Home » Historie-Friesland » Elfstedentocht "De tocht der Tochten"

Elfstedentocht "De tocht der Tochten"

Uit redactie van J.P. Wiersma.


Als "Hear Jûkelbird" - zooals de winter van oudsher in Friesland wordt genoemd - de wateren met zijn verstijvenden adem heeft aangeraakt, dan is geen Fries geheel zichzelve meer. Dan grijpt in de gemoederen een stemmingsverandering plaats; een bewustzijnsverwijding maakt de geesten een weinig minder zwaartillend.

De wintersche sfeer van strakke luchten en scherp doordringenden Oostenwind verandert het menschdom als bij tooverslag. Lange slierten schaatsenrijders zwieren over het ijs van vaarten en meren, geheel vervuld van nieuwe gewaarwordingen, die verjongen en opstuwen naar geestdrift en actie.

Is het ijs overal voldoende sterk geworden, dan komt de mogelijkheid van het houden van den Elfstedentocht in het midden der discussie te staan. De geschiedenis van dezen tocht werkt in vele geesten als een romantische legende, en altijd weer grijpt de Friesche mensch naar deze boeiende stof van de schoonste odyssée in het land der Elf Steden.

Altijd opnieuw zal de rijpe jeugd verlieven op de idee, in één dag per schaats de Elf Steden te bezoeken. Deze drang naar daden op het gebied van de ijssport is den Fries als het ware ingeschapen. Bekend is, dat het schoonrijden, dat elders in het land beoefend wordt, in Friesland niet in eere is. Moge de niet-Fries zich toeleggen op bevalligheid en zwier, het hoofddoel van den Fries is: vooruit te komen, afstanden af te leggen. Andere provincies te bezoeken is sedert menschenheugenis de voornaamste sport geweest.

Vroeger, toen er nog geen spoorwegen waren, was het de voornaamste liefhebberij van de Friezen om per schaats de stad Groningen te bezoeken. Op de terugreis deed men volgens de traditie de Leek (in 't Friesch: de Like ) aan, om er ruwe kunstbloemen, die door de dorpelingen werden gemaakt van hulsttakjes, gekleurd papier en klatergoud, zgn. like-blommen, als aandenken mee naar huis te nemen. In zeer strenge winters werden tochten gemaakt van Friesland uit naar Enkhuizen, naar Ameland en Schiermonnikoog.

Uit welk jaar het eerste ijsfeit stamt, dat nu tot een schoone traditie is uitgegroeid, valt uiteraard niet te zeggen. De geschiedschrijvers zijn daarover uiterst spaarzaam met hun mededeelingen. Men leest wel van strenge winters en dergelijke bijzonderheden, maar van den Elfstedentocht zal men zoo goed als niets opgeteekend vinden. In den "Tegenwoordigen Staat van Friesland" (1763) leest men op pagina III:

"Het is ook meer als eens gebeurt, dat goede schaatse-ryders op eene winterse dag alle de XI Steden van Friesland doorgereden en gezien hebben; dog dan moeten ze nergens lang vertoeven en 't Ys moet goed en sterk wezen" .

Hieruit zou men kunnen concluderen, dat de mode om op één dag de Elf Friesche Steden per schaats te bezoeken, bijkans twee honderd jaren oud is!

Uit de eerste helft van de 19e eeuw valt het volgende ijs-feit te vermelden: De gebroeders Atze en Eelke Jans Jager te Oldeboorn bezochten in den winter van 1848 de Elf Steden. De krant gaf er destijds het volgende relaas van.

