meestal een goed heenkomen had gezocht. Echter op veel commando’s en vooral buiten het kamp waren die Duitse Capo’s beestachtig slecht dat hebben we later genoeg ondervonden.

3. Meest waren dat de communisten en beroepsmisdadigers die daar voor moord zaten en die vooral tijdens hun kampleven er nog heel wat doodgeranseld hebben. En waar ze vaak door hun gedrag hun leven weer aan te danken hadden. Dit soort waren dan ook onze Blok leiders die ons het leven in de barakken soms danig lastig maakten, alhoewel ze later aardig bij draaiden toen ze zagen dat de Duitse oorlogskansen er niet beter op werden. Onze kampcommandant, Smylevsky, een Hauptsturmführer, hadden we nog niet eens zo heel veel last van, ’t was niet een best persoon maar hij had veel meer belang bij zijn eigen “pretjes”.

Zo nu en dan kwam er een houten bok op de appèlplaats, dan werden een aantal uitgeroepen die wat op hun geweten hadden en met een zeer buigzaam leren ztok werd er op onmenselijke manier geranseld, een obersharführer (Etlingen) was daar een meester in, wat luider er gekermd werd wat meer de commandant met zijn staf genoot.

Doch na enige tijd maakten ze het zo bont door hun liederlijk leven, om maar wat te noemen, door ’s nachts in gevangenenkleren de Joden vrouwen met een bezoek te vereren, toen is de commandant met zijn aanhang naar Berlijn opgeroepen.

Later in Dachau zagen we hen doch niet meer met hun rang en tekens op de kraag doch als gevangenen (dit waren de zgn Gevallen Engelen). Toen kwam er een andere commandant (Grünewald) en dat was ook vooral niet een beste, toen moesten we werken. Want als mens het niet verwachte dook hij plotseling op en zijn straffen waren niet mals. Zondag ’s morgens was het stenen sjouwen en dat was niet best alhoewel er joden bij waren en die waren er in de regel genoeg, nou dan hadden we nog niet te klagen.

Soms werd er ook wel eens een jood doodgeschoten op het werk die niet meer kon. De reden was dan “werkweigering”. Ook richtte hij een zogenaamds strafbarak op als strafblok. Die daar inkwamen kregen verzwaring van straf, ook ik ben daar een maand of 5 in geweest, met alle zwaar gestraften. Het volgende werd hier o.a. verboden, geen levensmiddelenpakketten ontvangen, minder eten, niet roken, extra zwaar werk, niet in contact met ander gevangenen en zondags de gehele dag werken. Doch ook deze commandant werd gearresteerd en volgens de geruchten doodgeschoten. Hij had een aantal vrouwen in 2 kleine cellen in de gevangenis opgesloten voor een nacht. De deuren moesten worden dichtgetrapt anders konden ze er niet in.

4. De andere morgen waren sommigen gestikt, bewusteloos of krankzinnig. Hij zou het feitelijk stil houden, maar de lager arts, ook een Duitse, dat een goed mens was, dacht er anders over. Maar na verloop van tijd werd het beter voor het strafcommando. We moesten toen werken op een plaats achter in het kamp waar neergeschoten Amerikaanse en Engelse vliegtuigen gesloopt werden. Dit was best uit te houden en ook wel interessant.

We stonden onder toezicht van de “Luftwaffe”en die waren niet ongeschikt, daar hadden we het best uit kunnen houden tot het einde van de oorlog. Maar zo was het niet. Op de morgen van 25 mei 1944 werd plotseling de appèlplaats afgezet met zwaar bewapende SS-ers, 700 tot 800 nummers uitgeroepen om vervolgens in beestenwagens gebracht en in Duitsland ingevoerd. Waarheen vroegen we elkander af. Niemand wist het antwoord en veel hoop hadden we niet, daar we al heel wat van de Duitse kampen gehoord hadden, wat niet veel goeds was.
Een oude communist uit Rotterdam zei: “Ik ben bang dat we naar Natzweler gaan, daar ergens in de Elzas”. Daar waren ook twee van zijn jongens heen gestuurd en nooit weer iets van gehoord. Dit was een zgn. “Nacht und Nebell kamp”, met andere woorden, een vernietigingslager met steengroeven.

