B

Blom, Pieter Pieter Blom

1-109.jpg

Pieter Blom, geboren op 30 september 1912 te Murmerwoude (thans Damwoude), overleden op 26 november 1944 bij de Engelsmanplaat.

Hij was nachtwaker in het gemeentehuis in Drachten. Tijdens de bezetting gaf hij onder de schuilnaam 'Sjors' leiding aan de Knokploeg in Drenthe. Eind november 1944 was hij met een helper en twee piloten die bij Diever waren neergeschoten, op weg naar het drenkelingenhuisje op de Engelsmanplaat tussen Ameland en Schiermonnikoog. Met Engeland was de afspraak gemaakt, dat hier een boot de vliegers zou oppikken. Er was een sein afgesproken, maar toen de boot verscheen klopte dit teken niet helemaal.

Het schip verdween weer en de vier mannen bleven op het eiland tot het voedsel opraakte. Toen ging Blom het Wad op om hulp te halen. Hij verdween op 26 november 1944. Zijn stoffelijke overschot spoelde aan op het strand van het Duitse Borkum. Men constateerde dat Piet Blom was neergeschoten. Tot op de dag van vandaag is niet duidelijk wie hiervoor verantwoordelijk is. Blom werd begraven op de Algemene Zuiderbegraafplaats in Drachten. De drie overgebleven mannen op de Engelsmanplaat zijn op eigen gelegenheid naar de vaste wal gelopen. De twee piloten hebben de bevrijding van Friesland in de omgeving van Drachten afgewacht.

Vluchten via Engelsmanplaat.

Een van de bijzondere landschappen in Noord-Nederland is het waddengebied. Al meer dan zestig jaar gaan er verhalen rond dat dit gebied een bijzondere rol zou hebben gespeeld in de oorlog. Twee kleine eilanden aan weerszijde van Schiermonnikoog, Engelsmanplaat en Simonszand, zouden vluchtroutes zijn voor neergeschoten Amerikanen op weg naar Engeland. Waarschijnlijk is er maar één poging geweest en die is op een tragische manier mislukt.

In de winter van 1941 verscheen een Küstenverordnung van de Rijkscommissaris, waarbij de kust en dus ook het gehele waddengebied tot verboden gebied werden verklaard, slechts toegankelijk met een Ausweis. De eilanden hadden alle een bezetting, alleen de kale zandplaten Engelsmanplaat en Simonszand waren onbezet gebied en te voet bereikbaar.

In de boeken over de bekende verzetsgroep Zwaantje te Delfzijl van dokter Allard Oosterhuis en coasterkapitein Harry Roossien staat dat er plannen zijn geweest om via Simonszand geallieerde piloten en andere personen, die naar Engeland moesten uitwijken, bij nacht over het wad te leiden en hen vervolgens op te pikken met een duikboot. De bekende wadloper Derk Schortinghuis, die ook in het verzet zat, zou hierbij een belangrijke rol spelen.

In Engeland moest men uiteraard meewerken door een boot op de afgesproken tijd gereed te houden. In codeberichten droeg Engelsmanplaat de naam Transvaal en Simonszand de naam Oranje Vrijstaat. In de literatuur hierover staat echter nergens dat een dergelijke vlucht naar de vrijheid via Simonszand is gerealiseerd, zelfs niet in het boek dat Schortinghuis schreef over het verzet en zijn bemoeienis daarmee.

De bekende Schiermonnikoog en Engelsmanplaat-kenner Durk Reitsma heeft in gesprekken met vissers en reddingboot-schippers gehoord dat het ‘indianenverhalen’ waren. Lopen naar Simonszand was veel te riskant. ‘Wie zou er genoeg kennis van het wad hebben om ’s nachts deze dertien kilometer lange tocht te maken en wie zou er van de Engelse kant voldoende kennis hebben van de Lauwersgronden om Simonszand te bereiken?’, zo luiden de uitspraken van deze zegslieden.

