Elfstedentocht 1912

DE ELFSTEDENTOCHT VAN 1912.

(Eerste: C. C. J. de Koning in 11 uur en 40 minuten).

In de oprichtingsvergadering van de Friesche Elf-Steden- Vereeniging was besloten, zoo mogelijk iederen winter een Elfstedentocht met wedstrijd te organiseeren. Het wachten was slechts op ijs. Maar de met moed begonnen bestuurderen der vereeniging moesten voorloopig hun ziel in lijdzaamheid bezitten. Immers er zouden twee winterseizoenen verstrijken, waarin geen tocht gehouden kon worden.

Eindelijk - de winter van 1912 stond het bestuur toe met haar werk te beginnen!
De eerste Elfstedentocht, die de jonge vereeniging zou organiseeren, kon op Woensdag 7 Februari 1912 worden gehouden.

Niet minder dan 170 rijders lieten zich inschrijven voor den tocht, die aanvankelijk bepaald was op 27 Januari. Toen hij moest worden uitgesteld tot 7 Februari, slonk het aantal deelnemers tot 59, te weten 34 deelnemers aan den wedstrijd en 25 deelnemers aan den tocht.

Op deze foto treft men alle bestuursleden van die dagen aan. Links achter mr. Hepkema (witte trui), C. C. J. de Koning, die prijswinnaar zou worden. Op den achtergrond rechts (in witte trui) J. Ferwerda.

De goden van het weer hebben dit begin niet gezegend. Nadat het de voorafgaande dagen flink gevroren had, sloeg het weer plotseling om; 's nachts viel er nu en dan regen. Maar de rijders, die in hotel Weidema verzameld waren, waren al even enthousiast als die van den tocht van 1909. Bij meerderheid van stemmen werd uitgemaakt, dat de tocht zou doorgaan. De start vond plaats des morgens te 5.40.

De winnaar van den wedstrijd was COEN C. J. DE KONING van Arnhem. Hij was des avonds te 5.20 te Leeuwarden terug, en had dus den tocht gereden in 11 uur en 40 minuten. Tweede werd JAN FERWERDA van Leeuwarden, die te 5.35 arriveerde. Als derde en vierde kwamen bij den finish aan de rijders SJ. SWIERSTRA van Offingawier (te 5.51) en J. KEIZER van Tacozijl (te 5.51½).

Van de 34 deelnemers aan den wedstrijd legden slechts 20 de geheele route af. Een viertal bracht het nog tot Sneek en werd geacht den tocht te hebben volbracht, aangezien het ijs op het laatste traject niet meer betrouwbaar was; een tweetal kwam niet verder dan Stavoren; drie anderen gaven het op onderscheidenlijk te Franeker, Harlingen en Bolsward, terwijl een vijftal deelnemers slechts de "polonaise" naar Dokkum heen en terug gereden had. Van de 25 deelnemers aan den tocht volbrachten 19 de reis als volgt: een viertal tot Leeuwarden (finish) en de overige 15 tot Sneek.

Over de ervaringen van de deelnemers aan den wedstrijd bevat de beschrijving Ferwerda's tocht interessante lectuur. Wij zullen enkele gedeelten uit zijn relaas hier overnemen.

"Nog op de stadsgrachten achter den Prinsentuin - aldus vertelt sergeant Ferwerda - trof ik een groepje kalme rijders, wien het er alleen om te doen was, den tocht te volbrengen. Met een vroolijken groet passeerde ik het clubje en zette de reis voort. Natte voeten had ik reeds gekregen. Trouwens het kon niet anders, of ook de anderen hadden al kennis gemaakt met het water, dat op enkele plaatsen vrij hoog op het ijs stond.

Buurman's leed troost, zegt het spreekwoord, en zoo trok ik er mij niet al te veel van aan.
Gelukkig had men ons verteld, dat op de route naar Dokkum geen wakken waren, anders was het angstig rijden geweest, want het was knapjes donker. Toch ook wel prettig, zulk rijden in de duisternis! Men is nog frisch en vol goeden moed; telt alle bezwaren licht. Geluiden van slierende schaatsenijzers in regelmatigen slag dringen tot u door.