Dit was niet zo opbeurend, want wij hadden genoeg van die verhalen gehoord en we gingen ook eerst aardig die richting uit. Maar na ongeveer een nacht en een dag gespoord te hebben stonden we voor de poort van Dachau. Daar aangekomen te zijn, het was inmiddels al donker geworden, moesten we eerst een poos buiten het kamp wachten.

Maar om een uur of tien gingen we het kamp binnen. Toen werden de nummers uitgeroepen. Maar toen dat niet vlug genoeg ging, wat eigenlijk de schuld was van de gevangenen, want die hadden in het geheel geen haast, werd er iemand om een stok gestuurd en aan de rapportführer overhandigd. Nou toen kwamen ze wel en toch was deze Duitser lang de slechtste niet, want de volgende dag zagen we hem weer en toen was hij niet onvriendelijk tegen ons. Daarna mochten we slapen in het badhuis zomaar op de cementen vloer. De andere dag kregen we andere kleren en gingen we naar een “quarantaine barak“. Hierin was ruimte voor 400 man, doch ze stopten er 1000 in. Met slapen lagen we om en om, zodat we met het gezicht tegen de ander zijn tenen lagen.

5. Toen hebben we vaak gedacht hoe goed we het destijds thuis wel hadden. Overdag liepen we tussen 2 barakken in, het straatje was ongeveer 200 meter lang en 5 meter breed, dus niet veel “lebensraum”voor zo’n 1000 man. Na 3 weken gingen we naar één der vrije blokken en mochten we in het kamp waar het vrij rustig toe ging. Het eten hoewel niet genoeg, was veel beter en smakelijker dan in Vught. ’s Zondags in het bijzonder. Maar lang zijn we hier toen niet meer gebleven. Toen werden we gesorteerd en naar een buitenlager gestuurd ongeveer 8 km. van Dachau, Allach genoemd.

Voor die tijd werd ons afgenomen wat we volgens hun niet mochten bezitten. ik had een Nieuw Testament, dat ik overal nog mee had kunnen smokkelen, maar hier was dat niet mogelijk. Een Duitse officier nam het me af met de belofte als ik weer vrij kwam, kreeg ik dat terug, en warempel, na ik weer een paar maanden thuis was, werd het me vanuit Dachau toegestuurd.
De aankomst in Allach ging weer met de stok gepaard, alhoewel, het maakt wel verschil wat voor nationaliteit je was, de Russen hadden het harder te verduren dan wij.

Reeds de volgende dag maakte ik mijn eerste vliegtuigbombardement mee, bestemd voor de BMW fabriek, waar vliegtuigmotoren werden gemaakt. De andere dag moesten we helpen om bij de getroffen keuken van de fabriek opruimingswerk te verrichten. Het kon slechter, want hier viel nog wel iets af dat we best konden gebruiken, daar we de laatste tijd niet waren verwend wat de kost betrof. Maar dit was maar voor één dag en toen moesten we naar de fabriek. veel hoefden we eerst niet te doen. Maar de tijd viel verschrikkelijk lang. Vaak hadden we last van bombardementen, dan lagen we in het open veld midden in een regen van granaatscherven.

Maar ook hier zijn we niet zo heel lang geweest, want de Duitsers zagen wel dat er zo ook niet veel van hun machines over bleef, zodat ze alles op treinen zetten en naar Elzas-Lotharingen stuurden, waar een tunnel was door de Vogezen. Daarin werd alles opgesteld. ook ik moest met enige honderden daarheen. Het was jammer dat het onder deze omstandigheden was, maar we reisden met een elektrische trein en vooral door het Zwarte Woud was het in een woord schitterend. We kwamen ’s morgens in Straatsburg aan, daarna nog een half uur sporen en kwamen we in het stadje Markirch aan en werden we ondergebracht in een oud afgedankt weeffabriek waar we met een 1000 man verbleven. Hier was de bewaking niet zo slecht, de commandant van de Luftwaffe was niet ongeschikt en gaf helemaal geen last.