"Op den 30 Januarij 1848, des morgens ten 8½ ure, zijn van Oldeboorn op schaatsen vertrokken de beide broeders Atze en Eelke Jans Jager, ten einde een bezoek te brengen aan de elf steden onzer provincie. Niettegenstaande den dooi, het slechte ijs en den sterken zuidelijken en zuid-westelijken wind, hebben deze krachtvolle mannen hunne reis volbragt in 14½ uren, en zijn des avonds ten 11 ure te Oldeboorn teruggekomen

"Wanneer men de zwarigheden in aanmerking neemt, waarmee onze reizigers te worstelen hadden, dan moet men inderdaad het volhoudingsvermogen bewonderen van mannen als zij, die bij hunne dorpsgenooten ten dien opzichte ook roemvol bekend zijn, en van wier verschillende togten, bij nacht zoowel als bij dag, tot het vervoeren van zware lasten, men dikwijls met verbazing hoort verhalen.

"Hun voornemen was des morgens ten 5 ure te vertrekken en alsdan van Stavoren bovendien nog een uitstapje naar Enkhuizen te doen, doch de dooi en het slechte weer bragten hun voornemen aan het wankelen en deden hen eindelijk besluiten alleen de elf steden te bezoeken. Volgens hunne verklaring zouden zij, indien zij 's morgens eenige uren vroeger vertrokken waren, en alzoo vóór het sterke insnijden een goed gedeelte hunner reis hadden afgelegd, dezelve op hun gemak in 12 uren hebben kunnen doen, en zouden zij bij gunstig weder en goed ijs bijna in denzelfden tijd, dien zij nu hebben besteed, bovendien Enkhuizen hebben kunnen bezoeken. "Volgens gehoudene lijst, in de verschillende steden afgeteekend, waren zij te Dockum ten 10½ ure; te Leeuwarden ten 12 ure; te Franeker ten 1½ ure; te Harlingen ten 2 ure; te Bolsward ten 3¼ ure; te Workum ten 4½ ure; te Hindeloopen ten 5½ ure; te Stavoren ten 6 ure; te Sloten ten 8 ure; te IJlst ten 9 ure; te Sneek ten 9½ ure; te Oldeboorn terug ten 11 ure."

Hard greep destijds de mode van den Elfstedentocht nog niet om zich heen. Het is in dien tijd een witte raaf die het eens probeert. In de jaren tusschen 1848 en 1862 leest men niets meer van volbrachte ijstochten langs de Elf-Steden. In het laatste jaar echter daagt er een eenling op, die den tocht volbrengt. Van dezen Elfstedentocht geven wij het verslag van de Leeuwarder-Courant.

"De heer W. Troost, een Hagenaar, doch sedert 1854 ingezetene van Leeuwarden, heeft verleden week - Zondag 26 Januari 1862 - binnen één etmaal al de elf steden dezer provincie geheel alleen bij fellen Noordoostenwind op, schaatsen bezocht. Zondagmorgen vertrok hij ten 6¼ ure naar Dokkum: was ten 4½ ure te Leeuwarden retour. De geheele reis werd volbracht in 22 uren; daarvan moeten 2 uren worden afgetrokken, die de heer Troost, tengevolge van een verkeerde aanwijzing van den weg is mis gereden, en voorts nog 4½ uur van oponthoud op de bezochte plaatsen (alles volgens verklaringen van geloofwaardige personen in het zakboekje van den heer Troost aangeteekend), zoodat de eigenlijke reis, waarvan het begin en het einde onder het voordeel van maanlicht, in 15½ uren is volbragt.  Bij Stavoren bereed de heer Troost, in gezelschap van eenige personen, de Zuiderzee".

Zes jaar later, in den winter van 1868, bezochten de Friezen Sjoerd van der Wey en Piet Dikhoff, van Bolsward uit, de Elf Steden. Zij vertrokken des morgens om vier uur en kwamen 's avonds om zeven uur in Bolsward aan.

De winter van december 1890 bracht op het Friesche ijs een man naar voren, wiens naam klank in de ijssport heeft gekregen en die ter zake van de organisatie van den Elfstedentocht baanbrekend werk heeft verricht. Het was de heer W. J. H. MULIER, die op 20 december 1890 naar Leeuwarden kwam om den volgenden dag per schaats de Elf Steden te bezoeken. Wij volgen zijn aardig reisverhaal.