Aardige opmerkingen en leuke zetten hoort men van heel uit de verte. Somwijlen gelach en ook uitroepen van schrik of waarschuwingen als "hier is de baan", "pas op, daar staat een tent", en dergelijke. Als donkere schaduwen glijden de huizen voorbij en reuzengestalten op den walkant doen u schrikken, totdat een welgemeend "goeden morgen" u doet blijken, dat daar een boer reeds vroeg bij de hand is, om zijn vee te verzorgen.

Ook minder gelukkige tochtgenooten doemden uit het duister op. Een kleine averij aan schaats of ander ongelukje van dien aard, noodzaakte hen een oogenblik den rit te staken.
Te Birdaard trof ik een groepje van vier, worstelende om op het slechte ijs vooruit te komen, dat totaal onberijdbaar en heelemaal zacht was.

Dit clubje vertelde mij, dat er slechts een vijftal rijders maar voor ons waren, waarom ik besloot voorloopig met hen op te rijden. Vrooiijk gingen wij op Dokkum aan. De eene kwinkslag na den andere werd ten beste gegeven, waardoor de stemming voortdurend uitmuntend bleef. Er werd veel en hartelijk gelachen, vooral als iemand door het maken van een minder goede streek het water hoog deed opspatten.

Zoo bereikten wij den eersten controlepost, aangeduid door een roode lantaarn. Het laatste eindje hadden wij nog eens flink den gang er in gezet, want de allervoorsten waren wij even vóór Dokkum tegen gekomen, al weder op hun terugreis naar Leeuwarden. Het waren de heeren C. C. J. de Koning, J. Keizer en J. IJsbrandi. (Tusschen haakjes: IJsbrandi kwam als vijfde te Leeuwarden aan de finish aan te 6.10 's avonds).

Vlug werd de steile loopplank beklommen en de controlepost, gevestigd in café A. Smid bij de Bontebrug, opgezocht. De kaarten werden afgeteekend door den controleur. Bij aankomst te Dokkum begon het daglicht door te breken. Niettegenstaande het vroege uur, hadden zich al eenige nieuwsgierigen bij den controlepost verzameld.

Een kort oogenblik werd besteed voor het gebruiken van een glas warme melk, om vervolgens met frisschen moed weder op Leeuwarden aan te trekken. Hadden wij op de heenreis den wind in ons voordeel. thans kregen wij te kampen tegen den vijand van iederen schaatsrijder, daar het nog al stevig woei. Al spoedig bleven er van ons clubje achter, zoodat wij met z'n drieën, n.l. de heeren Swierstra, Dames en ik, den tocht vervolgden. Ik was thans in de tweede linie, een positie, welke ik pas uren later, in Workum, zou kunnen verbeteren.

Een klein eindje voor Birdaard troffen wij den heer IJsbrandi aan. Hij had een mankement aan zijn schaats gekregen en zag daardoor zijn kans om bij de voorsten te blijven, verkeken. Ik hielp hem bij het repareeren, terwijl mijn clubgenooten doorreden. Ook anderen haalden mij nu in en zagen wij voorbij stuiven.

Spoedig hadden wij de schaatsen in orde en zetten er een fiksch gangetje in, teneinde het verloren terrein te herwinnen. Het ging thans snel voorwaarts; spoedig hadden wij de anderen ingehaald.
Het was intusschen geheel dag geworden en het rijden verschaft zooveel genoegen, ging nu zoodanig, dat men kon denken een plezierritje te maken.

Te Leeuwarden brak IJsbrandi voor de tweede maal zijn schaats en nu zoodanig, dat herstellen niet meer mogelijk was. Hij viel en verwondde terdege zijn hoofd. Ferwerda wilde nog bij hem blijven, doch hij riep den eerste toe: "Vervolg maar gauw je weg, laat mij in den steek en zorg dat je aan de contróle komt!"

Na Leeuwarden reed Ferwerda met Swierstra op. Zij besloten om voorloopig bij elkaar te blijven.
"Tusschen Dronrijp en Franeker werden wij opeens opgeschrikt, doordat wij merkten dat iemand achter ons aankwam, aan wiens arm te zien was, dat hij tot onze tegenstanders behoorde.

