Elfstedentocht 1941

(Eerste: A. Adema, in 9 uur en 19 minuten).

Wie had gedroomd dat een goed jaar later weer een Elfstedentocht gereden kon worden? Men kan niet zeggen, dat de Friezen reikhalzend naar dit ijsfestijn uitzagen. Eerstens was daar de brandstoffennood, zoodat het voor ieder een gebiedende eisch was zuinig met z'n krap toegemeten kolenvoorraad om te gaan.

Zulks is fnuikend voor een goede winterstemming en doodelijk voor de Elfstedentocht-sfeer, die eerst goed gedijt, wanneer het kwik van den thermometer-voortdurend onder het nulpunt zakt en zoo tusschen de tien en vijftien graden blijft schommelen.

Tweedens was daar het feit, dat de definitieve uitslag van den vorigen Elfstedentocht nog nooit bekend was geworden. Wij hebben al uiteengezet met welke moeilijkheden het Centraal Bestuur had te tobben. Dientengevolge zaten de aangekomen rijders van 1940 een jaar later nog steeds op hun onderscheiding te wachten!

Toen het ijs in Januari flink sterk was, kon men weer de vraag hooren: wanneer wordt de Elfstedentocht gereden? Er werd druk geschaatst in Friesland! Sneek en Langweer zetten in met een Elfmeren-schaatstocht, die een groot aantal deelnemers trok.

Er kwamen sterritten en zestiendorpentochten. Maar de Elfstedentocht kam niet. De juiste stemming scheen niet vaardig te willen worden over de geesten, die in den tijd wanneer Thialf de Natuur in zijn sterkste boeien gekneld houdt, in hooge mate actief worden en het sein plegen te geven tot voortzetting van de schoonste ijstraditie in het land.

Op den eersten Februari 1941 deed er zich in Friesland een opmerkelijk feit voor. Het leek uit de verte iets op een overrompeling ..... , Een viertal Hollanders, te weten de heeren K. L. Kamp, S. S. de Koe, M. J. W. Werker, studenten aan de Techinische Hoogeschool te Delft, en mr. J. Berlage, advocaat te Den Haag, was des Vrijdags naar Leeuwarden gekomen voor het rijden van den.. Elfstedentocht. Zij wilden gevieren den tocht rijdenen gaarne gebruik makenvan de controle-stations in de elf steden.

Zoo gezegd, zoo gedaan. Ze vertrokken Zaterdagmorgen 1 Februari te 5.45 uit Leeuwarden en liepen daar 's avonds te 20.50 binnen. Onderweg namen zij nu en dan rust, zoodat hun gereden tijd ongeveer 12 uur en 30 minuten heeft bedragen.

Na terugkomst in Leeuwarden hadden de vier heeren een onderhoud met den voorzitter van de Elfstedenvereeniging, mr. Hepkema, wien zij uiteraard het laatste betrouwbare nieuws over den toestand van het ijs op de verschillende trajecten konden verschaffen. In den kring van het Centraal Bestuur rijpte toen het idee, dat de dag voor het houden van den Elfstedentocht nu spoedig komende was.

De Zondag bracht nog een tweetal op de been voor het rijden van een individueelen Elfstedentocht, namelijk de heeren Breen uit Zwolle en mr. A. G. A. Ridder van Rappard uit Olst, van wie de eerste al bij het begin opgaf, met het oog op de des nachts gevallen sneeuw, die geen prettigen tocht voorspelde. De heer Van Rappard toog echter op weg, in gezelschap van den baaninspecteur van den Frieschen IJsbond, Seinstra.

Het tweetal overwon niet dan met zware inspanning de vele moeilijkheden op driekwart gedeelte van het lange traject. Te Sloten begon het echter in die mate te sneeuwen, dat zij besloten den tocht op te geven. Al werd het dan ook geen Elfstedentocht, het feit dient hier toch te worden gereleveerd.

Op Woensdag 5 Februari waagde zich opnieuw een viertal aan den Elfstedentocht, te weten de heeren N. Ankersmit van Deventer, kapitein Engelbrecht van Zeist, J. J. de Jong uit Eindhoven en baaninspecteur T. Seinstra, welke laatste ook reeds des Zondags een groot stuk van het lange traject had gereden.

De heer Ankersmit had reeds eerder getracht den Elfstedentocht te rijden, namelijk in gezelschap van zijn vrouw, doch moest toen te Hindeloopen opgeven. Ditmaal was hij sterk van plan den tocht te volbrengen en had daarom zijn echtgenoote - naar hij verklaarde - thuis gelaten om niet halverwege gedwongen te worden, wegens vermoeidheid van den partner den tocht te moeten opgeven!

Voor een dergelijke sportieve gezindheid, die met alle factoren welke het succes in den weg kunnen staan principieel afrekent, kan men slechts respect hebben. Ditmaal mocht de heer Ankersmit de voldoening smaken van een ronden Elfstedentocht - vijf uur 's ochtends te Leeuwarden op stap, twintig minuten vóór negen 's avonds aldaar terug - te hebben gereden. Hij deelde dat genoegen met Seinstra, die tegelijk met hem te Leeuwarden arriveerde. Ook de heeren Engelbrecht en De Jong reden den tocht geheel uit.

De nieuwe week ving aan met het initiatief van het Centraal Bestuur tot het houden van individueele Elfstedentochten, tegelijk met de bekendmaking, dat, indien mogelijk, de Elfstedentocht op Donderdag 6 Febr. gereden zou worden. Reeds den volgenden dag kwam het groote bericht door; overal in den lande draaide het op de persen en kwam op de voorste pagina van de groote dagbladen te staan. In enkele uren tijds wist heel Nederland. dat de groote tocht gereden zou worden op Donderdag 6 Februari!

Het lang verwachte nieuws van dien Dinsdag zag er als volgt uit. 

"Men heeft bepaal, dat de groep wedstrijdrijders en de groep deelnemers aan den tocht streng gescheiden zullen blijven. Het zal dus aan wedstrijdrijders niet geoorloofd zijn tijdens hun rit van den wedstrijd af te zien en verder aan den tocht deel te nemen. Wie tijdens den rit als wedstrijdrijder niet blijkt mee te kunnen, zal dus moeten afvallen.

Vanaf heden is de gelegenheid tot inschrijving, hetzij voor den wedstrijd, hetzij voor den tocht, opengesteld. Telefonische opgaven moeten geschieden bij den voorzitter van het Centraal Bestuur. mr. M. E. Hepkema, Willemskade 12 te Leeuwarden, telefoon 4285, terwijl persoonlijke inschrijvingen worden aangenomen in het hotel "Spoorzicht" aan het Zuiderplein.

Hotel "Spoorzicht" aan het Zuiderplein, te Leeuwarden.

Het inleggeld is gebracht op f 3.- en moet tegelijk met de inschrijving worden overgemaakt. De termijn voor deze inschrijving sluit Woensdagavond om 4 uur. Wie na 4 uur komt, wordt ingeschreven voor de afdeeling der z.g. nagekomen rijders; dezen moeten f 4.- inleggeld betalen en mogen niet eerder vertrekken dan een half uur na de ingeschreven tochtrijders.