Anders is dat bij Engelsmanplaat. Daar is één keer een poging geweest om twee neergeschoten Amerikanen te laten ontsnappen naar Engeland. Een van die Amerikanen was Harry Dolph, een boordschutter van de bommenwerper True Love. Op 15 augustus 1944 werd het vliegtuig boven Havelte neergehaald door een Messerschmitt van Oberleutenant Ernst Scheufele.

Dolph wist zich te redden met een parachute en werd opgevangen door mensen van de ondergrondse, die hem via Steenwijk naar Meppel brachten, waar hij een persoonsbewijs kreeg van Peter van den Hurk. Van daaruit verbleef hij een tijd in het onderduikershol Wigwam in de bossen bij Diever, waar hij op 17 september Jim Moulton ontmoette, een staartschutter die eveneens met zijn vliegtuig was neergeschoten.

Een maand later ontmoetten beide Amerikanen Sjors, schuilnaam voor Piet Blom uit Drachten, en Nico uit Rotterdam. Beide heren zeiden lid te zijn van een ondergrondse verzetsbeweging en hadden plannen om Dolph en Moulton via Engelsmanplaat naar Groot-Brittannië te brengen. Op 30 oktober verlieten ze Diever en via Hoornsterzwaag, Olterterp, Rottevalle en Oostermeer bereikten ze Suameer. In het boek The Evader schrijft Harry Dolph dat hij hier de koerierster Greta Rusk (schuilnaam) ontmoette, waarop hij verliefd werd, en die hem meedeelde dat Nico lid was van de NSB en voor de SD werkte. Sjors was wel te vertrouwen.

Via Noordoost-Friesland kwamen de vier mannen uiteindelijk aan in Paesens, het vertrekpunt voor de wadlooptocht naar Engelsmanplaat. Een bericht van de BBC zou een aanwijzing geven als er een boot kwam om ze op te halen.

Harry Dolph is op 19 juni 1984 teruggeweest op de Engelsmanplaat en heeft toen een persconferentie gegeven. De mededelingen die hij toen gedaan heeft, kloppen niet met het verhaal uit zijn boek dat is verschenen in 1991. Hij liet op die bijeenkomst ook niet het achterste van zijn tong zien. Volgens zijn boek zouden de vier mannen op 15 november om 22.30 uur naar de Engelsmanplaat gebracht zijn door Teun de Jong en Jan Visser. Op de persbijeenkomst vertelt Dolph dat ze gebracht zijn door de vissers Monte de Vries en Kees Vanger; dit laatste blijkt ook uit de vele interviews die in de loop der jaren met de De Vries en Vanger zijn gemaakt.

Met koffers met proviand en wapens vertrokken ze in de nacht. De maan verlichtte bij vlagen door de wolken het grillige waddenlandschap en er stond weinig wind. Langs de strekdammen van de landaanwinning was het zwaar in het slibrijke en ijskoude water.

De vaargeul moest worden overgestoken en een van de gidsen waarschuwde voor de steile rand. Dolph plaatste zijn koffer op het hoofd en viel min of meer in de geul. Hij ging kopje onder en de koffer dreef mee met de stroom. Nadat ze nog een geultje gepasseerd waren, kwamen ze op het zandige wad ten zuiden van de plaat. Daar stond een reddingshuisje waar ze de dagen zouden doorbrengen.

Onderweg zagen ze een gestrande tweemansduikboot en een aangespoelde Duitse zeemijn. De mannen betrokken hun verblijf. Ze mochten ’s nachts geen vuur stoken en overdag niet op de plaat wandelen, want de bewaking vanaf de vuurtoren van Schiermonnikoog hield het gehele zeegat tussen Ameland en Schiermonnikoog in de gaten. De twee gidsen gingen de volgende dag terug naar Paesens.

Er was afgesproken dat als de boot de mannen zou oppikken de wapens begraven zouden worden op vijf meter afstand van de voorste paal van het huisje. Tussen het reddingshuisje en het Wierumer Gat, waar de snelboot zou landen, bedroeg de afstand maar vijfhonderd meter. De volgende nacht zaten de mannen vol spanning te wachten op een afgesproken teken van de Engelse boot. Sjors, die de leiding had, zag een boot en wachtte op het teken.