Al spoedig had hij ons ingehaald en bleek het de heer de Koning te zijn, die met razende snelheid ons voorbij stoof. met de vraag, hoeveel er nog vóór waren. Hoe hij achter ons kwam, begrepen wij niet. Geen van beiden had gezien dat wij hem voorbij gereden waren. We verkeerden in de stellige meening, dat hij met Keizer ons ver vooruit was.

"We moeten hem maar achterna", stelde Swierstra voor. "Ach," zei ik, ,.laat hem maar gaan. Op die manier doorrijden kan hij niet. We krijgen hem vandaag toch wel ergens te pakken, de weg is nog lang". Zoo ging het door naar Franeker en Harlingen; Keizer en de Koning waren hen niet ver voor.

Toen naar Bolsward. We werden bezield met den geest van de aloude spoorzoekers, die ieder lezer zich nog wel zal herinneren uit de boeken van Cooper en Aimard uit zijn jeugd. Als padvinders volgden wij de sporen, met den neus bijna op het ijs, en maakten met beslistheid uit, dat de lange, meer rechte streken afkomstig waren van den heer de Koning met zijn Noorsche schaatsen. Dicht bij Bolsward kwam een troep van wel dertig man ons tegemoet stormen, allen voorzien van groote houten borden. Het bleek een handige reclame te zijn voor een te Bolsward gevestigde schaatsenfabrikant.

Een practische controlepost hadden ze daar in Bolsward, n.l. op den walkant, vlak bij de baan. Het bleek ons, dat de heeren Keizer en de Koning dadelijk waren doorgereden, en daar wij ons best gevoelden, namen wij geen rust, doch vervolgden direct na afteekening der kaarten onzen weg.

Op het baanvak Bolsward- Workum hadden wij een aardige ontmoeting met een landbouwer. Hij zag dat Swierstra wat water van het ijs schepte om zijn mond te verfrisschen. Dat kon onze goede Fries, die zich met zijn familie aan den walkant had opgesteld, zeker niet best hebben. Hij riep ons toe even te stoppen, en bood limonade aan.

Groot was onze vreugde, toen wij in Workum de heeren de Koning en Keizer aantroffen. Eerst zagen wij hen niet; de zaal waar wij moesten zijn, was tjokvol. Ge kunt u mijn ontroering voorstellen. Eindelijk dan had ik mijn doel bereikt en mij in de voorste linie geplaatst. Uren lang had ik hiernaar verlangd, en reeds bijna den moed opgegeven, het ooit zoover te brengen.

"We hebben ze te pakken, hoor!", riep Swierstra. Ik voegde mij bij hen, zeer voldaan over ons succes en vol bewondering voor het enorme rijden der achterhaalde mededingers in een vriendschappelijken strijd. Vooral het feit, dat wij den heer de Koning, den beroemden hardrijder en kampioen van Nederland, hadden ingehaald, stemde mij zeer blij. Nu ging het op Hindeloopen aan.

Wij reden met z'n vieren een heel kalm gangetje, waarbij de heeren Keizer, Swierstra en ik om beurt aan het hoofd gingen. Natuurlijk mochten wij niet opgelegd rijden; dit verbood het reglement. Onze stemming bleef voorloopig iets gedrukt. Ik wil gelooven, dat wij alle vier er over nadachten, wat de gevolgen zouden zijn, nu wij zoo met z'n vieren samen opreden. Het gesprek wilde tenminste eerst niet vlotten. Later op den dag werd dit beter.

De heer de Koning zei niet veel. Met zijn Noren onder, bleef hij kalm in de achterhoede. Zoo tusschenbeide wierp ik wel eens een nieuwsgierigen blik op hem. Een korte, breedgeschouderde gestalte; een kranig figuur, zooals hij daar reed.