De starttijden. De afrit der deelnemers is als volgt vastgesteld: Kwart voor zes: start voor de wedstrijdrijders; kwart over zes: start voor de tochtrijders; kwart voor zeven: start voor de nagekomen rijders. Evenals bij vorige tochten worden weer dezelfde prijzen beschikbaar gesteld, n.l. een groote gouden, een kleine gouden, een groote verguld zilveren, een kleine verguld zilveren medaille en twee zilveren medailles.

Ditmaal worden niet meer medailles beschikbaar gesteld. Bij gelijke aankomst van verscheidene rijders zal n.l. het lot beslissen over de rangorde. Dezen keer wordt dus slechts één rijder als eerstaankomende aangemerkt. Het huisvestings-probleem, Daar, behoudens onvoorziene omstandigheden, deze tocht in ieder geval a.s. Donderdag zal worden gehouden, doen de rijders, die hieraan willen deelnemen goed, zich zoo spoedig mogelijk te laten inschrijven en maatregelen te treffen om zich te verzekeren van een onderdak. Het is immers bekend, dat de huisvesting een probleem op zichzelf is. De ruimte hiervoor is slechts zeer beperkt, terwijl men voor een
belangrijk deel aangewezen zal zijn op de huisvesting bij particulieren.

Het Centraal Bestuur laat weten, dat het zich thans niet kan inlaten met deze huisvestingsproblemen, zoodat ieder voor zich de noodige stappen tijdig zal dienen te nemen om te voorkomen, dat hij uiteindelijk van het deelnemen aan dezen tocht zal moeten afzien, wijl hij in den nacht vóór den start en na afloop van den tocht geen slaapgelegenheid heeft kunnen vinden.

Het Centraal Bestuur heeft telefonisch de medewerking van de burgemeesters der onderscheidene gemeenten ingeroepen voor de beveiliging van de ijswegen. Deze medewerking werd spontaan toegezegd. Niet slechts zullen de burgemeesters de wakken doen afzetten, doch ook de sneeuw, welke in de laatste dagen in Friesland vrij sterk is gevallen en die voor de rijders een ernstige handicap kan beteekenen, zal vandaag zooveel mogelijk van de banen verwijderd worden.

In verscheiden gemeenten hebben personen uit onderscheidene kringen der bevolking den burgemeesters spontaan hiervoor hun medewerking aangeboden, hetgeen de populariteit van den Elfstedentocht voldoende illustreert. In verband met het feit, dat in korten tijd een ontzaglijke administratie moet worden verwerkt, heeft het Centraal Bestuur een beroep gedaan op het personeel van verschillende bankinstellingen, om zich als administratie-staf beschikbaar te stellen.

Allen hebben aan dezen oproep, met welwillende medewerking van hun directies, gaarne gevolg gegeven en deze staf, die in Kingma's bank zijn tenten heeft opgeslagen, zal van heden af tot het moment van den start onafgebroken in touw zijn. Het beroep van den burgemeester, jhr. mr. J. M. van Beijma, op de burgerij, om door het bevorderen van een vrijwillige inkwartiering van deelnemers bij particulieren, het moeilijke vraagstuk van de huisvesting zooveel mogelijk op te lossen, heeft niet nagelaten resultaten op te werpen.

Ondanks distributiemoeilijkheden hebben vele huisgezinnen door bemiddeling van het informatiebureau van V.V.V., gedurende vandaag en morgen een plaatsje in hun woning opengesteld en daardoor niet slechts de reputatie van de Friesche gastvrijheid hoog gehouden, doch bovendien reeds bij voorbaat een belangrijk aandeel in het welslagen van den tocht geleverd."

Met zulk nieuws werden overal in den lande de sportieve geesten gewekt, met het gevolg, dat vele honderden naar de telefoon grepen en snel preparatieven troffen voor de reis naar het Noorden.
En in den loop van Woensdag 5 Februari nam de bevolking van Leeuwarden met drie duizend zielen toe. De Elfstedentocht-sfeer had opeens iedereen te pakken!

De strijd om startkaarten aan den vooravond. 'Mr. Hepkema (met hoed o. d. achtergrond) maant de opdringende rijders tot kalmte.

De tocht.

Een volmaakte winterdag was aan den Elfstedentochtdag vooraf gegaan: ieder zei: "Als het morgen zulk weer is, dan boffen we reusachtig!" - of iets dergelijks.

Het vroor in den stijl van de laatste weken. Het kwik bleef dien nacht een ietsje onder de tien graden zitten. Wel stond er een eenigszins "ruischende" Zuidoostenwind. maar dat was voor de rijders misschien zoo kwaad nog niet eens. De "polonaise" naar Dokkum zou zich althans bij een vrij gunstigen wind afspelen. Het traject werd al moeilijk genoeg; lief van meneer den wind, om de pret niet direct te gaan bederven.

En zoo stonden 's morgens half vijf ongeveer drie duizend mannen (waaronder natuurlijk ook een aantal sportieve vrouwen) op hun slaapdronken beenen om aan iets te beginnen, waarvan het meerendeel niet het juiste begrip zal hebben gehad. Het café met den idyllisch en naam "De Groene Weide" werd als een vesting bestormd en genomen, waarbij de stalen wapens in den vorm van Noren en Friesche doorloopers somtijds klonken als bij een echten stormaanval.

Op het tijdstip van kwart voor zes scheen "De Groene Weide" te zullen barsten: daar wrongen zich de honderden door de garagedeuren en stoven naar het ijs van den Singel, waar lange rijen banken gereed stonden. De menschen met Friesche schaatsen hadden hier al dadelijk een voorsprong boven de rijders met Noren; het ingewikkelde veterwerk dat de rijder op Noren bij het aanbinden te verzorgen heeft eischt tijd. De man met Friesche schaatsen staat in een tel of twintig op zijn "redens". Terwijl zijn collega "met de Noren" nog worstelt om klaar te komen zet hij zich al af en rijdt heen.

De start van de wedstrijdrijders om kwart voor zes in den morgen.

Een minuut na den start uit de Groene Weide stoof de eerste al heen, direct door anderen gevolgd. Overal scheen het flauwe schijnsel der zaklantaarns, met behulp waarvan de rijders zich een weg door de duisternis baanden. Als glimwormen gleden ze heen over het ijs van de slingerende stadsgracht, waar boven het silhouet van den Oldehove machtig uitrees. Toen hij zijn zes slagen dreunen liet, was er al weer stilte: het leger was vertrokken!

Om kwart over zes vond er in de Harmonie een ware exodus plaats: honderden spoedden zich naar de plaats van starten en toen snelde ook deze schare van lieverlede door het duister heen.

De enorme drukte in de Harmonie bij het afhalen der kaarten. De politie treedt in het gedrang regelend op.

De strijd was aangevangen! De Friesche marathon-loop over een afstand van 199.4 k.m. had een begin. De bijna drie duizend rijders zouden worstelen met de volgende trajecten:

Leeuwarden-Dokkum.

De polonaise!

Bijna drie duizend rijders hebben dien ijzigen wintermorgen ervaren, wat dat inleidend traject naar Dokkum voor den Elfsteden-rijder beteekent, Het was een vallen en opstaan. Of zooals iemand het naderhand zoo juist uitdrukte: "Voor je valt, lig je al." Hoeveel valpartijen de oude Ee dien ochtend heeft beleefd, is moeilijk te schatten.