Vanaf het schip zou een V-teken geseind worden, maar tot hun verbazing was het een omgekeerd V-teken. De verhalen via de interviews en volgens het boek van Dolph zijn hierover zeer verschillend. Volgens het boek hebben de Amerikanen de lichten niet gezien omdat ze sliepen. Uit interviews blijkt dat Sjors het niet vertrouwde, terwijl Nico en de Amerikanen Sjors probeerden over te halen om gezamenlijk naar het schip te gaan. Uiteindelijk is dit niet gebeurd.

De Vries en Vanger kwamen de volgende nacht terug om de revolvers te halen en troffen de vier mannen in het huisje. Sjors schreef een nieuw briefje voor een koerierster met de tekst ‘Code verkeerd, we zitten nog steeds te wachten.’ De koerierster moest naar Hoogezand om daar de mensen in Engeland op de hoogte te stellen.

Ondertussen zaten de vier mannen al twaalf dagen op het eiland. Ze werden bevoorraad door Jan Visser en door De Vries en Vanger. In al die tijd is er geen boot uit Engeland meer gekomen. De situatie op het eilandje werd er niet beter op. Overdag zaten ze in het huisje en alleen ’s nachts konden ze naar buiten. De kans dat ze ontdekt werden werd steeds groter, want Duitse militairen kwamen regelmatig op de plaat om te zoeken naar aangespoelde lijken.

Toen De Vries en Vanger weer eten en drinken brachten, liepen Nico en de Amerikanen hen tegemoet. Sjors was er niet bij. Volgens Nico was Sjors de dag daarvoor naar de vaste wal gelopen om hulp te halen, maar daar is hij nooit aangekomen. De drie wilden met alle geweld mee naar de overkant. Vanger en De Vries wisten hen echter te overtuigen dat ze niet overdag mee konden, omdat ze dan regelrecht in de handen van de Duitsers zouden vallen.

De volgende dag, 1 december, werden ze opgehaald door Sieb Visser. Deze toen 24-jarige bakkersknecht woonde in Nes en wilde een Ausweis hebben; daarom werkte hij als timmerman op de bunkers tussen Wierum en Nes bij de Wehrmacht. Tijdens het aanbrengen van de prikkeldraadversperring zag hij kans om de zendmast drie keer onklaar te maken. Hij was een zwager van Jan Visser, zeehondenjager, visser en jutter. Ondanks het verbod gingen ze samen vaak jutten op Engelsmanplaat.

Op 20 juni 1984 interview ik hem in zijn woning in Lekkum. ‘Op de plaat spoelden lijken aan, maar ook zaken die van onze gading waren, zoals 48 jerrycans met benzine en blikjes thee en sigaretten. Overdag zat ik in het huisje.’ Hoewel sommige bronnen zeggen dat Sieb en Jan Visser de Amerikanen van de wal hebben gehaald, vertelt Sieb uitdrukkelijk dat hij dat alleen heeft gedaan, nadat hij van Jan gehoord had dat de mensen van de plaat gehaald moesten worden.

‘Toen ik op de plaat kwam waren ze allemaal uitgeput en ik heb ze eten en drinken gegeven. Ze vertelden dat Sjors met Nico geprobeerd had de wal te bereiken. De terugtocht ’s nachts duurde wel vier uur. Het eerste deel vanaf het huisje naar de vaargeul ging redelijk goed, maar door de geul en de slikkige gronden naar de kust ging het tempo van de totaal uitgeputte mannen omlaag. Uiteindelijk bracht ik ze naar het huis van mijn vader en broer.’

De Amerikanen brachten de laatste oorlogsmaanden door bij de dames Liezenberg in Dokkum en op een adres in Birdaard. Tijdens de opmars van de Canadese bevrijders voegden ze zich bij de troepen en vochten zelfs nog mee tegen de Duitsers.