Toch kreeg ik toen niet den indruk, dat ik mij erg bevreesd voor hem behoefde te maken, wanneer het er in de eindspurt om zou gaan, wie de eereplaats zou bezetten. Vol bewondering was ik voor zijn bijna rechte streken, welke zijn Noorsche schaatsen hem in staat stelden te maken. Zoo nu en dan probeerde ik hem op mijn Friesche doorloopers na te doen, maar ik moet eerlijk bekennen, dat zulks niet ging.

Was ik dus niet zoo bang voor de Koning, anders was op dat moment mijn indruk van den heer Keizer. Met forschen, stevigen slag, als 't ware machinaal regelmatig, sloeg hij z'n been en uit. Vooral als hij aan het hoofd ging, en dus den wind moest breken, bewonderde ik zijn onvermoeid voorwaarts-gaan in nimmer falend tempo. Hij was een groote, forsch gebouwde persoon; een stoere Fries."

Ook na Stavoren bleef het kwartet bijeen. Op de route naar Sloten stelde de Koning voor, dat Keizer het eerst dit stadje zou binnenkomen, n.l. als eerste aan den kop. Dat werd door Swierstra en Ferwerda goed gevonden. Nu verzocht Swierstra zich het eerst in Sneek te mogen melden, omdat hij daar goed bekend was. Ook daarmee gingen de anderen accoord.

Swierstra arriveert in Hindeloopen.

Op dit traject maakten we nog op zeer onaangename wijze kennis met het water. Een eindje voorbij Stavoren was een watermolen in volle actie en maalde het water uit den polder op de vaart die wij moesten passeeren!

Het gevolg was, dat over een lengte van wel honderd meter vóór den molen zooveel water op het ijs was geloosd, dat rijden bijna niet meer mogelijk was. Daar wij toch reeds den geheelen dag natte voeten hadden gehad, vlogen wij maar met een flink gangetje in het natte element op, doch het viel niets mee. Op zeker oogenblik dacht ik dat het ijs onder me wegzonk. Het water stond zeker wel een halve meter hoog op het ijs. Rijden was natuurlijk niet mogelijk; wij stapten er maar zoo goed en kwaad als 't ging doorheen.

Over den molenaar, die ons die poets speelde, waren wij slecht te spreken. Ook eenige Stavorensche heeren, die een eindje met ons waren opgereden, gaven over die handelwijze hun afkeuring te kennen. In statigen optocht trokken wij Sloten' s oude veste binnen...."

Hun officieele tijd luidde voor Sloten: De Koning, Ferwerda en Keizer 3.17; Swierstra 3.23. (Swierstra's schaats was gebroken, zoodat hij zijn reserve moest onderbinden. Hierdoor kwam hij enkele minuten later bij de controle). Toen zij van Sloten vertrokken, maande Ferwerda zijn tochtgenoot Swierstra aan om voort te maken en direct mee weg te rijden. Swierstra beloofde zulks, maar zeide eerst nog iets te willen gebruiken; hij zou hen wel inhalen.

Te Rijs had het gezelschap als gids de beroemde rijder schipper Klinkhamer, meegekregen. Toen zij op het Slotermeer waren gekomen, merkte Ferwerda, opeens, dat Klinkhamer en de Koning, waren beginnen te spurten.

"Eerst vermoedden wij nog niets en wisten van den prins - pardon, van de Koning! - geen kwaad, maar toen de afstand tusschen ons steeds grooter werd, begonnen wij er toch anders over te denken. Ik vroeg Keizer, wat hij er van dacht. Deze verdedigde den heer de Koning en zei. dat hij hem niet in staat achtte, om zich op zulk een wijze aan onze afspraak te onttrekken. Hij zou aanstonds zijn vaart wel weer verminderen en ons opwachten. Niets van dat alles geschiedde. De Koning. achter zijn reuze-schipper, was en bleef aan het spurten.

Nu vielen ons de schellen van de oogen en zetten wij er ook de sokken in. Wij moedig den elkaar tot steeds grooter snelheid aan, doch konden terdege merken, dat wij reeds een uur of tien de schaatsen onder hadden. De afstand tot de beide voorsten werd al grooter en grooter, hetgeen niet behoeft te verwonderen, als men bedenkt dat Klinkhamer nog zoo goed als geheel frisch en in uitstekende conditie was.

