Elfstedentocht 1909

DE ELFSTEDENTOCHT VAN 1909.

(Eerste: M. Hoekstra in 13 uur en 50 minuten).

Mistig was de morgen. Onder druppende boomen door begaven de rijders zich naar het ijs. Snel werd opgebonden en daar ging het heen - voor de Polonaise! - naar Dokkum.
Intusschen werkte het IJsbond-bestuur aan - wat men met een modernen term noemt - de "grond-organisatie". Regelingen werden getroffen, aan de contrôle-bureaux in de Elf Steden werd het vertrek der 22 rijders geseind, terwijl op dezelfde manier de betrokken krite-bestuurders tot zorg en waakzaamheid werden aangespoord.

De contrôle-bureaux hielden het IJsbond-bestuur te Leeuwarden telegrafisch op de hoogte van aankomst en vertrek der rijders. In den loop van den morgen kon worden vastgesteld, dat verschillende rijders den tocht onderweg hadden moeten opgeven.
Slechts negen van de 22 volbrachten den tocht!

De prijswinnaar van den dag was de heer M. HOEKSTRA AZN. te Warga (aankomst 19.10 Leeuwarden; gereden tijd 13 uur en 50 minuten), op zijn hielen gevolgd door den heer GERLOF D. VAN DER LEIJ te Marrum (aankomst Leeuwarden 19.13; gereden tijd 13 uur en 53 minuten).

Met drie minuten tusschenruimte volgde als no. 3 van de kopploeg de heer T. ROOSEBOOM te Amsterdam (aankomst Leeuwarden 19.16; gereden tijd 13 uur en 56 min.). Vermeldenswaard is, dat deze kopploeg bestond uit een theologisch student (Hoekstra), een boer (Van der Leij ) en een militair (luitenant Rooseboom),

De beide eersten waren Friezen.

De drie eerst-aangekomenen werden als volgt bedacht: de heer Hoekstra ontving de groote verguld zilveren, de heer Van der Leij de zilveren, en de heer Rooseboom de bronzen Bondsmedaille.

Een goed uur later kwam een tweede ploeg, ditmaal van vier rijders, bij den finish aan. Het waren: Jan Boon te Rotterdam; Jacob Kaastra te Huizum; IJ. Kaastra te Huizurn: Jan Ferwerda te Leeuwarden. Zij arriveerden gezamenlijk om 20.26, met een gereden tijd van 15 uur en 6 minuten. Twee uur later meldden zich de laatste twee rijders: Jhr. H. W. M. van Coehoorn van Sminia arriveerde om 22.25 uur; mr. J. Lieftinck (de laatste) stempelde te 22.42 zijn controle-kaart te Leeuwarden af.

Tot de eerst-aankomenden behoorde ook Jhr. Jan Feith, doch deze rijder had de route Leeuwarden-Dokkum en terug niet gereden, zoodat hij vanzelfsprekend buiten mededinging bleef. Hij werd vanwege het bestuur van den IJsbond met een zilveren schaats met inscriptie vereerd. Alle negen aangekomen rijders ontvingen het Bondskruis.

De heeren T. Rooseboom van Amsterdam en Jan Boon van Rotterdam.

Op de door den Frieschen IJsbond uitgeschreven prijsvraag voor de aardigste beschrijving van den gehouden Elfstedentocht kwamen vier inzendingen binnen. De jury, bestaande uit Mevr. Hylkema-Heeg te Leeuwarden en de heeren J. M. de Jong te Koudum en W. J. H. Mulier te Scheveningen, kende den prijs (een verguld zilveren schaats) toe aan den heer M. Hoekstra Azn., die hiermee zijn tweeden prijs in verband met den Elfstedentocht had gewonnen.

Mullier's denkbeeld was ingeslagen! De eerste Elfstedentocht - althans de eerste georganiseerde tocht - was een succes geworden. Door heel het land en zelfs daarbuiten had deze tocht, aldus Hylkema, bij beoefenaren en liefhebbers van de ijssport algemeene belangstelling gewekt.

Niettegenstaande de weinig opwekkende weersgesteldheid stonden aan de controle-bureaux, die bij den inrit van elke der Elf- Steden gevestigd waren, dichte drommen nieuwsgierigen en bewonderaars de rijders op te wachten en te verwelkomen. En toen het bekende negental 's avonds tusschen 19.10 en 22.42 achtereenvolgens, eerst in groepen, tenslotte met "eenlingen" den eindpaal bereikte, klonken uit de langs de kaden en op de bruggen samengedrongen menigte luide bravo's en welkomstkreten den stoeren tochtvolbrengers tegemoet.

De rijders werden in Amicitia door het bestuur van den IJsbond opgewacht en ontvangen, terwijl de daar verzamelde, overtalrijke bezoekers hen met warme ovaties begroetten.
In het officiëele rapport van dezen Elfstedentocht staan de volgende bijzonderheden
vermeld: Plus minus 2 graden dooi. Zuidelijke wind. Den geheelen dag door, vooral 's morgens en 's avonds, zware, natte mist; alleen tegen den middag iets opklarend.

Over het algemeen mooi, sterk ijs; door den aanhoudenden dooi echter hier en daar wat "verzachtend"; op sommige plaatsen zelfs veel water. Aan en naar de zeekanten was het ijs, tengevolge van het brakke water, week en daardoor moeilijk, soms zelfs bijna onmogelijk te berijden.