Het bleek achteraf onmogelijk dat Sjors op het door Nico vermelde tijdstip naar de kust was gelopen, omdat er te veel water stond. Enkele weken later werd het lijk van Sjors gevonden op Rottumeroog met een kogelgat in zijn hoofd. Wat er zich precies heeft afgespeeld op de Engelsmanplaat is nooit onthuld. Sieb Visser: ‘Volgens mijn zwager Jan was Nico een NSB’er. Na de oorlog is Nico doodgeschoten als collaborateur.’

Ook Dolph schrijft in zijn boek dat Nico in april 1945 is geëxecuteerd, omdat hij Sjors zou hebben doodgeschoten. Volgens Dolph is dat laatste niet waar. Durk Reitsma, die de komst van Dolph in 1984 op Engelsmanplaat mede had georganiseerd, vertelt dat hij Harry Dolph op de plaat had zien lopen: ‘Die man liep met een gebogen hoofd over de plaat, de armen op z’n rug. Hij praatte met z’n vrouw en zei vervolgens laten we deze zaak maar niet meer moesten aankaarten. Het is duidelijk dat hij er niet over wilde praten.’

Er bestaat nog een andere versie over de dood van Sjors. In het zojuist verschenen standaardwerk ‘Een laatste saluut, Fryslân in de oorlog’, schrijft Jack Kooistra, journalist van het Friesch Dagblad, dat Piet Blom (Sjors) vrijwel zeker is doodgeschoten door Sieb Visser. Jack Kooistra weet mij te vertellen dat hij meerdere versies hierover heeft gehoord en dat hij tot deze toch zeer stellige bewering is gekomen uit de vele interviews die hij heeft gedaan in deze zaak.

‘Doorslaggevend voor mij was een bandopname van een inmiddels overleden bron, waarop Sieb Visser huilend bekende dat hij Piet Blom had doodgeschoten op Engelsmanplaat.’ Kooistra weet verder te vermelden dat Visser een omstreden figuur was en dat het bekend was dat het tussen hem en Blom niet boterde. Alle personen zijn inmiddels overleden en het verhaal dat Harry Dolph in zijn testament opheldering zou geven, bleek niet te kloppen; daarmee heeft hij het geheim rond de dood van Sjors meegenomen in zijn graf.

Duidelijk is dat het waddengebied van Engelsmanplaat en Simonszand geen gestroomlijnde vluchtlijn was naar de vrijheid.

Jan Abrahamse.


Ingezonden: 

De vliegeniers Harry A. Clark en Jim Moulton worden door Sjors (Piet Blom) en Nico uit Rotterdam naar het noorden van Friesland gebracht.

In het boek “The Evader: An American Airman's Eight Months With the Dutch Underground” van Harry A. Clark / Harry A. Dolph wordt o.a. beschreven dat hij in Hoornsterzwaag of dicht daarbij verblijft.

Sjoukje de Hoop, die de bagage van de vliegeniers van Hoornsterzwaag naar Holwerd bracht, schrijft het volgende; “Zo peddelde ik de volgende morgen tegen de wind op naar H.zwaag. Hier belandde ik in een oude boerderij waar ik Sjors en Nico trof en met twee Amerikaanse piloten kennis maakte. De bonkaarten kwamen uit m’n voering, die ik van het distributie kantoor had meegenomen, en waar ze naar gevraagd hadden. Nog maar een paar uur was ik daar, of er kwam bericht, dat in ’t dorp sprake was dat er Amerikanen waren dus, zo spoedig mogelijk weg. Harry zou met Nico op de fiets gaan en James (die pikzwart was en helemaal geen type voor Hollander) met Sjors achter op de motor. Sjors was steeds gekleed in een politie-uniform en met James, goed in een pet (?) getrokken, vertrokken ze. Nico richting Drachten, Bergum. Sjors de andere kant om, naar Holwerd. ’s Nachts bleef ik daar nog bij een bovenmeester Faber genoemd en vertrok de volgende morgen met bagage, de jongens hun kleren, papieren, kaarten, munitie enz. ‘k Was met nog een meisje, die haar ouders daar ondergedoken waren en in wiens huis, hier in Holwerd, de jongens altijd waren“

Sjoukje van der Hoop geeft aan dat zij later heeft vernomen dat Sjors (Piet Blom) en Nico, niet meer bij de organisatie waren, maar deden toen alles op eigen gelegenheid. Het betreft hier waarschijnlijk het oprichten van de Binnenlandse Strijdmachten met  Prins Bernhard als bevelhebber en waar de OD, LKP en RVV moesten worden ondergebracht.