Zoo voortjagende bereikten wij het dorp Woudsend. Hier moest worden afgebonden, daar het ijs niet meer vertrouwd was. Met koortsachtigen haast ontdeden wij ons van de schaatsen en al loopende door Woudsend informeerden wij naar de Koning. De heer Keizer en ik besloten vol te houden zoolang wij maar eenigszins konden en er alles op te zetten om de Koning in te halen. Wij reden als razenden en bereikten spoedig IJlst

(Aankomst Ferwerda en Keizer te IJlst: 4.05. Te 4.01 was de Koning IJlst gepasseerd).

Met de deelnemerskaart in de hand kwam ik binnen en vroeg deze dadelijk af te teekenen, daar ik onmiddellijk weder wilde vertrekken. "Vooruit!" zeide ik tegen Keizer, "wij mogen niet wachten, dan halen wij het nooit". Hij wilde echter absoluut even wachten en antwoordde: "Ga hem alleen maar achterna".

Dit tooneel speelde zich in een minimum van tijd af. Met een stuk worst in de hand, dat mij nog broederlijk door Keizer werd meegegeven, vervolgde ik alleen den tocht. Ik had slechts één doel: De Koning inhalen, en daarom steeds sneller vooruit te gaan. Hoewel ik niets meer van hem zag, wilde ik niet opgeven en mij zelf aldoor aansporende, spande ik mij tot het uiterste in. Ik zag links noch rechts, en vloog over het ijs.

Toen ik Sneek naderde, kwamen verscheidene rijders mij tegemoet. Ik had echter zoo'n gang, dat ik alles voorbij stoof en achter mij liet. Ik dacht aan geen wijken en had thans ook nog mijn longen te gebruiken om de menschen toe te roepen, ruim baan voor mij te willen maken.

Iedereen begreep dat het "er om ging". Er zat spanning in. Aan bijvalskreten ontbrak het niet. De walkanten stonden zwart van 't volk, dat daar was samengestroomd, daar de aankomst van de Koning door een kanonschot was aangekondigd. Of men nog meer heeft geschoten, ik weet het niet; ik was doof voor alles.

Aan den controlepost, in logement Bokma bij de Waterpoort, moest worden afgebonden wegens het slechte ijs, en wel een minuut of tien door Sneek worden geloopen. Terwijl ik het bruggetje opliep, zag ik juist den heer De Koning de controle verlaten. Dit gezicht vuurde mij tot den grootst mogelijken spoed aan. Er was een telegram gekomen van mijn makkers uit Leenwarden.

"Moed houden, Jan," stond er in. Het deed mij werkelijk goed te merken, dat de kameraden met mij meeleefden, en mij aanmoedigden in mijn strijd om de eereplaats. Een gids bracht mij door de stad. Op een holletje ging het door Sneek; de gids en ik voorop, en half Sneek achter ons aan. Nog nooit heb ik zoo iets beleefd; door de aanmoedigingen van de brave Sneekers begon ik maar aldoor harder te loopen. Ik heb toen werkelijk mijn corpus niet gespaard!

De belangstelling onder de bevolking was enorm. Dat hier provincialisme een groote rol speelde, wie zal het ontkennen, en wie het laken? Zou dit niet overal precies eender zijn geweest?

Met alle respect voor het rijden van de Koning, gunde men mij toch gaarne de zegen. Trouwens, de gelukwenschen voor den heer de Koning zijn daarom niet minder geweest, en alle deelnemers aan den Elfstedentocht hadden slechts één roep over de groote hulpvaardigheid van de Friezen, en de hartelijke ontvangst, hun overal bereid.

Honderden -uitroepen weerklonken toen wij den heer de Koning inhaalden. Gezamenlijk ging het nu op het ijs aan. Mocht ik al niet het eerst aan kunnen komen, de Koning zou er toch om moeten rijden!

Tegelijk bonden wij op. Ik was zelfs gauwer klaar en vertrok het eerst. Een kleine, vlugge schipper bood aan met mij op te rijden, hetgeen ik dankbaar accepteerde. Nog onder den rook van Sneek haalden de Koning en Klinkhamer ons in. Wij konden het niet houden en waren genoodzaakt hen te laten passéeren. "Links daartoe gelegenheid geven," schrijft het reglement voor.