Maar de meeste rijders zijn hier vaker dan eenmaal horizontaal gegaan! Het vallen bracht uiteraard komische tafereelen met zich mee, maar óók zijn talrijke rijders bij die valpartijen leelijk terecht gekomen. Op de volgende stations kon men zien, hoeveel rijders met verbonden gezichten en gezwachtelde vingers er waren. Dat had die polonaise naar Dokkum gedaan!

Een lange, lange rij van schaatsers gleed over het ijs voort in de richting Dokkum. Daar was een kleine groep aan de spits. Maar wie? Dat zou men in Dokkum kunnen vernemen. Hier reeds nam Adema van Franeker de leiding.

Terwijl bekende, snelle rijders uitvielen - Jelle Kooistra van Warga, moest tengevolge van een leelijken val afbinden, H. Dijkstra van Leeuwarden brak bij een val een been - bereikte de kopploeg, bestaande uit Adema, Woudstra van Oudkerk van L. Geveke van Leeuwarden, resp. om 7.35, 7.36 en 7.37 Dokkum. De kopgroep had de 23.5 k.m. in vijftig minuten gereden!

In het donker snelde men voort, terug naar Bartlehiem. De moeilijkheden werden nog vergroot, doordat men nu inreed op de lange file rijders uit Leeuwarden, waarvan velen met brandende zaklantaarns zwaaiden, tengevolge waarvan de tegenliggers werden verblind. Af en toe hoorde men den roep: "Doe je licht uitl" Botsingen bleven niet uit.

Hier kwam o.a. de bekende rijder C. Jongert, die zich op de laatste drie elfstedentochten een vooraanstaande plaats wist te veroveren, zoodanig te vallen, dat voortzetten van den tocht hem sterk werd afgeraden. Toch beet Jongert door. Te Franeker eerst heeft hij den tocht op medisch advies moeten opgeven. Direct reisde hij naar Leenwarden, om zich onder geneeskundige behandeling te stellen. Ook Geveke kwam te vallen, waardoor Adema een voorsprong kreeg.

Te kwart over zeven passeerde Adema, Bartlehiem voor de tweede maal. Daar boog de weg windafwaarts. Nog altijd heerschte de duisternis. Bosman uit Breukelen liep ongeveer een minuut achter Adema aan, maar aan inhalen was niet te denken. Ook Bosman had een beroerden val gemaakt. Zoo arriveerde Adema als eerste om 8.41 te Franeker, de plaats zijner inwoning, op de hielen gevolgd door Bosman. Te 8.46 kwam J. van der Bij uit Anna Paulowna, aldaar aan. Kort na hem arriveerde een groep van zes rijders, onder wie Geveke van Leeuwarden en Jongert van Ilpendam.

Eindelijk maakte het duister plaats voor een vage schemering. Adema - in zijn woonplaats luide verwelkomd - bevond zich al weer op weg naar Harlingen, terwijl Franeker ook de volgende rijders met lustige muziek verwelkomde. De koprijders Adema en Bosman - hoewel niet in elkaars nabijheid rijdend - reden wat zij konden. Deze twee hadden in ieder geval een mooien voorsprong op hun achtervolgers. De 68.3 k.m. hadden zij afgelegd met een gemiddelde snelheid van 22 k.m. per uur - in de duisternis!

Van rusten wilde Adema noch Bosman weten. Zij liepen om 9.11 en 9.12 te Harlingen binnen, lieten afteekenen en snelden oogenblikkelijk weer voort. Op het traject naar Bolsward kreeg Adema zijn eerste malheur: hij brak een hakleer! Hij gaf zich evenwel niet den tijd om zijn reserveschaatsen onder te binden, doch schaatste door naar Bolsward, waar hij en Bosman te 10.25 lieten afteekenen Te 10.34 kwam de tweede ploeg, bestaande uit de rijders Van der Bij, F. de Groot (Weidum) en A. de Vries (Franeker) aldaar aan.

Wedstrijdrijders "nemen" een brug.

Adema en Bosman rijden Bolsward binnen.

Nu was ongeveer de helft van den tocht afgelegd. Adema en Bosman hadden te Bolsward reeds 98.6 k.m. achter den rug, welken afstand zij in 4 uur en 40 minuten hadden afgelegd! Als zesde arriveerde L. Geveke te Bolsward (tijd 10.35), als zevende De Boer van Warga (tijd 10.36).

Tot Workum bleef de kopploeg onbedreigd. Ook daar liepen Adema en Bosman gezamenlijk als eersten binnen en wel te 11.05. Hier namen zij wat rust en versterkten den inwendigen mensch. Hoe werden zij daar echter overvallen!

Terwijl zij zich onbedreigd waanden, kwam een groep rijders zich op den controlepost melden. Adema en Bosman, terdege verrast, maakten met hun maaltijd korte metten, maar zij waren niet zoo gauw, of de achtervolgers - het vijftal Geveke, De Boer, A. de Vries, Van der Bij en D. de Groot (Oldeboorn ) - waren al een stuk vooruit gesneld.

Tochtrijders passeeren Tjerkwerd (Traject Bolsward-Workum).

Adema bereikt als eerste Workum en gaat maar eerst een worstje eten.

Onmiddellijk begonnen Adema en Bosman een spurt om den achterstand van een 300 meter in te halen. Op dit traject van 9 k.m. - met in de verte wenkend de hooge Westertoren van Hindeloopen - liep het tweetal verrasten de kopgroep van vijf in. Het was een stoere tocht, met den wind tegen, terwijl een nieuwe tegenslag, in den vorm van een sneeuwjacht uit het Zuidoosten, de kranige rijders dwarsboomde.

Tegen half twaalf ontstond er onder de wachtende Hindeloopers bij den pitteresken "Aestertoer" beweging, want in de verte zag men de eerste rijders met den wind in den rug op het stadje instuiven. De heeren van de controle werden (voor het afteekenen van de eerste groep) naar het ijs geroepen: Daar liep te 11.33 het volgende zestal binnen: Adema, De Vries, Geveke, Bosman. Van der Bij en De Boer. De Hindeloopers hadden nauwelijks den tijd de rijders op te nemen en de fotografen stonden teleurgesteld op de brug te kijken, zóó vlug waren de rijders al weer verdwenen.

Met een geweldige spurt reden ze door het stadje en bogen links af in de richting Stavoren. De ijskoude wind blies hun in den neus en de sneeuwjacht belemmerde het zicht. Het was ons, toen we deze groep nastaarden, duidelijk, dat het een zware tocht naar Stavoren zou worden.

Een poosje later, om 11.41, teekende een eenzame rijder te Hindeloopen af. Het was de bekende winner van 1933, A. de Vries van Dronrijp (later te Giethoorn woonachtig). Met een stevigen streek stak ook hij buiten het stadje z'n neus in den sneeuwstorm, alleen in de witte eenzaamheid, maar kennelijk bezield door een wil en een drift, die rijders van zijn slag aanzetten tot top-prestaties,

Terwijl we nu de kopploeg even laten rijden, zullen we eenige aandacht besteden aan hetgeen er verder te Hindeloopen te zien en te beleven was. We maken dan straks ook kennis met de tochtrijders en de race tusschen twee meisjes-deelneemsters, mej. Wobkje Kooistra en mej. Sjoerdje Faber, beiden van Warga.