TOCHT VAN MULIER IN 1890 (in 12 uur en 55 minuten).

"De lust om dezen tocht te ondernemen en vooral om den tijd te verbeteren, had mij reeds lang geplaagd en op 20 December vroegtijdig te kooi gaande, werd ik den volgenden morgen te 6 uur door den kellner gewekt; liet mij rug en beenen stevig met arnica inwrijven, stak mij in tricot en bijbehooren, en deed, om niet te veel opzien te verwekken, over mijn trui een vest aan.

Met een dikken wollen muts op, kreeg ik iets van het gesoigneerde, dat den Frieschen schipper eigen is. Een stuk chocolade, een horloge, een paar zakdoeken, eenige guldens, een mes, touwtje, riemen en één schaats op den rug voor het breken en precies 7 uur stond ik op het smalle grachtje voor het hotel.

Daarna links om en de Singels op, naar de Ee toe, doch ik raakte verzeild op een soort sloot, die naar de ijsbaan voerde. Een bakkersjongen hielp mij weer terecht en ik reed de Ee op. In 't eerst was 't ijs verlicht door de stadslantaarns. doch daarna werd het zeer donker, het ijs was ellendig. Het was een oud, tot hobbels en kuilen gereden baantje, waar men geen streek op doen kon. Toch kwam ik er goed af. Ik had, om het welslagen van den tocht niet van een val te kunnen doen afhangen, een paar zakdoeken op mijne knieën gebonden en dikke handschoenen aan. Hierdoor liepen de twee tuimelingen, die ik deed, goed af.

Het was vinnig koud en ik kon mij, daar ik onmogelijk harder durfde gaan, niet warm rijden. Halverwege Dokkum buigt de Ee rechts af, maar toen hield ook tevens de baan op en moest ik circa 500 meter door de sneeuw loopen. Daarna weer een eind zeer goed ijs, en toen weder ca. 1000 meter door de sneeuw, die zoowat een hand hoog lag. Daarna zag ik het tweede levende wezen, een baanveger.

Dit gaf moed en ik zette nu zoo hard mogelijk door naar Dokkum. Het was intusschen licht geworden, doch nog zeer koud. "Het staat te luisteren", zeggen de boeren in Noord-Holland. ,,'t Morgen gaapte", zeggen de Zuid-Hollanders. Ja, zoo was het; stralend kwam de zon boven den nevel uit en toen ik te Dokkum kwam, was het over half negen. Fluks een ophaalbrug onder door en op schaatsen een herberg binnen, waar een oude moeke een jongetje dat op een stoel stond, aankleedde.

"Heere da's aardig, da hewwe in lang niet had", zei ze en krabbelde op mijn papiertje haar naam en den tijd, dien ze van uit haar venster op den toren kon zien. Daarna ging ik onmiddellijk weer op Leeuwarden aan, hetwelk ik nu te 9 uur 45 min. dus in ca. 5 kwartier bereikte. De sneeuw was hier en daar reeds in banen veranderd, (want er waren nog een aantal baanvegers bijgekomen) en na mij in draf naar het huis van den heer Hofstede gespoed te hebben, gingen we gezamenlijk te 10 uur 20 min. van Leeuwarden en waren te 10 uur 50 min. te Franeker, en onmiddellijk doorrijdende te 11 uur 20 min. te Harlingen.

De heer Hofstede is een taai, gespierd rijder, doch verschilde iets in lengte van streek met mij, hetgeen nog al vermoeide. Na hem voor zijn vriendelijke hulp zeer bedankt te hebben, reed ik naar Bolsward, alwaar ik te 12 uur 35 min. aankwam, Dit eind heb ik flink doorgereden, om in Bolsward te kunnen rusten.