Het verslag van Sjoukje van der Hoop is ook beschreven in "Blija en Holwerd tijdens de tweede wereldoorlog" door Harm Tjeerd Andringa. Hoe Piet Blom aan zijn einde is gekomen is nog altijd een raadsel. Ook wie Nico uit Rotterdam in het echt was is niet bekend.

1a-1.jpg
1a-1.jpg
1b.jpg
1b.jpg
1c.jpg
1c.jpg
1d.jpg
1d.jpg
1e.jpg
1e.jpg
1f.jpg
1f.jpg
1g.jpg
1g.jpg
1h.jpg
1h.jpg

● 1947"Weekblad 'De Zwerver'

P. BLOM - Sjors Geb. 30 September 1912. Sjors (Piet Blom), hondenfokker uit Drachten, was een tijdlang leider van een der beide Noord- Drentse KP's. Hij was getrouwd en had drie kinderen.

Dit weerhield hem echter niet om zijn leven in te zetten voor Koningin en Vaderland. Hij was een oprecht Christen, hoewel hij daarmee nooit te koop liep. Bovendien had hij alles voor een ander over. Niets was hem te veel. Moest er het één of ander gevaarlijk karweitje opgeknapt worden, dan was het altijd Sjors, die voorop ging, niet lettend op gevaar voor zijn eigen leven.

Omstreeks midden November 1944 kreeg hij tot taak om twee piloten naar Engeland over te brengen, die uit een vliegtuig gesprongen waren, dat in de bossen achter Diever brandend was neergestort. Hij begaf zich daartoe naar de Engelsmanplaat, een zandbank tussen de Friese kust en Ameland. Hier zou een Engelse boot komen om hen op te pikken.

Door een samenloop van verschillende omstandigheden bleef deze boot echter uit en kregen Sjors en de beide piloten, met nog iemand anders, die meegegaan was, gebrek aan voedsel. Het was mistig weer en dus zeer gevaarlijk om de tocht te ondernemen. Sjors bood vrijwillig aan
alleen naar de kust te gaan om voedsel te halen. De anderen wilden hem eerst niet laten gaan, doch het slot was, dat Sjors er moederziel alleen op uit toog om voedsel te halen.

Dit is zijn laatste tocht geweest. Onderweg geraakte hij in een geul en verdronk. Enkele dagen later spoelde zijn lijk aan op het eiland Rottum. Men vond een persoonsbewijs op hem, waarop
stond; Jan Dijkstra, controleur verzekeringsmaatschappij. Dit was zijn valse P.B.

Een Duitse dokter verrichtte de lijkschouwing. Daarna werd hij door een paar Duitse militairen begraven op het strand. Ook een lid der Landwacht was hierbij aanwezig. In het voorjaar werd het lijk opgegraven en overgebracht naar het kerkhof van het eiland.

Na de bevrijding trokken enkele mensen er onmiddellijk op uit om te zien of ze nog een spoor konden vinden, dat leiden zou naar de plaats, waar Sjors gebleven was, want na zijn vermissing had men nooit meer iets van hem gehoord.

Al heel spoedig werd ontdekt, dat er op Rottum iemand begraven lag, wiens signalement volledig overeenkwam met dat van Sjors.

Een verhoor van de landwachter, die erbij geweest was en die inmiddels in Delfzijl gearresteerd was, verschafte volledige zekerheid. Zodoende kon nagegaan worden hoe Sjors om het leven was gekomen.

Op Zaterdag 16 Juni 1945 werd hij te Drachten met militaire eer begraven. De kist werd gedragen door de jongens, waarmee hij veel samengewerkt had. Eén van hen hield een korte toespraak op zijn graf, waarin hij besloot met de woorden; „Sjors, kerel' rust zacht. God heeft je in genade aangenomen."

JELLE.
(KP Noord-Drenthe).