6. De minste daar was een Duitse gevangene, een beroepsmisdadiger, die dan ook de lageroudste was. Die moest altijd slaan en commanderen zonder redenen. Ik heb het gezien dat soms gevangenen in bescherming werden genomen door de “rapportführer, die een Duitse SS-er was. Emil heette die lageroudste. Hij is later ontsnapt, anders had hij het aan het eind van de oorlog ook gekregen.

Ook een Hollandse gevangene heeft zich ook niet zo best gedragen, zijn naam was Niks. Die naam deed hij ook alle eer aan. Wij moesten hier werken in de 1 ½ km tunnel, aan de ene kant reed een trein, terwijl daarnaast de draaibanken stonden om onderdelen voor de vliegtuigmotoren te maken. Dat was tenminste de bedoeling. Maar als ergens werd gesaboteerd dan is het daar geweest. Werken werd er praktisch niet gedaan en toezicht was er weinig, gevaar was er feitelijk ook niet. Op beide einden van de tunnel stonden wachtposten. De Russen waren nog het ijverigst, die maakten stiekum ringen e.d. artikelen van het chroomstaal waar de Duitsers zo erg zuinig op waren. Deze dingen verkochten ze weer voor sigaretten en brood aan de civiele arbeiders die daar werkten.

Ook waren daar Hollandse arbeiders die daar tewerk gesteld waren. Daar hebben we heel wat aan gehad. Ze gaven ons geregeld brood en ander eten dat ze uit hun kamp meenamen. Nou dat kwam ons heel wel van pas. En ook andere buitenlandse arbeiders deden hun best voor ons. We kwamen in aanraking o.a. met een Griek, iemand van Kreta en ook een Armeniër die daar bij Perzië vandaan kwam. In dit geval deed de Duitse taal wonderen. Dus vielen de dagen ons niet zwaar.

’s Zondags was het erger, dan moesten we vaak stenen sjouwen buiten de tunnel dan natuurlijk in een behoorlijke warmte dan was het vloeken slaan en trappen en het waren in de regel gevangenen, veelal Polen, die dat deden. Jammer dat de omstandigheden zo waren want de Elzas met zijn woeste Vogezen gebergte is schitterend mooi. Een keer op een morgen heb ik hier ook een terechtstelling meegemaakt. Een Ciciliaan die gevlucht was en weer gepakt, werd in front voor iedereen opgehangen, want vluchten uit en kamp in Duitsland betekende de strop.
Eerst moesten we er met een boog omheen staan terwijl de Gestapo zijn werk deed. Daarna moesten we bij het lijk langs lopen, dit was voor afschrik. We hadden medelijden met het slachtoffer, maar veel indruk maakte het niet. We hadden zo langzamerhand al aardig wat meegemaakt.

7. Intussen waren we verhuisd naar een ander kamp, dichter bij de tunnel zgn “hondehokkenlager” want de barakken waren net hondehokken. Ruimte was er niet . Aan de ene kant wat stro om te slapen en aan de andere kant konden we staan of zitten. Stoelen en tafels waren er niet in. De toestand was bijzonder slecht daar. Vooral zondagsnachts dan waren de dag en nachtploeg bij elkaar en dan was het een gevecht van jewelste om onderdak te krijgen. Vooral de Russen die gooiden je er zo uit.

Eindelijk kwamen de Amerikanen zo dicht bij zodat wij ’s nachts het schieten konden horen. Volgens de geruchten was Straatsburg al gevallen dus waren we afgesloten. Maar dat was niet waar, en misschien maar goed ook, want ze hadden ons toen vast niet levend in de handen der Amerikanen laten vallen. En we hebben ook later gehoord dat ons kamp finaal kapot is geschoten.
Plotseling werden we weer op transport gesteld en werden we in een goederentrein gepakt en Duitsland weer ingereden. Drie dagen en nachten duurde deze reis. Onze reiskost bestond uit droog brood en vlees, Maar wegens gebrek aan drinkwater konden we het niet naar binnen krijgen. Slapen kwam ook niets van want we konden amper zitten laat staan liggen.

Doodmoe en uitgeput kwamen we eindelijk in Allach bij Dachau aan. Dit was op 3 oktober 1944. Daar aangekomen hadden we geen kans om wat water te drinken, maar gelukkig werden we het badhuis ingedreven. We kregen een koud bad, maar niemand voelde het. We dronken alsof het leven er van afhing toen het water van boven kwam.