De tocht van den heer Mulier in 1890. Het eerste briefje met controleposten.

Door een misverstand was de gids, dien ik daar zou krijgen, nog niet gearriveerd, doch moest gehaald worden. Eerst te 1 uur 15 min. kon ik weder vertrekken met mijn gids, een bakker aldaar en een vrij goed rijder; hij kreeg echter na 5 min. een gebrek aan een zijner schaatsen en reed terug om andere te halen. Eindelijk gingen we op weg, waarbij hij het al spoedig enorm warm kreeg. Toch reed hij flink en waren we te 1 uur 45 min. te Workum (dus in ½ uur). Was de pas te Bolsward door mijn neef J. Haitsma Mulier geteekend, te Workum was het J. Sensma, herbergier in de Zwaan, die mij guiteerde.

Nu met volle stoom naar Hindeloopen, waar wij, om de vaart waarmede wij binnen de gemeentebaan stoven, veel bekijks hadden. Bij de bejaarde weduwe Boer in de Wijnberg, wier gracieuse handteekening nog steeds in mijn bezit is, werd ik weder te 2 uur geëxpedieerd, nadat Tuininga en ik ons aan geklopte eieren hadden te goed gedaan. Daarna hadden wij een moeilijken weg naar Stavoren, daar die dikwerf ondergesneeuwd was. Te 2.50 uur kwamen we daar aan en stapten het station binnen, waar we weer wat aten, daar wij beiden zeer hongerig waren en waar de stationschef mij controleerde.

Na bouillon en een paar eieren met broodjes in een minimum van tijd te hebben verorberd, togen we te 3.10 weer op weg. Tuininga begon nu een beetje moe te worden, zoodat ik van tijd tot tijd vóór reed, doch niet zoo hard als 't kon. Mijn trouwe gids bracht me nu over de meren en over ondergeloopen velden via Balk op weg naar Sloten. Welk een prachtig gezicht! Pas hadden we de bosschen van Gaasterland, die aan een Geldersche natuur doen denken, achter den rug of we kwamen op de groote meren.

De zon ging bloedrood onder en statig bescheen de maan het onafzienbare ijsveld. Midden in het meer waren een paar enorme scheuren, circa ½ meter breed, en zoo lang als men zien kon. Dit komt van de temperatuurveranderingen, die het ijs doen af- en toenemen in volume en het bij felle vorst opdringt, zoodat de stukken er met een knal uitspatten. Men noemt het daar "het kisten". Het was een prachtig gezicht. Er waren echter bruggemannen bij, die met een lantaarn de plaatsen aanduidden, waar die scheuren zich bevonden.

In de verte zagen wij flauw een paar lichten en een groep boomen bij twee kolossale ophaalbruggen. "Dêr mutte wy op oan, mar Jo mutte net sa duvels hird ride" zei Tuininga.

Eindelijk waren we de meren en ondergeloopen landen over en kwamen we te 4 uur 45 min. te Sloten, waar mijn geachte neef Haersma de With mijn paspoort afteekende, met de in de gegeven omstandigheden lastige vraag: "Blijf je eten?" Doch voort gingen we weer, nu op IJlst aan, waar ,we te 5.50 uur aankwamen.

Hier zeide ik mijn trouwen gids vaarwel, en na hem betaald en een flinker; handdruk gegeven te hebben, was ik te 6 uur precies aan de stadsherberg te IJlst gecontroleerd door J. S. Heslinga en was te 6.15 uur te Sneek; ik had een prachtige baan voor mij en reed zoo hard ik kon; van tijd tot tijd een beetje uitgejouwd door boeren, die ik voorbij reed, doch dat maakt den mensch kwaadaardig en des te harder gaat het.

Te Sneek werd ik door G. S. Bokma geviseerd en was te 6.25 uur van de strooplank en op de baan. Intusschen was de maan achter de wolken weggescholen en hoewel ik zoo hard mogelijk reed, moest ik toch opletten niet te vallen.