Vele rijders hebben op die plaatsen de schaatsen afgebonden en zijn een eind weegs gaan wandelen, hetgeen veel tijdverlies met zich meebracht en uiteraard op de gemaakte tijden een ongunstigen invloed heeft geoefend. Het traject van dien dag bedroeg ruim 200 kilometer.

M. Hoekstra Azn., winner.

Uit de bekroonde beschrijving van den heer Hoekstra volgen hier enkele gedeelten. Daaruit kan blijken, welk een doorzettingsvermogen en physieke kracht aan dezen tocht te pas zijn gekomen. Lees 't begin. De Polonaise! Zonder veel gerucht glijdt de donkere stoet over 't groezelig, gebarsten, natte ijs; rondom hangt de dikke mist. rondom slaapt de stille stad. Bij de manege vallen er al twee tegelijk, hakende in een scheur; 't water spat hoog op. Vooruit, zonder genade!

De laatste gaslantaarn is gepasseerd. Egyptische duisternis alom; op goed geluk gaat 't nu maar recht vooruit; geen oever is meer te zien, alles is grijs, donker grijs. Weer valt er eentje, meteen spettert ook weer 't overvloedige water; angstig klinkt 't geroep: "pas op, pas op!" Zwak doorboort 'n lichtje de nevelen, nog een, daar recht vooruit. De voorhoede geraakt nu geheel in de war; men roept, geen antwoord volgt.

Wat voor lichtjes zijn dat toch, van aan den wal liggende schepen, van huizen op den oever, zoo ja, op welken oever? O, goeie menschen, die daar tusschen Leeuwarden en Dokkum aan de welbekende trekvaart woont, wat hebben jullie ons 'n last berokkend met al die brandende lampjes. Hoe begeerig anders ook naar verlichting, hier kozen wij eenstemmig 't ondoorgrondelijk duister.

Natuurlijk zeilt er af en toe weer 'n ongelukkige door de plassen; dezelve krabbelt dan weer haastig overeind, klaagt niet, zucht heel eventjes, zoekt verloren eigendommen weer bij mekaar, vervolgt dan z'n weg naar 't onzichtbaar doel, en mag van geluk spreken als hij den troep weer heeft ingehaald. Want we rijden, ondanks alles, vlug op; 't dorp Wijns is reeds gepasseerd en wij zijn eigenlijk nog maar korten tijd op pad.

Plotseling zien de voorsten 'n donkere massa voor zich onrustbarend groeien; ze roepen "land", maar enkelen voelen reeds onder zich de keihard gevroren Friesche klei, daarachter krassen de te-schoor gezette schaatsijzers, en door 'n snelle wending vermijden de overigen nog een in deze omstandigheden vrij lastige wandeling. De verwarring is nu algemeen. Krachtige stemmen roepen, schreeuwen: "Waar is de baan?" "Hierzoo!", bulkt er ééntje, die met al z'n hebben en hou'en op 't ijs is gebuiteld en dus waarschijnlijk "dichter" bij de waarheid is dan die verborgen komische kracht, die daar ergens, op korten afstand, ironisch opmerkt: "Overal is de baan!"

Weer vooruit, weer glijden nauwelijks hoorbaar de schaatsen voort. In Birdaard ligt notabene 'n plank dwars over 't ijs. Weer vallen er enkelen. Ook 'n hardrijdersbaan met haar onmisbare palen en hokjes staat daar in onzen weg; hoe is 't mogelijk, dat niemand onzer daar 'n ongeluk heeft gekregen; misschien ook is dit wel gebeurd, maar dan heeft hij z'n lot lijdelijk en stilzwijgend gedragen.

Nu zijn we tusschen Birdaard en Dokkum. 'n Hooge gestalte vlak voor me wankelt en valt in de schijnbaar bodemlooze diepte, haakt in m'n linkerschaats en ik volg tegen wil en dank in de aangegeven richting; au, sjonge, wat is dat ijsgoedje hard!
"M'n pet!" - roept de bewerker van dit onheil. Hé, dat stemgeluid is me wel bekend, en ik vraag: "Is U Rooseboom?" "Ja, en jij Hoekstra?"
Ziehier 'n origineele hernieuwing van oude kennis. De hoofddeksels zijn gauw gevonden; spoorloos is en blijft m'n lorgnet verdwenen. ,,'n Koninkrijk voor m'n lorgnet!" -

Daar schemert aan den rechteroever 't licht van 'n groote lantaarn, we weten wat dat beteekent. Haastig draven we nu, als kippetjes achter mekaar aan, bij de houten opstap op, steken de hobbelige keien over, verdwijnen door de hel-verlichte deuropening, duwen allen tegelijk den "controleur" onze boekjes onder z'n neus. Maar de man gaat kalm z'n gangetje, vult ze één voor één in.

Nu blijkt dat 'n mededinger 'n diepe neuswonde heeft; 't is bloed, een en al bloed. Is hij misschien tegen een der straks genoemde palen aangereden? Ik weet 't niet. De eerste der "elf" ligt achter ons; we zijn weer buiten, rijden nog altoos in 't wilde weg; hu, 't is zoo waterig onder, boven en rondom.

Weer passeert ons 'n klein groepje; 't is de achterhoede, bestaande uit de Hollanders van Sminia, Lieftinck en Boon. Weer klinkt luid geroep, 'n hartelijke groet.
't Grauw der nevelen wordt nu lichter en lichter; langs de oevers is nu ook meer bedrijvigheid dan zoo pas, geluiden dringen vandaar tot ons door; niets is nog zichtbaar. Voor 't eerst zien we nu onze voeten weer, 't ijs met z'n barsten, we zien mekaar, en, O gelukkig moment, we ontdekken de baan.