Het inconvénient te Hindeloopen betrof de volgende aangelegenheid: de rijders konden niet per schaats de controle bereiken, en om te "klunen" was daar eigenlijk ook onbegonnen werk. Om die reden maakten enkele Hindeloopers zich verdienstelijk door aan de rijders hun rug als middel van transport aan te bieden, waarvan door de rijders een dankbaar gebruik werd gemaakt. Zoo zag men menig rijder op den rug van een stoeren Hindelooper visscherman in de richting van de controle verdwijnen.

Dit goede voorbeeld prikkelde weer anderen en toen er gansche gezelschappen rijders arriveerden, waren er tenslotte geen gedienstigen genoeg, redenen waarom allerlei vehikels werden voorgereden, die de rijders dan op uitnoodiging bestegen. De lieve jeugd van het stadje vond in dat noodkarwei zoó'n voldoening, dat tenslotte de opgestegen rijders omstuwd werden door een tien of vijftiental jongeren, die het karretje met den zwaren last trokken en duwden, van en naar den controlepost.

Bovenste afdruk: Om 11.33 te Hindeloopen! het moment van aankomst van het eerste zes-tal wedstrijdrijders, bij den "Aestertoer"

Middelste afdruk: Elfstedentocht - service te Hindeloopen. Een wedstrijdrijder wordt per kar naar den controlepost gereden.

Onderste afdruk: Te Hindeloopen, werden de rijders met-Noren, door gedienstige inwoners nar de controle gedragen.

Om 12.44 arriveerden te Hindeloopen de eerste tochtrijders. n.l. de heeren K. Semplonius, W. Wind en T. Boersma, allen van Tjerkgaast. Te 1.10 was er nieuwe vreugde in het stadje, toen de stadgenoot L. Smid zich aanmeldde. Even later, te 1.14, stoof een aantal rijders met twee meisjes in hun midden de jachtweide binnen. Wij herkenden in één hunner den rijder van vorige tochten, den heer H. J. Kooistra van Warga, met zijn dochter Wobkje, en Sjoerdje Faber van Warga (de eerst-aangekomen dame van den Elfstedentocht 1940) met haar tochtgenoot Lantinga. Vader Kooistra gunde zich nauwelijks den tijd om af te teekenen.

Dadelijk riep -hij zijn dochter uit het gedrang weg en gezamenlijk bestegen ze een Hindelooper karretje, dat hen snel naar het ijs bracht. Dezelfde haast had ook Sjoerdje Faber, die, toen ze Wobkje met haar vader de deur uit zag stevenen, haar voorrijder wenkte, waarop het tweetal in ijltempo naar het ijs verdween. Direct gingen zij spurten in de richting Stavoren, waar de Kooistra's al optornden tegen den wind en de sneeuw. Stoere Fryske fammen!

Te Hindeloopen zagen we tien of meer gewonde rijders, maar nog veel meer deelnemers met rugpijn of andere misère. Een der geblesseerde rijders vertelde ons, dat hij niets lievers zou begeeren dan een kort slaapje; een andere rijder kreeg (bij het zien van de romers met sterken drank op de tafel van de controle-heeren) zoo'n trek "yn in slokje", dat hij, allen goeden raad in den wind slaand, naar de tapkast ging en er "eentje" nam. Of dit hem op zijn verderen tocht bijzonder geschraagd zal hebben? Wij betwijfelen het.

Bovenste afdruk: Dwars door het stadje Hindeloopen tijdens een sneeuwjacht.
Op den achtergrond de "Al?stertoer" (Oostertoren ).

Onderste afdruk: Wedstrijdrijders verlaten Hindeloopen tijdens een sneeuwjacht. Op den achtergrond de Westertoren.

Een rijder uit Pingjum, die ook een flinke lap voor een zijner oogen gebonden had, kocht twee sigaren in Hindeloopen, met bedoelingen waarnaar wij vergeefs hebben geraden. Hier zagen we ook een der vier gebroeders Stienstra, uit Leeuwarden, die met een blauw oog in het stadje was gearriveerd, maar nog best lust had om koude en sneeuwjacht verder te trotseeren.

We gaan nu weer met de kopploeg mee. De leidende groep, die te 11.34 Hindeloopen verlaten had, bleef tot Stavoren bijeen. Naar we hoorden, heeft Adema op dit traject getracht zich van de anderen los te rijden, doch dit is hem niet gelukt. Hij bereikte, tegelijk met Bosman. Van der Bij, de Groot. Geveke en A. de Vries, de Radboudstad om 12.09.

Van Stavoren naar Sloten was bij deze weersgesteldheid een extra zwaar traject. Adema kwam vooraan te liggen en bleef leiden óók op de vlakte van het besneeuwde Slotermeer. Hij zette hier een spurt in en reed daarbij zes concurrenten los. Met een voorsprong van één minuut kwam hij te Sloten aan (13.32). gevolgd door het drietal Bosman. Geveke en De Vries. Te 13.43 meldde zich de volgende groep, de rijders: De Groot, De Boer, Van der Duim (Warga) en A. de Vries (Giethoorn ), welke laatste nu in hun gezelschap was.

SLOTEN. - De Lemsterwaterpoort met Korenmolen uit 1755.

Te Sloten was één tegenstander - de wind - uitgeschakeld, die nu als helper begon op te treden. Die weelde was niet te groot, want het ijs tot Woudsend was vrij slecht. Toen Adema zonder oponthoud uit Sloten was -vertrokken, lieten zijn achtervolgers hem los en maakten een rustpauze. Het traject Sloten-IJlst legde Adema in een zeer snel tempo af. Hij teekende aldaar te 14.00 af. waar zijn achtervolgers eerst zeven minuten later arriveerden. Over het korte traject van IJlst naar Sneek deed Adema nog geen zeven minuten. Wij noteerden voor Adema te Sneek 14.10.

Met dezelfde snelheid liep de achtervolging binnen, althans één hunner, Geveke: hij arriveerde er te 14.17; Bosman. De Groot en De Vries (Franeker ) te 14.18. Na hen liepen binnen de rijders Van der Bij, De Groot en De Vries (Giethoorn) te 14.27.

Sneek beleefde het genoegen, den leider van den wedstrijd een vijf minuten in haar midden te zien. Adema was namelijk ergens aan den kant van het ijs gaan zitten om wat uit te rusten. Hij dronk en at iets en liet het zich wel smaken. "Niet één keer het hij omkeken, so seker was hij van syn saak", zoo vertelde ons een Sneeker.

Te Sneek was de controle gevestigd in de garage van Loots en Fritsma aan den Singel. een gunstig gelegen perceel tusschen twee grachten. Over het stroo "klunend" passeerden de rijders de controle. lieten afteekenen en verdwenen weer.

De Frico, die verleden jaar bij den befaamden tocht de rijders te Bartlehiem had getracteerd, wachtte hen nu bij de zuivelfabriek te Scharnegoutum met frico-melk en Friesche kaas op. De meeste rijders namen er den tijd af om aan de gastvrijheid van de Frico eer te bewijzen.