Te circa kwart voor achten kreeg ik de lichten van Leeuwarden in het gezicht en gooide de armen van den rug, - en deze lustig zwaaiende kwam ik te 7.55 uur aan het einde van de gracht. Te 8 uur in 't hotel Weidema werd het zeer vies geworden papiertje door den oberkellner geviseerd, (die me eerst te 9½ uur verwacht had) zooals hij zeide, en was de geheele rit volbracht in 12 uur 55 minuten. Zelden heb ik zoo'n prettigen dag gehad."

* Aan dit verhaal voegde Mulier het volgende naschrift toe.

"De heeren B. B. Taring, (Champ. of Lond. t. Metropol. Ass.), Louis Tebbutt en C. G. Tebbutt (houder van het 3-uurs record), hebben getracht bovengenoemden tijd te slaan, doch het mocht hun niet gelukken. Toch is hun tocht zeer verdienstelijk geweest. Laudanda est voluntas en het is zeker voor een vreemdeling, al kent hij ook het land zoo goed als Tebbutt, die elke vaart in N.-Holland en Z.-Holland weet te vinden, toch een aardige en prijzenswaardige onderneming, om dit Nederlandsch gebruik te willen navolgen.

Zij vertrokken te 4.50 uit Leeuwarden en kwamen te 6.40 te Dokkum, waar zij hun bewijs door een baanveger op 't ijs lieten teekenen. (N.B. Dit is feitelijk niet geoorloofd. Te 7.55 waren zij te Leeuwarden terug (het ijs was hobbelig). Taring viel dan ook viermaal, Louis Tebbutt driemaal en C. Tebbutt eens.

Te 8.30 waren wij, na te Leeuwarden gerust te hebben, weer op weg, over prachtig ijs naar Sneek (9.40). Te 9.55 kwamen zij te IJlst. Te 11.10 bereikten zij Sloten, daar zij niet (zooals Tuinstra en ik deden) door de sneeuw reden, doch liepen. Eindelijk gingen zij daartoe over en bereikten Balk, vanwaar zij weer goed ijs vonden, afgewisseld door sneeuw.
Na een kwartier rust op weg naar Stavoren, waar zij te 1.05 aankwamen, en toen naar Hindeloopen (1.50), te 2.40 (dus na 50 min. rust) weder op weg naar Workum; te Bolsward waren zij te 3.50.

Te 4 uur toog men op weg naar Harlingen, waar zij te 5.05 (over goed ijs) aankwamen. Te Franeker (na 15 minuten rust te Harlingen) waren zij te 6.10; te 6.15 reden zij in een soort half-duister naar Leeuwarden (op zeer goed ijs). Te 7.27 bereikten zij het hotel de Doelen, zoodat zij 14 uur en 37 minuten hadden noodig gehad.

Als men nu nagaat, dat zeer veel Friesche boeren het in dien tijd kunnen doen (minstens een 100 à 200) daar men altijd met sneeuwen een beetje duisternis te worstelen heeft, dan blijkt daaruit, hoe vele goede krachten wij in onze Noordelijke provinciën bezitten." Tot zoover de heer Mulier.

Wat voorts den Elfstedentocht van den heer Mulier betreft, heeft mr. M. E. Hepkerna, voorzitter der Elfstedenvereeniging, in het goed verzorgde en zeer lezenswaardige jubileumboek van deze vereeniging (1934) terecht opgemerkt, dat Mulier stellig nog wel een beteren tijd zou hebben gemaakt, indien hij in elke stad "een tafeltje-dek-je" had gevonden, waar hij, gelijk dat bij de latere tochten steeds het geval is geweest, op zijn wenken bediend was.