In razende vaart is er toen gereden. Beiden zetten wij er alles op; het ging om de eer. Was er den geheelen dag gereden met de handen op den rug, thans moesten ook de armen mede doen, om steeds grooter snelheid te kunnen ontwikkelen. "Poepjesstijl", zou Jhr. Jan Feith zeggen."

Toen kwam Ferwerda te vallen in een groote plas water. Door dat ongemak raakte de Koning een vijf honderd meter voor. Ferwerda gaf toen den strijd op en ook zijn Sneeker metgezel achtte verdere pogingen nutteloos. Met een slakkengangetje ging Ferwerda, nat als een poedel, op Leeuwarden aan, waar hij een kwartier ná de Koning arriveerde.

(Aankomst DE KONING te 5.20: aankomst van FERWERDA 5.35; aankomst van SJ. SWIERSTRA 5.51; aankomst van J. KEIZER 5.51 1/5),

Dit waren de vier eerst-aangekomenen: de zes volgende waren: J. IJsbrandi (Leeuwarden) 6.10; H. IJpma (Arum) 6.11; S. Bouma (Alkmaar) 6.25; S. Rijpma (Irnsum) 6.42; Mr. M. E. Hepkema (Leeuwarden, voorzitter Elfstedenvereeniging) 6.42; T. Geertsema (Groningen) 6.56.

De rijders Swierstra en Keizer hadden elkander toch ook nog eventjes dwars gezeten. Keizer arriveerde om 4.20 te Sneek. Hij was zeer vermoeid, maar gunde zich geen rust. Eerst een kwartier later kwam Swierstra te Sneek aan.

Deze was in pracht-conditie en het gelukte hem, Keizer op het laatste traject in te halen Dit geschiedde bij Boxumerdam. Daar zetten beiden een spurt in. Keizer reed vóór, maar Swierstra hing als zijn schaduw achter hem; zoo stoven ze - onafscheidelijk in dezen laatsten fellen kamp - Leeuwarden binnen.

Tot bij de eindstreep bleef het onzeker wie zou winnen. Doch op het laatste moment week Keizer even naar links; direct schoot Swierstra hem voorbij, den controleur als 't ware in de armen. "Ik ben eerst", riep Keizer nog, maar hij moest toch toegeven, dat hij den kampslag met een minimaal verschil verloren had. Eén seconde was Swierstra hem maar voor.

Samenvatting van verslagen.

1912

7 februari 1912.
Eerste tocht, die is georganiseerd door de Vereniging de Friesche Elfsteden.
Sterke dooi en regen.
Zacht ijs met steeds meer watervorming.
38 wedstrijdrijders aan de start, 14 geklasseerd.
22 toerrijders, 4 volbracht.
Winnaar: Coen de Koning uit Arnhem.

Coen de Koning (Edam, 30 maart 1879 - 29 juli 1954)

(De Tweede Elfstedentocht was de eerste Elfstedentocht die werd georganiseerd door de Vereniging De Friesche Elf Steden. De Eerste Elfstedentocht was georganiseerd door de Friese IJsbond. Nu er een speciale Elfsteden-vereniging was opgericht beloofden zowel de Friesche IJsbond alswel de Bond voor Lichamelijke Opvoeding in Den Haag dat zij geen eigen Elfstedentocht zouden organiseren).

Drie jaar, een maand en 5 dagen later was het weer zover op 7 februari 1912. Het ijs was op die zevende februari van matige kwaliteit. Op de dag zelf dooide het ongeveer 4 graden en waaide er een warme voorjaarsbries. Enige uren regende het zelfs.

Net als bij voorgaande editie hield een groot aantal van de schaatsers het maar voor gezien. Van de 165 ingeschrevenen kwamen 100 niet opdagen. Zij die wel kwamen opdagen in Hotel Weidema spraken over gekkenwerk, van een zwempartij en van sportverdwazing. Uiteindelijk werd er gestemd. Met 37 stemmen voor en 28 stemmen tegen besloot men te schaatsen. 6.20 vertrokken de wedstrijdschaatsers, vijf minuten later volgden de toerrijders.