Direct allen er op, nou laten we 'rn niet meer schieten, den geheelen dag niet. Ook de oevers zijn nu te onderscheiden, en van daar zien de menschen ook ons; hoofdschuddend blijven ze staan, staren ons na tot de laatste der wiegelende schimmen is verdwenen.

Hoe meer ons gezelschap Leeuwarden nadert, des te vlugger gaat 't; 't aanbreken van den dag heeft een zoo even gesloten afspraak om "bij elkaar" te blijven, te niet gedaan; ieder denkt nu bij zich zelf: "als 't eenigszins mogelijk is, dan..." en hij slaat z'n beenen uit, werkt om in de voorste rij te komen.

't Gelukt me daar ook 'n plaatsje te veroveren; naast me heb ik den gewonden collega Dijkstra en z'n vriend, en de gebroeders Kalt. De laatste brug vóór de controle passeer ik 't eerst, op den hoek bij de gevangenis 'n beentje over, nu nog 'n paar goed gezette streken men grijpt al 'n boekje, teekent af, en als ook de anderen naderen, zet ik er den gang weer in, nu naar Franeker!"

Tusschen Franeker en Harlingen komt Hoekstra aan de spits. Hij vertelt: "Tres faciunt collegium - is 'n studentikoos gezegde, hetgeen getrouwelijk overgezet beteekent: drie is 'n stelletje. Deze drie zijn Gerlof van der Leij, de journalist Jhr. Feith en ik. Heerlijk, dat gevoel van aan de spits te rijden; met nieuwe opgewektheid door de weeke ijs-kliek.

Van rechts naar links: J. Feith, M. Hoekstra Azn, G.D. van der Leij en hun gids Fokke Krooynga.

'n Nieuwe verrassing doet zich voor; 'n malsch regenbuitje daalt neer; O, 't is ideaal dooiweer. Van der Leij verwenscht in bloemrijke taal dit onaangenaam natuurverschijnsel en sluit z'n toespraak met 'n tragisch: "ook dat nog". Al struikelende, loopende, slierende, schokkende, ervaren wij dat de in de gure mist eindeloos schijnende goor-vuile, ijsachtige glibbermassa steeds onbruikbaarder wordt.

'n Postbode, komende uit tegenovergestelde richting met z'n schaatsen onder den arm, doet ons 't ergste vreezen. "t Wordt nog erger", antwoordt hij stuursch op 'n vrijwel overbodige vraag van den heer Feith.

Na 'n drie kwartier, eindelijk Harlingen. Allen, die langs 't kanaal hun werk hebben, ze laten 't eventjes in den steek, schieten van alle kanten toe en roepen en juichen.
Voort gaat de tocht - naar Bolsward, vandaar over Workum naar Hindeloopen.

Aan de controle te Harlingen. Op de "barte" de drie rijders Van der Leij, Hoekstra en Feith.

Daar worden de rijders door den burgemeester op dampende chocolademelk onthaald. Vandaar gaat het verder, naar Stavoren, met Tjomme, den gids. We citeeren: "De kortste weg, hoor gids!"
Nou, zie 'm eens in actie, hij gooit z'n beenen links-rechts, rijdt als de weerlicht; Tjomme is en blijft onbetaalbaar. Wij volgen gedwee, als schaapjes den herder.

Bij aankomst te Hindeloopen was 't half twee, we kunnen dus kwart over twee te Stavoren zijn. Maar de nabijheid van de zee is oorzaak, dat 't ijs weer minder bruikbaar wordt; O die dunne ijzertjes, waren ze maar 'n centimeter dik.

En dan nog, af en toe, moeten we "klunen" - over land gaan met de schaatsen aangebonden -, want vele bruggetjes zijn veel te laag om er onder langs te kunnen rijden of kruipen. Zoo zijn juist 45 minuten verstreken als de gids mij beduidt dat we nu wel dicht bij de stad zijn, maar dat de vaart hier 'n grooten omweg maakt.

Stavoren doemt op, is duidelijk zichtbaar nu. 'n Heer wandelt op 't ijs, ontdekt ons en nadert; hij vraagt ons naar de gebroeders Kalt; genoemde heer duide 't ons niet ten kwade dat onze antwoorden, zoo "en passant", wel wat bijzonder kort en negatief waren. Wij konden immers niets daarvan weten!

Terwijl ik naar aanleiding van die vraag er over nadenk, mezelf afvraag, hoe groot onze voorsprong wel zou zijn, ontsnapt 't aan mijne aandacht, dat de heer Feith opeens is gaan spurten. Plotseling ontdek ik hem op 'n 15 meter afstand vóór ons, kijk 'm rijden, al z'n ledematen beschrijven ovale cirkels in de lucht.  Maar wat bezielt hem toch? Bij de controle gekomen, vinden we daar den snelvoetige al zitten, puffende en blazende. Zou hij 't gedaan hebben om tenminste éénmaal 't eerst aan te komen? 't Vermoeden lijkt me nog niet ongegrond."

Dan volgt de tocht over de Morra. "Wij zijn op de Morra. De nevel trekt nu z'n sluiers al enger en enger rondom ons toe, de wereld is weer O zoo klein. Dit doet 'n drietal jongelui, die ons volgden, en van plan waren mee te rijden tot Balk, reeds vóór halfweg de rest aan ons overlaten en terugkeeren. De wind hebben we nu in den rug; in 't ijs geplante takken wijzen den weg.