De eerste vier weken hoefden we niets te doen alleen zo nu en dan wat sport maken voor de een of andere SS-er hardlopen, over de natte grond kruipen of iets dergelijks. Daarna heb ik een tijd gewerkt bij de bouw van de Bunkerhallen waar geheime wapens werden gemaakt. De muren daarvan waren 3 meter dik van cement en het dak 6 meter met veel staal in de cement. Dit moest bomvrij zijn.

We moesten ’s avonds 6 tot ’s morgens 6 in de cement werken in de koude novemberstormen, regen en soms sneeuw. Luchtalarm was altijd een welkome verrassing want dan moesten de lichten uit en mochten we naar binnen.
Doodmoe, koud en uitgehongerd kwamen we ’s morgens weer in het kamp aan. Deze fabriek was berucht vanwege het aantal doden die er gevallen zijn tijdens de bouw daarvan. Daarna werden we in het eind van november weer op transport gesteld. Naar een stadje Trostberg gelegen in Salsburg vlakbij de Oostenrijkse grens.

8. Hier hebben we een verschrikkelijke winter meegemaakt. Niet dat de bewaking nog zo slecht was, geslagen werd er praktische niet, maar het was de koude en de honger die er werd geleden. Kleren en schoenen waren hopeloos. Papier was hier een kostbaar ding, dat werd bij de kleren ingeduwd. Het was daar bergachtig. Het vroor soms van 20 tot 25 graden. Het waren hier feitelijk alleen jonge mensen tot een jaar f 30, enkele oudere, maar boven de 40 jaar zouden hier niet veel kunnen leven.

Veel zijn hier echter niet gestorven. Dan waren ze voor die tijd wel naar Dachau teruggestuurd. Vaak om daar te sterven. Wat ook niet aangenaam was was dat de onder de luizen zaten, want schone kleren kregen we nooit. Kerstfeest 1944 hebben we als Holanders met elkaar gevierd te midden van al die ellende. We hoefden een paar dagen niet te werken en het eten was toen ook goed. Alleen veel te weinig. Ook heb ik een tijd alleen tussen de buitenlanders gezeten. Meest tussen de Russen en dat was niet best.

Toen ben ik de wanhoop weleens nabij geweest. Maar dat kon ook niet, want ik moest hier weer levend vandaan komen. Daarna werd ik voor 3 weken opgenomen in de ziekenbarak vanwege een abces dat ik had opgelopen. Hierin moest ik Gods leiding ook weer zien. Want deze tijd heeft me voor heel wat ellende bewaard. Daarna, begin maart, gingen we weer op transport naar Allach. Hier aangekomen werden we ingedeeld bij het opruimingswerk in München. ’s Morgens 5 uur vertrokken we met de trein uit het kamp. ’s Avonds om 9 uur kwamen we weer terug. Maar ook wel eens later.

Ook wel eens middernacht, vooral als we veel vliegeralarm meemaakten.
Daarna zag ik de kans om een week vrij van werken te komen. Later kwam ik bij de zgn. Moorexpres. Dit was een grote wagen die door 25 gevangenen werd getrokken waar vracht voor het kamp mee werd gehaald. Meest uit Dachau. De afstand was een km. of 8. Dus 16 heen en terug. ’s Morgens vertrokken we en ’s avonds om een uur of 4 waren we terug. Dan kregen we voor het eerst eten. ¾ liter aardappelensoep en een klein stuk brood. Het was feitelijk niet genoeg om er van in het leven te blijven, laat staan om er op te werken.
Eens werden we naar het station gestuurd. Het heette om een wagen vol wortels te halen waar natuurlijk wel animo voor was. Toen we aankwamen bleken het lijken te zijn afkomstig van een Jodentransport uit Oraniënberg bij Sachsenhausen die waren 3 weken in de trein geweest.

9. Eerst kwamen de doden in de wagen en daar de zieken bovenop en die nog lopen konden daar weer achteraan. De andere morgen zou dat weer gebeuren maar ik zag kans om me aan sluiten bij een ploeg die op de tuinderij werkte waar het niet slecht was.