Tot diep in den avond werden hier de papieren bekers met warme Frico geledigd en verdwenen er mandjes vol kaas in de grage monden. Toen de laatste rijders hier waren gepasseerd, konden de employés van de Frico met trots constateeren, dat de duizend liters Frico-melk "schoon op" waren en dat de rijders met z'n allen een honderd kilo kaas hadden verorberd!

Onderweg op het 200 k.m. lange traject. Ook het tweede glaasje melk smaakt goed!

Men kon de enorme belangstelling in heel Friesland voor dezen tocht eenigszins afmeten aan de spanning rondom den Watertoren en den controlepost te Sneek. Het scheen alsof het normale leven in Friesland's tweede stad dezen middag was stilgelegd en de aandacht van allen concentreerde op de eindspurt Sneek- Leeuwarden. Honderden deden Adema uitgeleide, toen deze de stad verliet en met kranige streken het lint van de Sneeker trekvaart oprolde. Poeh! - zeiden de menschen, wat rijdt die kerel!

Tweeduizend Elfstedenrijders zagen de Sneeker Waterpoort, onder zich voorbijgaan. Een aantal wedstrijdrijders loopt binnen.

Maar met datzelfde elan zette de groep-Bosman de achtervolging in. Doordat Adema te Sneek enkele minuten had gerust, was zijn voorsprong op zijn achtervolgers kleiner geworden. Niettemin bleef hij ook op dit laatste traject onbedreigd de leiding houden en liep te 15.04 te Leeuwarden binnen. Als tweede arriveerde aan de finish Bosman (15.07), als derde L. Geveke (15.09).
Vierde werd A. de Vries (Franeker) te 15.09; vijfde A. de Vries (Giethoorn) te 15.16; zesde J. J. van der Bij (Anna Paulowna) te 15.16¼; zevende H. A. J. de Boer (Warga) te 15.16½; achtste S. de Groot (Weidum) te 15.21½.

Er heerschte groot enthousiasme onder de tallooze aanwezigen, toen de eerste rijders aan de finish te Schenkeschans arriveerden. Met gejuich en een lauwerkrans werd Adema ontvangen; opnieuw klonk er gejuich toen Bosman, Geveke en hun makkers direct na elkaar de eindstreep passeerden. Voor de prijswinnaars stond er een landauer, bespannen met twee bepluimde paarden gereed. De acht eerstaangekomenen stegen in en maakten een zegetocht door de stad.

De drie eerst-aanqekomenen aan het eindpunt. Adema (met krans) poseert voor den fotograaf, terwijl Bosman (links) en Geveke elkander met den goeden afloop feliciteeren.

A. Adema.

De uitslag van den wedstrijd was als volgt:

1. A. Adema, Franeker, gearriveerd te 15.04 (groote gouden medaille).
2. J. J. Bosman, Breukelen, gearriveerd te 15.07 (kleine gouden medaille).
3. L. Geveke, Leeuwarden, gearriveerd te 15.09 (groote verguld zilveren medaille)
4. Anne de Vries, Franeker, gearriveerd te 15.09 (kleine verguld zilveren medaille) .
5. A. de Vries, Giethoorn, gearriveerd te 15.16 (zilveren medaille).
6. J. J. van der Bij, Anna Paulowna, gearriveerd te 15.16¼ (zilveren medaille).

Boven vermeldden we reeds, dat De Boer (Warga) zevende werd en De Groot (Weidum ) achtste.
Na deze acht eerst-aangekomenen noemen wij nog de namen van de volgende zeven aangekomenen met den tijd. waarop zij finishten:

9. P. Boekestijn, Maasland, 15.32.
10. W. Heeringa, Grouw, 15.32½.
11. S. Westra, Warmenhuizen, 15.36.
12. S. Molenaar, Joure, 15.37.
13. P. J. Trooster, Amsterdam, 15.42.
14. R. van den Schuit, Rottevalle, 15.43½.
15. P. Dalsum, Broekerhaven, 15.46.

Als eerste tochtrijders arriveerde aan de finish het drietal. dat wij ook als eersten te Hindeloopen hadden begroet, namelijk de rijders Semplonius, Wind en Boersma van Tjerkgaast. Ook zij werden aan het eindpunt met gejuich ontvangen.

Te 15.24 ging de eerste vrouw over de eindstreep. Het bleek te zijn Wobkje Kooistra, van Warga, die (met haar vader) aankwam als "eerste dame"! Zij had haar concurrente van het vorig jaar, Sjoerdje Faber, glansrijk verslagen, welk succes zij stellig voor een niet gering deel te danken zal hebben gehad aan de fighting spirit van haar vader, Hendrik Jelles Kooistra.

Wobkje Kooistra.

Als tweede vrouw arriveerde Sjoerdje Faber te 15.42, als derde Antje de Boer, van Scharnegoutum.
Wobkje werd van alle kanten gelukgewenscht, terwijl haar ook bloemen werden vereerd.

Dezelfde aardige attentie werd ook den twee anderen meisjes bewezen.
Den geheelen avond door verschenen er nieuwe gezichten van wedstrijdrijders en tochtrijders in de Harmonie. Omstreeks middernacht kon worden vastgesteld, dat belangrijk meer dan de helft der gestarte rijders de finish had bereikt.

De totale uitslag zag er, globaal genomen, als volgt uit:

Wedstrijd:

600 inschrijvingen.
600 gestart.
500 aangekomenen.

Tocht:

1763 inschrijvingen.
2200 gestart.
1400 aangekomenen.

In totaal hebben 2800 personen aan wedstrijd en tocht deelgenomen, te weten
600 aan den wedstrijd en 2200 aan den tocht.

Gefinisht hebben 1900 rijders, namelijk 500 wedstrijdrijders en 1400 tochtrijders.
Deze cijfers bewijzen, dat de laatste Elfstedentocht een succes is geworden.

Geen wanklanken hebben dit ijsfestijn verstoord; slechts voldoening heeft het gegeven, eerstens aan bijna twee duizend aangekomen rijders, voorts aan schier alle deelnemers, vervolgens aan de kranige organisatoren van den Frieschen marathonloop-op-de-schaats, en tenslotte aan het Friesche volk, dat met dit ijsgebeuren van ganscher harte heeft meegeleefd.

Wij willen niet besluiten zonder melding te hebben gemaakt van enkele
alinea's, die ons in de persverslagen hebben getroffen. Zoo schreef de N. Rott.
Crt. over de kopgroep:

"Deze Adema, die het vorige jaar tot het vijftal behoorde, dat in kameraadschap als eerste gezamenlijk de finish passeerde, had door eenige wrijving er ditmaal alles op gezet dezen Elfstedenwedstrijd te winnen. En hij heeft dezen wedstrijd gereden als een man, die zijn woord per sé en ten koste van alles gestand wilde doen. Hij heeft een wedstrijd gereden, die van grooten moed en overtuiging getuigde, steeds vooraan, steeds zelf aan de leiding, steeds agressief fel aanvallend op het punt waar de wedstrijd het zwaarst was; het laatste gedeelte en op de meren, waar de loodjes het allerzwaarst wegen.

Zijn hoogtepunt ligt tusschen Sloten en IJlst, waar hij zich van zes concurrenten losmaakte en waar hij zich een voorsprong van acht minuten wist te verzekeren. Deze energieke aanval. welke bij een verrassende ontsnapping aan de controle ontstond, had plaats nadat Adema twee ernstige inzinkingen had te verduren gekregen, en deze aanval ontketende een strijd, die zijn zes achter volgers als groep totaal deed uiteenvallen. Er ontspon zich toen een jacht, welke voor Adema tot het einde toe een ernstige bedreiging bleef vormen.