De diepe stilte wordt niet verstoord. 't IJs is nog niet heel hard, maar wordt merkbaar beter. Als we eindelijk eens even halt houden, roept onze gids, altoos in z'n rol, met luide stem: "Galamadammen". Van der Leij bromt: "er is ommers niks te zien". We zijn weer op gang, vlak achter den "bestuurbare" aan; weer niets dan takjes en ijs, ijs en takjes. "Kippenburg", bromt Tjomme, als er weer eens zoo ongeveer niks te zien is.

Tjomme voelt 't aan de lucht, waar ie is. Maar hij weet niet heel precies wanneer 't blauwe ijs van Gaasterland begint, want voor 20 minuten heeft hij op 'n desbetreffende vraag geantwoord: "aanstonds, m'nheer." en dat zegt ie nou weer, met z'n vergenoegde tronie". - Te Balk maakte Hoekstra op een zwaar beladen slede, die op het ijs stond, een hoogstandje hetgeen Van der Leij buitengewoon verbaasde.

"Eindelijk, ja, 't wordt donker onder onze voeten; even te voren is 't ijs al keihard geworden. Hoe snel glijden nu de ijzers voort, O 't is 'n lust. Aan weerszijden staan nu rijen boomen. "Dat geeft al veel prettiger indruk dan die onbegrensde ijsvelden van de Morra. Over 't blauwe ijs gaat 't nu bijzonder snel, 'n wielrijder op den oever wil ons bijhouden, maar moet 't opgeven na eenigen tijd.

In 't midden borrelt uit 'n diepe lengteberst 'n massa water; langs den rechteroever vliegen we voort, zetten meestal met den linkervoet in 't water af; en telkens gulpt 't ijskoude water dan 'n halve meter omhoog en maakt de beenen tot boven de knie drijfnat. Wie bekreunt zich daarom? Wie gevoelt dat? Niemand! 't Water is nu ons element geworden; wat hebben we nu al gedurende tien uren anders gezien?

Flauw worden enkele lichtjes zichtbaar, daar recht vooruit. 't Is Sloten. Door weinigen opgemerkt stuiven we de gracht binnen, zoo'n typisch-ouwerwetsche met hooge steenen wallen. Kaarsrecht overeind staan daar links twee groote dienders, 'n groepje menschen is daar samengeschoold, daarachter zie ik 'n groot huis.

't Is 'n heele toer om daar boven te komen, de ordebewaarders grijpen ons, gelukkig met goede bedoelingen, en helpen; daarbinnen in het gemeentehuis wacht ons de burgemeester.
"Mijnheer de burgemeester...."
"Goei'n avond, heeren.....!"

Van der Leij heeft zich aan de ronde tafel 'n plekje uitgekozen; wij iets verder naar achter. De eerstgenoemde begint direct met gretige happen z'n worst te bewerken. Dat gezicht maakt ook ons hongerig en we hebben geen rust vóór dat de juffrouw melk en broodjes brengt. De heer Feith heeft ook op 'n stoel plaats genomen, maar als hij eenigen tijd vergeefs heeft gezocht naar 'n extra prettige houding, laat hij z'n stoeltje in den steek en strekt zich in heel z'n respectabele lengte uit op den vloer. Maar zwijgen kan hij niet lang, O neen.

Wederom en voor de zooveelste maal verklaart hij louter "voor z'n genoegen" mee te rijden; verder onderhoudt hij van uit z'n nonchalante situatie 'n onafgebroken gesprek met al de aanwezigen."

Te Sloten krijgen zij een nieuwen gids, die hen voor twee gulden naar Sneek zal brengen.
"De wijde ijsvlakte ligt weer rondom, wij rijden vrij snel. Er zijn hier en daar "kistwerken" ontstaan, gelukkig vrij smalle, zoodat we er allen overheen springen, zoodra de voorman ons waarschuwt.

De maan heeft nu de taak der zon geheel overgenomen; over de wijde, wijde vlakte speelt 'n zacht, geheimzinnig licht, 'n stille stemming van vrede en berusting. Een tijd lang heeft dit zoo schoone schouwspel m'n gedachten afgeleid van 't eentonig werk, dat wij bezig zijn te volbrengen.

Plotseling rijden we weer op 'n kanaal. zien weer één oever; maar 't ijs is hier onberijdbaar, schotsje bij schotsje loodrecht tegen mekaar op. Behalve de gids, zijn we allen gevallen; zelf kom ik terecht op 'n hoekige bonk ijs en bijt op m'n tanden. Nu kan ik m'n lachen wel laten, m'n stemming is 'n poos geheel bedorven. Maar we hebben geen tijd om veel notitie te nemen van elkanders moeiten; ook wordt 't ijs weer beter, maar 't water staat nu bijna overal 5 à 6 c.m. hoog.

De gids wil ons langs 'n korten weg naar IJlst brengen; maar helaas, we raken verdwaald op 'n slootje. 'n Jongetje wijst ons weer 't rechte pad en kort daarop zijn we in genoemd stadje."
Suggestief is Hoekstra's beschrijving van de finale met eindspurt. Te Sneek zijn de rijders op stoelen neergevallen om enkele minuten rust te vinden. Maar men bestormt hen met vragen.