Later heeft de heer Mulier den heer Hepkema eens verteld, hoeveel moeite het hem in de onderscheidene steden had gekost om de noodige handteekeningen te krijgen. Is het te verwonderen, dat de Elfstedenvereeniging in den heer Mulier den geestelijken vader der vereeniging ziet, die het initiatief nam tot een tocht, die thans vermaard mag heeten?

In genoemd jubileumboekje kreeg de foto van den jeugdigen Mulier dan ook een eereplaatsje, terwijl daarbij o.m. het volgende als eereschrift werd geplaatst: "Eerst in 1912 mocht het den oud-wereldkampioen C. C. J. de Koning gelukken, den ongekroonden Elf-Steden-Koning te onttronen en sindsdien zijn nog maar enkelen van de vele honderden rijders er in geslaagd een korteren tijd te maken. Met alle recht kon Jan Feith hem na het volbrengen van onzen eersten Elf-Steden-Tocht in 1912, waarvan het initiatief ook van hem is uitgegaan, in de Kampioen huldigen als "ons aller ijs-voorman uit het vorig geslacht en ons aller onverwoestbare voorbeeld in het heden - den oer-Fries, den veteraansportman, de vijftigjarige sportincarnatie van ons Hollandsche ras."

In den strengen winter van 1890-1891, toen Mulier den tocht reed, hebben eenige honderden Friezen eveneens de reis per schaats langs de Elf Steden gemaakt. Er bestaat een lijst, bevattende de namen van 221 mannen en 6 vrouwen, die op één dag op schaatsen de Elf Steden bezochten en hun namen bij den kastelein Jan Heslinga te IJlst hebben afgeteekend. Men mag gerust aannemen, dat in dien winter 400 à 500 Friezen den enormen tocht hebben volbracht, meestal in groepjes en dan achter elkaar aan den stok.

ANDERE TOCHTEN.

Bijzondere vermelding verdienen hier nog de Elfstedentochten van de heeren Thijs Roelofs Schuiling en Johannes Willems Wassenaar, en die van den heer Nanne Ottema, in dienzelfden winter. De heeren Schuiling en Wassenaar, twee Bildtsche boeren, die hun levensavond
in Leeuwarden doorbrengen, hebben ons gaarne verteld van hun tocht op 3 Januari 1891.

De heer Schuiling ving zijn verhaal aldus aan: "Ik was 33 jaar en had een zoontje van zeven. Op 2 Januari 1891, dat was op een Vrijdag, reed ik met mijn zoontje over ijs naar Leeuwarden. De jongen kon voor zijn leeftijd al goed rijden en daarom mocht hij mee.

Op de terugreis 's middags staken we aan in een herberg te Menaldum, de pleisterplaats van de Bildtkers, die van Leeuwarden kwamen. Daar zaten ook Willem Wassenaar en Jouke Hoekstra, beiden boeren van den Oudebildtdijk, waar ik ook vandaan kwam.

We spraken er over, dat 't ijs zoo sterk was, dat er nu wel een Elfstedentocht gemaakt kon worden. Jouke Hoekstra zei tegen mij: "dat moet te jou doen, jou kanne best ride".
Ik voelde er wel wat voor, maar ik wilde niet alleen. Toen zei Wassenaar: "Eén van mijn jongens wil, dacht ik, wel mee. "Nou", zei ik, "as ik intieds bericht krij, moet het morgen direct mal' weze." Dat was taal!

Ik was nog niet lang thuis, of een stevige jonge man van 22, Johannes Wassenaar, kwam bij ons op de boerderij, die wel aardigheid in die rit langs de Elf Steden had. Wij overlegden hoe laat we zouden vertrekken. Ik zei: "Ik stap om 4 uur op de Koudevaart en as jou om deselde tyd op 'e Ouwevaart opbine, binne we tegare gelyk op it Noardeind van de Koudevaart."