Want van zijn acht minuten achterstand wist Bosman uit Breukelen er in de laatste 25 k.m. niet minder dan vijf in te loopen. Was de wedstrijd tegen den wind ingegaan. vermoedelijk zou Bosman hem hebben bereikt. maar nu met den wind in den rug. was het tempo te hoog om die volle acht minuten te kunnen halen. En in deze laatste 25 k.m. heeft Adema nogmaals in gevaar verkeerd. doordat hij daarin zijn derde inzinking kreeg. Hij heeft zich echter kranig daar bovenuit geworsteld.

Adema is een omstreeks 35-jarige arbeider. die zeer zwaar werk gewend is. Hij is een scheepslosser en aan het dragen van zware lasten gewend. Hij is een kerel, dien men maar even aan heeft te zien om tot de conclusie te komen, dat het een ijzersterke vent is. Zijn kracht ligt hem, volgens den volksmond, bovenop het lichaam. Bosman, Geveke en A. de Vries uit Franeker, hebben mede een prachtigen wedstrijd gereden en ieder van hen had evengoed de winner kunnen zijn. Dat hangt maar van eenige kleinigheden af.

Maar als men ons vraagt wie den opmerkelijksten wedstrijd heeft gereden, dan is het voor ons gevoel de goed veertigjarige A. de Vries uit Giethoom, de winner van 1933. die door een toevallig en samenloop steeds alleen heeft gereden en zich na een kolossale energie-race van de 25ste of 26ste plaats steeds omhoog heeft gewerkt, om ten leste als vijfde te eindigen.

Merkwaardig is, dat Bosman, Geveke, van der Bij en De Boer uit Warga, gezien hun slag en hun allure en hun zwier van rijden, veel mooiere rijders zijn dan Adema, die een beetje te wijdbeens rijdt en die zich steeds zichtbaar moet inspannen, terwijl het bij de anderen losser en eleganter gaat. Bosman en A. de Vries uit Franeker vormden voor ons de grootste verrassing in dezen wedstrijd, vooral ook door hun manier van rijden".

Van het onderhoud dat het Alg. Handelsblad had met Bosman e.a. vermelden we het volgende:

"Tot Stavoren", aldus vertelde Bosman, "ben ik steeds met Adema opgereden, maar toen kon ik hem niet meer houden en moest ik hem eenigen tijd loslaten.
In Sneek zat ik hem echter al weer dicht op de hielen en tusschen Sneek en Leeuwarden slaagde ik er in hem weer in te halen. In de eindspurt was hij me echter te vlug af en moest ik hem nogmaals, maar nu voor goed, laten schieten. "

Ook vernamen we nog, dat Bosman dit jaar den Elfstedentocht voor de eerste maal reed en zelfs, dat hij pas verleden jaar voor het eerst onder leiding van de Nederlandsche vereeniging tot bevordering van het hardrijden op de schaats op Noren was begonnen te rijden. Hij heeft zich dus een uitstekende leerling getoond, waarop bovengenoemde vereeniging terecht trots mag zijn.

Behalve Bosman hebben wij ook nog vele andere wedstrijdrijders gesproken. Maar tot onze spijt gelukte het ons niet een onderhoud met Adema te krijgen. Hij wilde n.l. graag een warm bad nemen en hoewel hij ons stellig beloofde in de "Harmonie" te zullen terugkeeren om de persmenschen te woord te staan, is hij niet teruggekeerd, zoodat hij ons en vele collega's geruimen tijd vergeefs heeft laten wachten.

Wij hadden echter het genoegen nog even met zijn zuster te spreken, die ons vertelde, dat haar ongehuwde broer 31 jaar oud is en thans voor de tweede maal aan den wedstrijd deelnam. Verleden jaar behoorde hij tot de overwinnende groep van vijf, maar thans zette hij de kroon op het werk, door den titanenstrijd onbedreigd als eerste te beëindigen.

"De vreugde over het feit, dat er- niet minder dan drie Friezen waren bij de eerste vier aangekomenen, is in Friesland natuurlijk groot," aldus het Nwsbl. v. h. Noorden.

Ook daarin mag een bewijs worden gezien van de groote aantrekkingskracht, welke deze tochten op de Friesche bevolking oefent. Dat is eveneens zeer duidelijk naar voren gekomen bij de diverse controles, waar zich, lang voordat de rijders te verwachten waren, een groot aantal personen verzamelden, die den binnenkomenden een hartelijke ontvangst bereidden.

Het alleraardigste overkwam echter nog een Amsterdamsehen deelnemer, die tusschen Bartlehiem en Franeker bij een val zijn schoenen scheurde en toen van de bewoners een paar zoo goed als nieuwe kreeg. "Als hij ze wilde terugzenden, was het goed, maar het behoefde niet." En dat in dezen tijd!

De indrukken, welke men op Elfstedendag in Friesland opdoet, zijn vele en meer ruimte dan thans zou er mee te vullen zijn. Laten we echter volstaan met de eindconclusie, dat de zesde Elfstedentocht uitstekend geslaagd is, zoowel in sportief als in organisatorisch opzicht. Veel werk hebben de Leeuwarder organisatoren er van gehad, doch dat dit op prijs is gesteld, een ieder, die van meer nabij den tocht heeft gevolgd, zal daarvan ten volle overtuigd zijn."

Aan hetzelfde blad vertelde Adema enkele bijzonderheden over zijn tocht. "Op het Slotermeer kon ik onmogelijk alles geven", zoo zei hij. "In Workum raakte ik mijn voorsprong kwijt, doordat ik even in het café uitrustte. Een groep van zes rijders is mij daar vooruit gesneld, doch ik had hen spoedig ingehaald en toen de anderen op het verdere deel van den tocht even rust namen om melk te drinken, ben ik er tusschen uit gegaan."

De stoere Fries, die zijn partner Bosman een "fijne vent" vond, bleek tweemaal een inzinking te hebben gehad. Even vóór Bolsward en daarna te Sneek. "Maar je denkt eenvoudig niet aan opgeven, je' wilt je titel verdedigen en weer winnen," zoo zei hij. Volgens Adema was het traject Dokkum-Franeker het moeilijkste gedeelte van den tocht geweest, doch overigens vond hij de regeling, ook bij de controles. uitstekend en het ijs goed.

"Ik heb, zei hij verder - en dit bewijs eens te meer hoe zeer dergelijke rijders opgaan in tochten als deze - twee nachten niet kunnen slapen. Telkens werd ik wakker, zoozeer was ik vervuld van den tocht, waarvoor ik dezen winter reusachtig getraind had. Ik heb deelgenomen aan den uitstekend geslaagden dorp en tocht van Hennaarderadeel, den Elfmerentocht etc. en vreesde voornamelijk de concurrentie van Geveke. Deze heeft echter vandaag niet gereden zooals hij kan."

Aldus de winner van den Elfstedentocht 1941. die het niet onder stoelen of banken stak, dat hij ten zeerste voldaan was over het feit, dat hij niet als in 1940 weer met vijf rijders tegelijk. doch alleen als eerste was aangekomen. Een heel ander type dan deze uit de kluiten gewassen Fries, is de tweede aankomende, Bosman uit Breukelen.