Dan het laatste traject: Sneek-Leeuwarden! "Maar wie staat daar in de deur? Wie roept daar mijn naam? Wie kent mij hier? Rooseboom verschijnt in de deur, hij is 't die daar riep. Maar hoe is dat mogelijk? In Stavoren was hij nog 23 minuten ten achter, blijkens 'n vandaar op verzoek verzonden telegram! Buiten Sneek voegt hij zich bij ons en vertelt hoe dit alles hem is gelukt. Nergens heeft hij gerust en zoo is hij er in geslaagd ons in te halen.

Zoo rijden we vrij snel voort; voorop rijdt 'n kerel als 'n boom; z'n zware baard
en z'n kleeren geven hem 't voorkomen van 'n stoeren schipper, maar als de heer Feith hem nog op de Sneekergracht aldus aanspreekt. zegt hij: "Nee, m'nheer. ik ben onderwijzer". Zeldzaam vast is zijn streek; de heer Feith fluistert mij in: "wat zijn er toch 'n massa beste rijders, hier onder jullie Friezen".

Ik knik en zwijg. De heer Rooseboom praat zeer druk, 't schijnt dat hij nog bijzonder frisch is. Enfin, dat zal wel blijken, daarvoor zal aanstonds gelegenheid zijn. Ondertusschen zie ik erg tegen die "gelegenheid" op; we zullen moeten hardrijden, dat staat vast; maar hoe zal dat mogelijk zijn voor mij, die zelfs met behulp van 't maanlicht geen vijf meter voor me uitzie? Hoe sterk doet zich nu 't gemis van m'n lorgnet gelden!

Maar er dient afgesproken te worden, hoe de eindstrijd zal gestreden worden. Nu blijkt 't, dat onze trouwe Van der Leij van geen "strijd" wil weten; hij wil loten. Daartegen protesteeren allen, ook ik. Dezelfde reden, welke Van der Leij dat rare voorstel doet uitspreken, brengt mij op 'n ander plan; maar ook mijn voorstel om, ter voorkoming van noodelooze ongelukken, niet den geheelen afstand tot Leeuwarden als wedstrijd te nemen, maar 'n baan van ± 1000 m. op 'n recht eind van de Sneekervaart daarvoor uit te kiezen, wordt verworpen. Ook Rooseboom is hier sterk op tegen. Waarom? Heeft hij hoop, vooral op 'n langeren afstand, door z'n uithoudingsvermogen ons te slaan?

M. Hoekstra Azn.

G. v. d. Leij.

T. Rooseboom.

Dus: hardrijden tot aan de Leeuwarder controle! Voor niemand hunner kon dit zooveel gevaren hebben als voor mij. Plotseling haakt Van der Leij in de schaats van Feith: beiden vallen. Rooseboom volgt hun slecht voorbeeld; zoo liggen er dus in 't maanlicht drie van de vijf; de grootste en de kleinste staan nog overeind.

Waarom blijft die kleinste staan? Is 't geen wedstrijd en is hij geen mededinger?
Maar moet niet 'n hardrijderij rijdende tegen rijdenden gereden worden? Dáárom wachtte ik.
Rooseboom heeft z'n schaatsen beter ondergebonden; aan zijn "wacht nog even, ik ben nog niet klaar" hebben wij voldaan. Maar ook voor 't laatst. De Dille, een logement half-weg Leeuwarden, is reeds gepasseerd.

Nu moet 't maar komen zoo 't komt, denk ik, en begin meteen harder te rijden.
Rooseboom tracht me bij te houden; Van der Leij doet eveneens z'n best. De grootste is niet meer "voorrijder", de kleinste heeft z'n plaats veroverd en behoudt die. Want ál zachter en zachter klinkt daar achter me 't geluid der schaatsijzers over de gladde, mooie baan.

Eén is er nog die niet ver achter me is. Wie is dat? Ik blijf kalm en luister nauwkeurig. 'n Stem roept: "Ik ben 't, Feith!" Nou, daar heb ik niks tegen, hij is "neutraal".
Ik volg den rechteroever, anders weet ik heelemaal niet hoe ik 't ooit zal vinden.
Plotseling: wèg is die oever! Waar is die gebleven ? Door m'n vaart vlieg ik recht vooruit en sta plotseling voor 'n andere wal. O, er gaat me 'n licht op, ik zit in één van de vele bochten, moet dus rechts uitwijken.

Dit alles is in 'n ommezien gedacht en gedaan; weer vind ik den rechteroever en als later zich 't zelfde verschijnsel weer voordoet, blijkt dat 't kunstje me handiger afgaat!
Hè, dat zwarte gedrocht daar lijkt wel 'n brug;'t is zoo; ik duik zoo diep als 't me mogelijk is.
"Och kerel, je kunt er wel rechtop onder door," roept m'n volgeling. 't Behoeft nauwelijks gezegd dat wij ook nu niet zoo snel mogelijk rijden; dat zou dwaas zijn, nu deze snelheid voldoende bleek. Maar, hoe ver zijn we nog van de stad?

Daar fluit 'n locomotief, daar nog een; zwak dringt tot ons door 't gedreun van rangeerende wagens. Nu weet ik voldoende. Vierkante donkere massa's, zwak zich afteekenend tegen de zwak verlichte avondnevelen. blijken huizen en fabrieken te zijn. 't IJs is ook direct veel slechter geworden, overal schotsen; 'n harde duw in m'n rug behoedt me voor een val, want diep zit m'n linkervoet in 'n scheur. Maar voort vliegen we weer, alsof 't leven er mee gemoeid was.