Het belangrijkste voor de schaatsers was ervoor te zorgen dat zij niet vielen. Er stond zoveel water op het ijs dat er dan wel meteen opgegeven kon worden. Al snel vormde zich een kopgroep bestaande uit Coen de Koning uit Arnhem, Jetze Keizer uit Tacozijl, Jan Ysbrandi uit Leeuwarden en Haye Ypma uit Arum. Op het stuk Dokkum – Leeuwarden verloren Ysbrandi en Ypma het contact met de kopgroep.

Bij Franeker besloten Jan Ferwerda en Sjoerd Swierstra dat zij bij elkaar zouden blijven, om Coen de Koning en Jetze Keizer in te halen. Zij hadden nog maar kwalijk dit verbond gesloten of ze werden ingehaald door De Koning, van wie zij dachten dat deze achter hen was. Zij lieten De Koning maar gaan, omdat die naar hun mening een dergelijk tempo toch nooit kon volhouden. Een paar uur later troffen Ferwerda en Swierstra dan ook niemand minder dan De Koning en Keizer aan in een café in Workum. In deze nieuwe kopgroep moest Swierstra al snel afvallen omdat hij door een mankement aan zijn schaatsen niet kon bijblijven.

De drie mannen vroegen de schipper Klinkhamer om hen over het Slotermeer te loodsen. De Koning ging echter, tegen een verbond met de twee Friezen in, met schipper Klinkhamer aan de haal en kreeg een steeds groter wordende voorsprong. Swierstra gaf op, maar Ferwerda zette de achtervolging in. In Sneek wist hij de Koning weer in de halen. Toen Ferwerda viel, was het voorbij en staakte hij de achtervolging. Coen de Koning won in een tijd van 11 uur en 40 minuten. De Koning was niet alleen al Europees kampioen op de lange-baan geworden in 1904, maar had nog in 1912 het wereldduurrecord in zijn bezit.

Dubois uit Leeuwarden was twee keer door het ijs gezakt. Desondanks eindigde hij als negentiende, op twee uur en 51 minuten van Coen de Koning. E. IJst uit Leeuwarden en Jetze Doorman uit Utrecht zakten samen met een gids in de buurt van Balk door het ijs. Doorman wist zichzelf en zijn metgezellen op het droge te krijgen, maar moest verkleumd opgeven. Twintig rijders hadden de gehele wedstrijd per schaats afgelegd.

De toertochtschaatsers hadden het net als de wedstrijdrijders niet makkelijk gehad. Van de 22 toertochtschaatsers die aan de Tocht der Tochten begonnen wisten vier hem ook daadwerkelijk te voltooien. Th. Adriani Hoen, uit Groningen was de snelste, hij volbracht de tocht in dertien uur en 27 minuten waarmee hij in totaal als vijftiende eindigde.

Het bestuur van de tocht verbood aan het begin van de avond rijders die in Sneek arriveerden nog verder te schaatsen. Achttien rijders, waaronder schaatspionier Pim Mulier en de enige vrouw in het gezelschap Jikke Gaastra volbrachten de tweede Elfstedentocht door het laatste stuk met de trein af te leggen. Ze kregen toch een kruisje. Gaastra werd de eerste vrouw die meedeed aan een officiële Elfstedentocht en werd daarvoor door het bestuur onderscheiden met een gouden broche.

Coen de Koning, verslaat iedereen. Wereldkampioen en wereldrecordhouder behaalt zijn eerste zege in de Elfstedentocht.

Op de woensdagmorgen, vlak voor vertrek, laten de deelnemers aan de tweede Elfstedentocht zich op de foto zetten. Ze moesten daarna 200 kilometer door dooi en regen schaatsen.

Eerste vrouw op Elfstedenijs. Jikke Gaastra (hier met broer Jelle) stapt als eerste vrouw op het ijs tijdens Elfstedentocht, maar haalt de finish niet.