Deze 23-jarige had niet eerder aan dergelijke tochten deelgenomen en was eerst het vorige jaar met indoor-training bij de Nederlandsche Vereeniging ter Bevordering van het Hardrijden op de schaats begonnen. Het ijs vond hij uitstekend, de organisatie prima en alleen had ook hij onprettige ervaringen op het eerste deel.

"Steeds heb ik, - vertelde hij, - gereden met Adema, doch tusschen Stavoren en Sloten heb ik hem moeten laten schieten, waarna ik verder ben gegaan met Geveke en De Vries. Op het laatste traject, een fraai stuk. heb ik hen achter gelaten en Adema bijna ingehaald."

Ook deze jongeman had vrijwel niet gerust onderweg en alleen zoo nu en dan iets gedronken. En dat op zijn eersten tocht! Hij had trouwens zelf, zoo vertelde hij, niet gedacht, dat het zoo zou loopen. Aanvankelijk dacht hij zelfs, dat er niets van terecht zou komen, doch vooral na Stavoren, toen hij den wind mee kreeg, ging het zeer goed; alleen in Gaasterland had eenige sneeuw hem last bezorgd."

Het Leeuw. Nwsbl. was 's morgens te Dokkum. Het blad schreef:
"Terwijl achter den Prinsentuin de laatsten der tochtdeelnemers bij het schaarsche licht van enkele lantaarns nog bezig waren de schaatsen onder te binden en in "De Groene Weide" enkele officials, persmenschen en belangstellenden nog onder het genot van een warmen drank zaten te nakaarten in afwachting van de eerste berichten uit Dokkum, zetten wij koers naar die oude koopstad, die in den verren voortijd zooveel stoere Friesche zeevaarders met hun zware koggen zag komen en gaan en die thans reeds zoo vroeg in den morgen, of eigenlijk in den laten winternacht, het niet minder stoere nageslacht van die "wetterliuwen" ontving op het eerste controle- en keerpunt van den Friesehen marathon op de ijzeren wieken. 't Was nog nacht toen we de oude veste binnenreden, maar in de omgeving van de "Oude Zijl" was het één drukte en beweging, zooals Dokkum tegenwoordig alleen nog beleeft wanneer de Bonifacius-processie trekt.

Uit het nevelig duister kwamen daar als schimmen uit het verleden de lange slierten rijders uit het Westen geruischloos aanglijden, tot ze, bij de controletentjes op het ijs gekomen, met een krassenden zwaai remden en uit elkander stoven. Voor de tentjes was het een gedrang als in vroeger jaren bij de taaien koekkramen op Sinterklaasavond.

Vlot en zonder tijdverlies werden de controlekaarten afgestempeld en de meeste rijders gingen zonder te rusten onmiddellijk weer den weg terug, dien zij gekomen waren.
Een doorsnede uit den Elfstedentocht was het zoo van den wal af gezien, die eindelooze stoet uit het duister opdoemend, in den lichtkring van de controleposten keerend en weer in 't zelfde duister verdwijnend. Slechts een zeer kleine minderheid nam er den tijd af om zich naar de beide cafés -te begeven, die den rijders lafenis en warmte boden."

Te Harlingen heerschte, volgens het blad, de echte Elfstedensfeer. In het café was het een drukte van belang.

"Louter jonge, oer-gezonde mannen en vrouwen, de meeste met sterk karakteristieke koppen, die door den ijzig kouden wind hoekig en kantig gebeiteld waren als werkstukken van een beeldhouwer. Opvallend was het bijna totaal ontbreken van zoogenaamde moderne sportcostuums, die zoo menigmaal den drager tot een caricatuur maken.

Practische, warme kleeding, een enkele windjacke, veel wollen mutsen. Rasechte schaatsenrijders, weinig humbug. Stoere noorderlingen zijn in de meerderheid ditmaal, menschen in wier aderen nog het onvervalschte Vikingen-bloed stroomt, dat blijkbaar in koude en duisternis de beste stimulansen vindt om het lichaam tot groote prestaties op te drijven.

Stoer zijn ze en rustig. Opmerkelijk hoe kalm alles in zijn werk gaat. En toch heerscht er een opgewekte sfeer, die zich niet uit in luidruchtigheid, maar die men voelt en mee ondergaat, alsof men gedompeld is in een krachtveld van onbeperkte energie. Het is de kracht van het Noordzee-ras, die zich in dezen vreedzamen strijd in een der grootste sportieve prestaties van Nederland op het schoonst en het waardigst uitleeft in den korten winterdag, waarin nu eindelijk de zon het van den nevel schijnt te zullen winnen."

De Leeuw. Crt. gaf de volgende momentopnamen van den tocht:

"Alle elf steden op één dag. Dat heeft een bijzonderen klank voor heel schaatsminnend Friesland, maar voor de sterksten van de sterken moet het wel een zeer aparte bekoring hebben.

Het publiek is bij zoo'n elfstedendag opgetogen en geeft grif het warme bed of het hoekje bij de kachel voor een koude plaats op een of ander tochtig hoekje. Dat is overal hetzelfde, of het nu 's morgens om half zes bij de Vrouwenpoort in de hoofdstad is of 's middags op een of ander stukje overgebleven bolwerk in een van de miniatuurstadjes in den Zuidwesthoek.

Maar wat moet de wedstrijdrijder niet over hebben voor de eer om tot de snelsten te behooren, die ze alle elf op één dag kunnen rijden! De man van de krant, die deze mannen den geheelen dag volgt op hun oerzwaren tocht, kan daar van meepraten. Hij ziet en voelt hun moeilijkheden mee; hij beleeft de spanning van 't eenige minuten uitgeloopen zijn met den man, die er alles en alles op heeft gezet om te toon en dat hij inderdaad de sterkste is.

Een verwonderlijk uithoudingsvermogen moet dit soort wedstrijdrijders bezitten. Maakt u zich eens een voorstelling van zoo'n ijsbaan van 200 k.m. lengte. Dat, is zoo ver als bijvoorbeeld van Leeuwarden naar Utrecht. Daar zijn slechte stukken hobbelig ijs. Bevroren sneeuwduintjes belemmeren den tocht over meren en vlakten.

En toch gaat het maar immer voorwaarts. Zonder rusten. Pats, drukt de controleur het stempel op de kaart. Snel één of twee woorden wisselen met de belangstellende omstanders en voort gaat het weer! Een elfstedenwinnaar zit op den geheelen tocht nog geen kwartier op een stoel. En die tijd besteedt hij dan nog hoofdzakelijk om van schaatsen te verwisselen of om een pleister op zijn gezicht te krijgen.

Maar dan moet hij ook al een voorsprong hebben en niet de concurrenten vlak op zijn hielen weten. De vriendelijke E.H.B.O.-ster in Harlingen kon tenminste niet zoo lief praten, dat de jeugdige Bosman zijn bebloede wang wilde laten afwasschen. Zelfs het feit, dat zij óók uit Breukelen kwam, woog niet op tegen de haast van dezen stoeren schaatsenrijder, die zich door zijn verdiende tweede plaats wel in zijn eersten Elfstedentocht onder de allerbesten heeft geschaard.