Van af de kaden heeft de menigte ons reeds opgemerkt, luid geroep van alle kanten begroet ons.
"Waar is de Amicitia?"
"Nog twee bruggen!"
Deze zijn we gepasseerd; links golft de groote menigte van wachtenden, haar luid geschreeuw en gejuich maakt me eenigszins van streek.
Waar is de controlepaal met brandende lantaarn?
Hier moet 't wezen, ik stuur er op af.. .... de menschen wijken uitéén, ik gevoel iets heel hards en stort neer.

Maar opstaan behoef ik nu niet meer, want sterke vuisten heffen m'n natte body op en dragen me, agenten maken ruim baan, 't schrille licht van gaslampen verblindt m'n moede oogen. Voor 't laatst wordt m'n boekje afgeteekend.....'t Is tien minuten over zeven."

Aldus eindigde de winner van den eersten, door den Frieschen IJsbond georganiseerden, Elfstedentocht - de heer M. Hoekstra Azn., destijds theologisch student, afkomstig van Warga, sedert geruimen tijd predikant der Ned. Herv. Gemeente te Scherpenzeel (Fr.) - zijn bekroonde beschrijving, die als literair-journalistieke prestatie op een tamelijke hoogte staat en zich ook heden (meer dan dertig jaar later) nog altijd laat lezen als een interessant en boeiend verslag van dien eersten gedenkwaardigen tocht.

Wij willen den lezer niet onthouden ds. Hoekstra's beschrijving van het laatste traject, zooals hij die in 1929 neerpende voor een Hollandsch blad. De student was dominee geworden; het leven had ook zijn uiterlijk "veranderd", zooals blijkt uit bijgaande foto's, maar zijn toon en stijl waren nog dezelfde gebleven.

Wij citeeren: "Wij waren van af Sneek met z'n drieën als mededingers. Bovendien nog de persman jhr. Jan Feith (die ± 150 K.M. van de ruim 200 K.M. heeft gereden) en, als nieuw en frisch zich aansluitende, een forsche rijder uit Sneek, een schippers zoon, die - zoo zeide hij - graag aanwezig wilde zijn bij de ontvangst van den winnaar in Leeuwarden. Die praatte nog al druk en reed een opvallend stoere streek. Jhr. Feith, fluisterde mij daarover zijn bewondering toe.

Hoe zou de beslissing moeten komen? In 't wild rijden door de duisternis, lukraak, langs of in 't bijt, langs of tegen bootjes aan den wal, of tegen den wal op? Eén stelde voor loten. "Nooit!" Wat dan? Ik zelf stelde voor: een paar stallantaarns van 'n boer halen en dan een 1000 Meter recht eind uitzoeken en dan tegen elkaar rijden op dien afstand, en aldus de beslissing eerlijk zoeken. 't Voorstel vond geen genade. Nog steeds acht ik dit 't beste in die onmogelijke omstandigheden.

Bij de "Dille", halfweg Sneek-Leeuwarden, vielen mijn beide concurrenten; want in de duisternis haakte de een in de schaats van den ander. 'n Fijne gelegenheid om van de prachtkans gebruik te maken en zóó te winnen. Zóó op die manier, weigerde ik te winnen. Daar is 'n "sfeer" welke mij dit resoluut belette. En altijd, naar ik hoop.

Ik heb gewacht; ook toen één van hen vroeg of 't goed gevonden werd, dat hij z'n ééne schaats beter aanbond. Natuurlijk was dat accoord. Maar mag ik hier vragen: is ooit bij een enorm en wedstrijd voor of na met zooveel ruim-kameraadschappelijken geest onder de rijders gestreden?

Toen moest 't gebeuren; een stem telde drie tellen: in versneld tempo werden alle krachten gegeven. Direct passeerde ik den voorste en ik was alleen. Neen, toch niet; die frissche stoere streek-rijder uit Sneek kwam dicht bij. Dat duurde eenige minuten; toen hijgde hij me toe: "niet zoo hard, dat hoeft niet!" Daar was iets in die hijgende stem, dat wees op iets wat mij zeer interesseerde.
Werd deze man ook al moe? Zou 't kunnen gelukken om ook deze achter te laten? 't Tempo werd nog iets sneller; de Sneeker verdween in de mistige duisternis. Hoe is 't mogelijk, na 13 uur.

Nog enkele minuten: toen gebeurde 't. Vlak voor mij uit groeide iets zwarts, o wee, de wal! 't Was niet meer te keeren, ik liep over de harde kluiten en met een boog er weer af. Maar in welke richting nu? Moest 't nu zóó nog verloren worden? Daar naderden schaatsen. Even wachten!

Ds. M. HOEKSTRA. anno 1940. "Zoo hebben de jaren me veranderd"... schreef de prijswinnaar van den eersten Elfstedentocht ons.

Voorzichtig wegrijden in de richting tegenovergesteld aan den naderenden rijder. Langzaam en luisterend voortrijden. Een grauwe gestalte duikt achte me op Jhr. Jan Feith! Geen gevaar, nu snel weer. De zware stem achter mij maant om 't wat kalmer te doen.
't Heb slechts gehoorzaamd.

Zwak dreunde door de stilte het rangeeren van treinen: Leeuwarden!
De eerste lantaarns, de eerste huizen, de eerste brug .... de laatste brug .. " de laatste honderd meter. Sterke knuisten die een drijfnat prijswinnaar 'n fel verlichte zaal binnendragen, veelsoortige hoera's, een dame met een reuzenkrans met roode rozen en veelkleurige linten.