De commando-führer, een SS-er, was de kwaadste niet en zag veel door de vingers. Vaak was er luchtalarm en volgden er duikvliegers die kwistig met mitrailleurkogels omgingen. daar waren de Duitsers vaak banger voor dan wij. We lagen tenminste rustig onder de bomen. Het weer was inmiddels ook beter geworden. De schildwachten der SS waren vervangen door oudere weermachtsoldaten en die gaven helemaal geen last. Ik heb ook wel eens sigaretten met hen geruild tegen brood, er was ook wel een één die me zo een stuk brood gaf. Dit waren natuurlijk de wachtposten op het werk. Het kamp was nog volledig onder de leiding van de SS. Overdag voelden we ons niet zozeer gevangenen meer. Maar ’s avonds moesten we weer naar het kamp waar de ellende ons weer toegrijnsde. Waar ook vlektyfus heerste. Ook al door het slechte eten en ongedierte.

Wat ook nog mooi was op het werk dat we van de mensen die de tuinderij in eigendom hadden extra eten kregen wat geweldig van pas kwam.
Doch het was toen zo, wat we ook kregen het was nooit genoeg. Intussen wachten we altijd nog op de bevrijding, doch hoe lang nog. we wisten wel dat het goed ging, maar dat dat nog eens zou gebeuren leek ons bijna onmogelijk. En dat scheen zeker een gewoon verschijnsel te zijn, want ik heb veel boeken gelezen van andere gevangenen die er net zo over hebben gedacht. We waren al zo lang verdrukt en vertrapt en een nummer geweest, zodat je dacht dat het misschien altijd weleens zo kon blijven.

Er waren genoeg Duitse gevangenen die al een jaar op twaalf hadden gezeten. Eén zelfs 20 jaar, Noah genaamd, maar dat was een misdadiger. En als het al eens zover kwam, wat zou de SS dan doen. Ze waren best in staat om op het laatste moment de mitrailleurs op ons te zetten.
Doch steeds kwamen de Amerikanen nader. Toen ze bij Augsburg was, zo ‘n 85 km. van ons vandaan, konden we het geschut horen. Toen plotseling mochten we niet meer uitrukken om buiten het kamp te werken. Later hoorden we dat er bericht was gekomen in Dachau dat niet één gevangene levend in de handen der Amerikanen moacht vallen, dat gelukkig gesaboteerd is. Toen de Amerikanen in Dachau kwamen gaf de commandant de brief van Himmler, waar dat bericht in stond, over aan de Amerikaanse commandant.

10. Doch hebben we inderdaad klaar gestaan om op transport te worden gesteld. er waren SS-ers bij en heus niet van die besten. Echt, degenen die tot alles in staat waren met machtige geweren en honden. We waren klaar om weg en ik denk dat er bericht uit Dachau is gekomen, wan in enen was het “in de barakken, mars, mars”.

Plotseling om een uur of 10 die avond werden we opgeschrikt door het bevel dat alle Duitse en Russische gevangenen direct moesten aantreden voor transport. Velen zijn toen gegaan. Maar ook velen zijn in het kamp ondergedoken. Met elkaar zijn uit Allach en Dachau 6500 gegaan. Later hoorden we van een die terug kwam dat er die nacht 3000 waren neergeschoten in een bos. De rest wist te ontsnappen. Dit had ons deel ook kunnen zijn. Ik heb gehoord dat de reden was dat ze deze gevangenen uitkozen omdat Duitsland en Rusland niet lid waren van het Internationale Rode Kruis en misschien waren ze ook wel wat banger van deze gevangenen. En van hun kant bekeken misschien ook wel een beetje met recht, doch verschrikkelijk was het.

Vrijdagmorgen 27 april hadden we appèl. Vele van de Russen die in het kamp waren gebleven hadden in plaats van een R een F voor hun nummer, dan konden ze nog voor een Fransman er op door en het werkte ook nog. De Duitsers hadden het niet in de gaten. ’s Middags werden we schift en werden alle nationaliteiten afzonderlijk in de barakken ingedeeld. ’s Avonds was er weer appèl om een uur of 5. Doch toen er een regenbui kwam, liepen we allemaal van de appèlplaats weg en ook de SS-ers liepen weg. Om een uur of 11 werden we gewekt en werd bekend gemaakt dat de hele SS was gevlucht en dat binnen enkele uren de Amerikanen verwacht konden worden. Doch de andere morgen waren ze er evenwel niet en het werd zo langzamerhand wel een benauwde boel wat eten betrof.