"Service"onderweg....Een geblesseerde wedstrijdrijder heeft een sterken rug beklommen om naar den controlepost gedragen te worden

Over haast gesproken. Weet u hoe Auke Adema aan een controlepost een fleschje chocolademelk nuttigt? Neen, niet met de hals aan de mond. Dat stroomt niet snel genoeg toe. Hij drinkt keurig uit een glas, maar schenkt onder het drinken het glas uit de flesch bij. Want stel je voor dat de drie die hij op het traject door de Gaasterlandsche bosschen achter zich liet en die ook heusch geen kwajongens op de gladde ijzers zijn, hem toch weer eens zouden benaderen! Dan kwam de hoogste eer, waar hij al z'n zinnen op gezet had, immers in gevaar. En dus geen rust.

Immer voorwaarts. Langs de witte vaarten met de donkere glimmende baan waarlangs van brug tot brug, van huis tot huis, van dorp naar dorp de mare vooruit gaat: "Ze komen."
Ze, dat zijn de koprijders. dat weet iedereen zoo'n dag. Oud en jong, arm en rijk, heel Friesland staat met reikende halzen langs het bevroren watergebied.

"Ze komen" en onder daverend gejuich en aanmoedigend handgeklap schieten ze doof de opgehaalde bruggen. Verbeten vechtend om de eerste te zijn in het grootste winter-sportgebeuren. Alle elf op één dag."

Samenvatting van verslagen.

1941

6 februari 1941.
Zacht. Zwakke, zuidoostelijke wind.
Vrij goed ijs.
600 wedstrijdrijders aan de start, 65 geklasseerd.
1.900 toerrijders, 1.672 volbracht.
Winnaar: Auke Adema uit Franeker, in 8 uur en 44 minuten; een nieuw snelheidsrecord.

Voor de organisatie was de grote vraag in de winter van 1940 op 1941 niet of het ijs wel goed genoeg was. Het was een strenge winter, en het was voor iedereen duidelijk dat het ijs goed genoeg was. De grote vraag was of de tocht wel gehouden moest worden, nu Nederland bezet was door de Duitsers. Tal van verschillende bepalingen maakten de organisatie van de tocht een stuk ingewikkelder. Tussen zonsondergang en zonsopgang moesten alle ramen verduisterd worden. Voor de tocht die grotendeels in het donker verreden werd betekende dit grote problemen. De Vereniging De Friesche Elf Steden was duidelijk in haar standpunt: de tocht zou niet doorgaan.

Maar toen de vorst maar van geen wijken wilde weten werd de druk van het publiek groter en groter. Uiteindelijk ging het bestuur op een vergadering op maandag 3 februari overstag. De tocht zou op 6 februari verreden worden. Wel kregen de schaatsers de boodschap om de tocht beslist niet aan te grijpen om te demonstreren tegen de Duitse bezetter.

De oorlogssituatie waarin Nederland verkeerde weerhield de Elfsteden-schaatsers er niet van om een poging te wagen het beroemde Elfstedenkruisje in handen te krijgen. Bij honderden schreven de deelnemers zich in bij de zes kantoren die voor dat doel waren ingericht. Op een dergelijke opkomst had de organisatie niet gerekend. Bij de inschrijvingskantoren kwam men door de drukte er niet aan toe alle deelnemers te tellen. De Zevende Elfstedentocht is dan ook de enige waarvan het precieze deelnemersaantal niet bekend is.

De zeventienjarige Willem Augustin,  (7 februari 1923, Amsterdam – 31 oktober 2004, Sneek) was een Nederlands schaatslegende. Hij is de avond voor de Elfstedentocht op de fiets naar Friesland gekomen. In Harlingen werd hij vastgezet.

HIJ WILDE DE ELFSTEDENTOCHT RIJDEN. Een proces-verbaal.

Een Amsterdamse jongen, een doodgewone 17 jarige Amsterdamse jongen, Augustin geheten, heeft naar de Telegraaf bericht het volgende stoute stukje uitgehaald, dat opgetekend verdient te worden in de annalen van de Elfstedentochthistorie.

Hij is Woensdagavond zeven uur, nadat hij de gehele dag had gewerkt, op de racefiets gesprongen, met twee paar Noren op zijn rug gebonden. In het donker reed hij van Amsterdam over de Afsluitdijk naar Friesland, waar hij om kwart over twaalf in Zurich aankwam. Dat was dus na twaalf uur en eigenlijk had Augustin dus binnenshuis moeten gaan. Hij reed echter door, want hij moest in Leeuwarden zijn. Daar was immers de start van de Elfstedentocht. Hij reed dus door.

Maar om twee uur Harlingen binnenkomend, liep hij tegen de lamp, hij moest mee naar het politiebureau en werd daar opgesloten tot vier uur 's nachts. Zijn protest: ja maar, ik moet toch meedoen aan de Elfstedentocht, hielp niets. Maar nog was de klok van vier uur niet koud, of Augustin sprong weer op de fiets en peddelde naar Leeuwarden om, gewapend met een startkaart, de schaatsen voor de Elfstedentocht onder te binden, het proces-verbaal uit Harlingen ten spijt.

Ook enkele schaatsers uit Nijega kwamen in de problemen omdat zij de spertijd overtraden. Enkele weken na de tocht moesten zij voor de rechter komen omdat zij na het voltooien van de tocht nog naar huis fietsten. De rechter legde de laagste boete, die ik ooit voor deze overtreding gaf op.

AUKE ADEMA WINT NU ALLEEN.

Stoere Fries spoelt slechte smaak van 1940 weg.

Na het Pact van Dokkum van 1940 wilde Auke Adema dit keer opnieuw als eerste eindigen, maar dan alleen.

WOBKE KOOISTRA SNELSTE VROUW VAN 1941.

Voor de eerste keer is Wobke Kooistra, de snelste dame van de Elfstedentocht. Ook in 1947 is ze de snelste, maar dan samen met Sjoerdtje Faber.

Een speciale wedstrijd voor vrouwen was er nog niet. Toch ontstond er een onofficiële strijd tussen verschillende dames. Enkele honderden vrouwen waren aan de start verschenen, allen als toertochter ingeschreven. Op kop lag Antje Schaap, 21 jaar oud uit Wirdum. In Hindeloopen lag zij elf minuten voor op Sjoerdje Faber en Wopke Kooistra, bekend om hun hevige strijd in de vorige tocht. Antje lag niet alleen voor op de vrouwen, geen van de toertochters wist haar voorlopig in te halen. Bij de finish wisten maar 3 van de 3859 toertochters eerder over de finish te komen dan zij.

Daarnaast moesten honderden wedstrijdschaatsers tot hun grote verbazing concluderen dat zij haar niet bij konden houden, al waren zij eerder gestart. Om vier uur kwam Schaap over de finish, in een tijd van minder dan 9.30. Precies een half uur later kwamen Sjoerdje Faber en Wopkje Kooistra binnen. Ook zij waren voor duizenden toertochters en honderden wedstrijdschaatsers geëindigd. Rond vijf uur kwamen Geveke, Jongert en Woudstra eindelijk in Leeuwarden aan na hun kapitale vergissing. Zij hadden een tocht van tweehonderdvijftig kilometer in de benen zitten.