Dank u, mevrouw! Veel handdrukken, weer hoera's. Een warm bad, frissche kleeding, welke ongelooflijk "beschaafd" aanvoelde, ofschoon geen enkel onderdeel paste. Veel persvragen, zelfs om een portret. Stel je voor, dat daarvan bij voorbaat een collectie was meegenomen.
Heerlijk was, na tien uur, de slaap onder gastvrij vriendendak; tegen den ochtend een dwaze droom; n.l. een brug, die al maar lager naar 't ijs toe zakte en waar m'n harde Friesche kop noodzakelijk tegen aan moest bonzen."

Hoewel deze eerste georganiseerde Elfstedentocht een succes was geweest, besloot het bestuur van den Frieschen IJsbond, dat deze organisatie een dergelijken tocht niet nog eens zou organiseeren. Het was - om redenen die we hier niet kunnen bespreken - van oordeel, dat het organiseeren van een dergelijken wedstrijd niet op het terrein van den Frieschen IJsbond lag.

Deze - we mogen nu wel zeggen eenigszins conservatieve - houding vond geen algemeenen bijval. Er waren in 1909 in Friesland (en elders in het land) enthousiaste beoefenaars van de schaatsensport, die juist veel van deze Elfstedentochten voor de toekomst verwachtten. De overgang van het koele standpunt van onthouding en niet-aanmoediging van de Elfstedentochtsport, gelijk de Friesche IJsbond het innam, naar de geboorte van een speciale vereeniging ter bevordering en aanmoediging van deze sport, is destijds niet zonder strijd gegaan.

Wij zullen daarbij overigens niet stilstaan; het gerucht rondom dien eersten Elfstedentocht is verstomd; maar de zaak zelve heeft voortgang gehad. Terwijl nooit iemand den Frieschen IJsbond den roem heeft willen betwisten, dat deze organisatie het initiatief tot den eersten georganiseerden Elfstedentocht tot een volmaakt succes heeft weten door te zetten, is er ook niemand, die heden nog laatdunkend zal spreken over het pionierend werk van de jonge vereeniging, die op 15 Januari 1909 te Leeuwarden werd opgericht: de Friesche Elf-Steden-Vereeniging.

Het bestuur van de Elfstedenvereeniging werd gevormd door de heeren: mr. M. E. Hepkema (voorz.); mr. D. v. Welderen baron Rengers (secr.); Y. van Slooten (penn.mr.); H. J. Kalt; Jac. Marcus; jhr. H. van Baerdt van Sminia; mr. J. D. van der Plaats; J. Boosman en F. A. van Heyst. Als medeoprichter dient voorts te worden genoemd de heer G. Dijkstra R.Hz.

Met de oprichting van deze vereeniging werd in de Friesche schaatsensport een nieuwe phase ingezet. Wij kunnen de oprichting dezer Elfsteden-vereeniging niet anders zien dan een gelukkige oplossing van een conflict, waarin eenigen tijd lang de beide groepen, n.l. die van de den Elfstedentocht koelgezinden èn die van de warm-gezinden, tegenover elkander hadden gestaan.

De tijd heeft bewezen, eerstens dit: dat de Friesche IJsbond in 1909 een allergelukkigst initiatief nam, dat de inleiding is geworden van een vaste ijs-traditie in Friesland; tweedens: dat de Elfsteden-vereeniging met het inzicht van de geestdriftigen en het enthousiasme der jeugd in 1909 een daad heeft gedaan, die geheel in het kader der dingen paste en verantwoord was.

Zij nam een vaan over en droeg dien door een lang tijdperk heen naar dit top-jaar 1940, waarin wij een halve eeuw van Elfstedentochten mogen gedenken.
Om hetgeen beide organisaties - èn de Friesche IJsbond èn de Elf-Steden-Vereeniging - in dezen hebben tot stand gebracht, zij den beiden besturen bij deze gelegenheid warmen dank en lof gebracht!

Mr. Hepkema, voorzitter der Friesche Elfsteden-Vereeniging, geeft aan den vooravond aanwijzingen over de route.

Samenvatting van verslagen.

1909

2 januari 1909.
Enige tocht, die is georganiseerd door de Friese IJsbond.
Dooi (+ 2 graden)
Goed ijs, geleidelijk zachter.
23 Wedstrijdrijders aan de start, 7 geklasseerd.
Geen toerrijders.
Winnaar: Minne Hoekstra uit Warga.

Minne Hoekstra (10 juni 1884), dominee, schaatser (winnaar van een Elfstedentocht in 13 uur en 50 minuten.) (overleden 1941).

Friese IJsbond.

EERSTE TOCHT DOOR FRIESE IJSBOND GEORGANISEERD.

Organisator van de eerste Elfstedentocht van 1909. Meteen daarna, op 15 januari 1909, wordt op initiatief van de Leeuwarder jurist Mindert Hepkema de “Vereeniging De Friesche Elf Steden” opgericht. Hepkema had zich geërgerd aan de slechte organisatie door de Friesche IJsbond. Na wat geruzie neemt hij de organisatie van de schaatsmarathon over. Het blijft dus bij de organisatie van deze ene Tocht.

Het dooide en het ijs was zacht maar op 2 januari 1909 werd de eerste Elfstedentocht verreden. Deze eerste tocht met wedstrijdelement kende drie uitblinkers; te weten: Minne Hoekstra uit Warga, Gerlof van de Leij uit Marrum en de Amsterdammer Tiete Solke Rooseboom. De winnaar Minne Hoekstra benodigde 13 uur en 50 minuten van start tot finish. Dit was de eerste en gelijk de laatste tocht die door de Friese IJsbond werd georganiseerd.                                    