Vooral voor de Hollanders. De Fransen en de Belgen kregen volop levensmiddelenpakketten en ook die van andere landen wel. Behalve dan de Russen natuurlijk, maar die kregen wel van de Fransen omdat ze het anders toch wel stalen.
Van de Belgen hadden we evenwel al een keer een pakket van 15 pond gehad. Deze pakketten werden door het Rode Kruis van deze landen geregeld. De plannen zijn er wl geweest voor de Hollanders, maar niet uitgevoerd.

11. Zaterdags gebeurde er niets en zondags niets. De spanning steeg behoorlijk. in de verte daar om Dachau heen, terwijl we op het dak van een barak stonden, konden we branden waarnemen. Daar werd gevochten. We konden niet uit het kamp komen, want nadat de SS vertrokken waren stonden er nog 8 soldaten van de weermacht op de torens rond het kamp. Doch deze werden door een stuk of wat vooraanstaande gevangenen ontwapend en naar huis gestuurd. Die gevangenen namen de bewaking over, wat maar goed was anders was er wanorde gekomen.

Die zondagavond beleefden we nog angstige ogenblikken. De Duitsers waren teruggekeerd bij het afweergeschut en beschoten de Amerikanen die inmiddels Dachau hadden bevrijd en onderweg waren om ons te bevrijden. Maar daar die er niet voor voelden om zich door de Duits “Flak”kapot te laten schieten waren deze weer terug gekeerd.

De andere morgen waren de Duitsers voorgoed vertrokken en om 12 uur maandag 30 april kwamen de pantsers en jeeps van de Amerikanen aanrollen. Of ze met gejuich werden ingehaald laat zich natuurlijk indenken. Eindelijk de lang begeerde vrijheid. De Amerikaanse commandant, een farmer uit het gebied der Ohio-rivier, wordt op de schouders gedragen.
We mochten evenwel niet buiten het kamp komen. Wie het al probeerde had kans dat hij door Amerikaanse posten werd neer geschoten. Maar ja, orde moest er zijn.

Het werd natuurlijk vooral wat eten betrof direct beter. Alhoewel er na de bevrijding nog heel wat gestorven zijn aan tyfus en de geleden ontberingen. Direct na de bevrijding ben ik zelf ook nog behoorlijk ziek geweest, maar ben er gelukkig door heen gekomen.
Zo nu en dan hadden we wat afwisseling als er weer een truck vol gevangen SS-ers werd binnengebracht, en in de zgn. bunker werd gestopt.

Ook onze ex-kampcommandant, Jarlin, was gevlucht, doch een dag of wat later gepakt en werd op de motorkap van een jeep bij het kamp langsgereden. Onder luid gejuich van de gevangenen. En vervolgens naar Dachau vervoerd, werd hij tewerk gesteld om mee lijken op te ruimen. Maar het wachten in het kamp werd tenslotte vervelend, doch eindelijk op 24 mei brak de dag aan dat 100 Hollanders met 3 van de Duitse georganiseerde bussen het kamp verlieten.
5 dagen duurde deze reis en met veel belevenissen en avonturen bereikten we na ook voor ons weer een prachtige reis de Hollandse grens.

Hier aangekomen werden we opgevangen in R.K-ziekenhuis, waar we op een geweldige maaltijd werden onthaald. Vandaar gingen we naar Eindhoven waar we een paar dagen in het Veemgebouw vertoefden, vanwaar we toen naar huis gingen. Nu is het beurt aan degenen die zoveel leed veroorzaakt hebben om hun straf te ondergaan. Maar het ligt niet op onze weg om wraakgevoelens te koesteren. God zal hen straffen.

Gerrit de Boer.

Bron: www.oudega-wymb.nl

Foto Wikipedia: Monument der gevallen kinderen, Vught

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.