Die denkt dan aan een eenmalige, een historische gebeurtenis en schrijft aan het eind van het jaar 1908 zo'n tocht als wedstrijd uit, zonder een datum te bepalen: tot de vijfde januari kunnen deelnemers zich aanmelden bij de voorzitter in Leeuwarden.

Wat later nooit meer zal voorkomen, gebeurt nu: het blijft vriezen dat het kraakt en het wordt raadzaam geacht de wedstrijd te vervroegen. En wanneer er zich al 48 deelnemers hebben ingeschreven, wordt de aanmelding van het ene op het andere moment gesloten.......

Het abrupt sluiten van de aanmeldingen wekt het ongenoegen van de jonge jurist mr. Mindert E. Hepkema die als een haas vanuit Hamburg naar Leeuwarden, hier te horen krijgt dat hij zich maar eerder had moeten melden. Het zal nu nog maar even duren of we zullen meer van deze Hepkema te horen krijgen.

In de nacht voor de geplande tocht op 2 januari 1909 valt plotseling de dooi zo onstuimig in dat de meeste kandidaat-rijders zich niet bij de startplaats laten zien. En de 23 anderen mogen zelf bepalen of de tocht doorgaat of niet.

Tenslotte komt de voorzitter van de Friesche IJsbond nog met een verrassende mededeling. 'U dient de tocht eigenlijk niet te beschouwen als een wedstrijd', zegt hij. 'Alleen de flink getrainde jongelui onder U mogen denken aan het winnen van een prijs'. Welnu, in de wedstrijd/tocht komen drie figuren als favorieten naar voren: de Amsterdammer Tiete Rooseboom en de Friezen Minne Hoekstra en Gerlof van der Ley.

Een kilometer of vijf voor de finish ontstaat er tussen Roosenboom en Hoekstra een interessante discussie over de vraag hoe de strijd moet eindigen. Hoekstra, student in de theologie, die zwaar is gehandicapt omdat hij zijn lorgnet is kwijtgeraakt, wil de strijd laten beslissen in een soort kortebaanwedstrijd. Rooseboom evenwel wil er om hardrijden tot de eindstreep toe. Wel, dit laatste gebeurt en dan blijkt Minne Hoekstra veruit de snelste te zijn. Na 13 uur en 50 minuten komt hij als eerste bij 'de eindpaal' aan. Gerlof van der Ley volgt na drie minuten als tweede en Tiete Rooseboom wordt derde na nog eens drie minuten.

Direct na de tocht klimt de net al genoemde en nog altijd knarsetandende mr. Mindert Hepkema in de pen om een speciale Elfsteden vereniging te bepleiten. Hij wil er zeker van zijn dat er bij 'gunstige ijsverhoudingen en voortaan zo mogelijk telkenjare niet alleen een Elfstedentocht maar ook een Elfsteden wedstrijd kan worden georganiseerd'.

Minne Hoekstra uit Warga.

Het bestuur van "De Friesche IJsbond" Van links naar rechts zittend: T. Velstra. J. A. Lucardie, S. H. Hielkema, J. D. van der Plaats. Staand G. W. Koopmans, J. A. Stoop, H. van Baerdt van Sminia.

Groep deelnemers aan den Elf-steden-tocht, die Zaterdagochtend om 3 uur van Leeuwarden afreden. Winnaar van de groote verguld zilveren medaille was M. Hoekstra uit Warga, die 7.10 's avonds te Leeuwarden aankwam. O.D.v.d. Ley uit Marrum won een zilveren medaille als tweede aankomende te 7.13. Luitenant Roozeboom, die 7.16 arriveerde, behaalde de groote bronzen medaille. Op den voorgrond de bestuurders van den IJsbond: 1. de Heer S.H. Hielkema, voorzitter; 2. Mr. J.D. v.d. Plaats, penningmeester; 3. Mr. J. Lucardi, secretaris; 4. G.W. Koopmans.

De eerst aankomenden in den Elfstedentocht. Van rechts naar links; Jhr. J. Feith, de bekende journalist, die een gedeelte van den tocht medereed. Minne Hoekstra van Warga, de winnaar "Ik ben voldaan.". V.d. Ley, van Marrum; tweede aankomende en hun gids, Fokke Krooynga.
Minne Hoekstra was in alles een opvallende vent met vreemde capriolen. De theologiestudent liet zich bijvoorbeeld ooit vastbinden aan de mast van een veerboot om te ervaren hoe het voelde om een zeeman te zijn. Maar hij was wel een zoon van een schaatsenfabrikant en kende het ijs dus door en door. Nog herstellende van een longontsteking schreef hij zich in voor de tocht van 2 januari 1909. Zijn familie verklaarde hem voor gek, maar niets hield hem tegen.

Jan Ferwerda rijdt eerste Elfstedentocht. Sergeant Jan Ferwerda is als vierde geëindigd in de Elfstedentocht van 1909, samen met de broers Kaastra. In 1912 krijgt Ferwerda een hoogoplopend conflict met Coen de Koning over het al dan niet schenen van de regels tijdens de wedstrijd.

De heeren T. Rooseboom (Amsterdam) en J. Boon (Rotterdam), welke eveneens den geheelen afstand aflegden en derde en zevende aankwamen.

De Haarlemmer Mr. Lieftinck en Jhr. v. Coehoorn van Sminia, welke den tocht volbrachten en respectievelijk als negende en achtste binnenkwamen.