Zoo gezegd, zoo gedaan. Den volgenden morgen in de vroegte ontmoetten de vrienden elkaar op de afgesproken plaats en vandaar ging het - in donker! - langs den Oudebildtdijk via Oudebildtzijl en Oude-Leije, de Finkumervaart en de Dokkumer Ee naar Dokkum, waar ze hun eerste avontuur beleefden.

Het moeilijkste gedeelte hadden ze toen achter den rug, omdat het inmiddels wat lichter was geworden. Ook was de Ee slecht. Nu staan overal posten en men weet vooraf waar men de controle kan vinden, maar in die dagen moest men zelf iemand zoeken. Meestal ging men naar een herberg.

In Dokkum klopten wij een burger uit bed; het was een Van Klaveren, en daar vroegen we om een handteekening. De menschen waren ons wel ter wille, maar ze zaten over ons "in noed en sorgen ". We wilden ze een kwartje geven voor de moeite, maar moeke de vrouw, die ons in 't nacht jak te woord stond, zei: "Jimme kanne dat kwartsje wel houwe, as jimme maar weer naar huus gaan." Wassenaar onderstreepte dit verhaal en lachte nog smakelijk bij de herinnering aan deze zorgzame vrouw. Ze kregen iets warms te drinken en togen verderop.

Van Dokkum ging het naar Leeuwarden en vervolgens langs de trekvaart naar Sneek. De wind was dien dag Zuidwest, zoodat van Dokkum naar Stavoren in den wind moest worden gereden. Op de Sneekervaart was het schrapsel van den vorigen dag bevroren, tengevolge waarvan het zeer zwaar reed. De beide rijders hadden pijn in de knieën.

Op de Dille dachten ze "aan te steken", maar dat liep mis. In die jaren was het hier druk; alle dagen dansen tot soms laat. Het was nog betrekkelijk vroeg, de herberg stond "op den kop", want men was aan het schoonmaken, en koffie met een broodje was niet direct te krijgen. Toen zijn ze maar doorgereden tot Sneek, waar ze al gauw achter een dampende kop koffie zaten.

We bleven er niet lang, omdat dit tijdverlies zou beteekenen en al gauw stonden ze weer op de schaats. De route naar IJlst en verder was overigens wel te rijden, maar toen begon het mistig te worden. Men kwam tot het Slotermeer. dat goed bebaand was, doch er waren "kisten". De heer Schuiling zag hier voor het eerst van zijn leven dergelijke "ijskisten". Over Sloten ging het op Sta voren aan.

Tusschen Galamadammen en Stavoren reden wij een verkeerde baan op; waarschijnlijk tengevolge van den mist. Wij moesten een eind terug, wat onzen tijd natuurlijk vertraagde. Was het helder weer geweest, dan hadden we de dorpen kunnen zien. Op goed geluk zijn we toen een andere baan gereden.

Tot Stavoren hadden we steeds tegenwind gehad, nu werd het beter. Het was wel goed weer, maar we voelden toch steeds de wind. In Stavoren hebben we een half uurtje gerust en een boterham gegeten. Toen ging het op Hindeloopen aan. We konden eerst den weg niet vinden, maar ten slotte lukte het. Voor den wind reden we naar Workum, Bolsward en Harlingen. De trekvaart van Harlingen- naar Franeker was bar slecht, want er waren nog tot het laatst booten door gegaan.

Om half zeven 's avonds waren we weer op de Koudevaart." De tocht was hun uitstekend bevallen!
Schuiling, die lid was van een Boerensociëteit, werd overgehaald om nog dienzelfden avond verslag van den tocht langs de Elf Steden uit te brengen. Dienzelfden dag hadden ze ook andere Elfstedenrijders ontmoet, o.a. Marten Prins en schipper Wobma van Menaldum, de laatste een zware kerel, die best kon rijden en als schipper precies den weg kende.

De moeder van Wassenaar was erg op de reis tegen: "Mem" krimmenearde as dat wyfke in Dokkum", zei hij. Wassenaar's vader, ook een stevige rijder, die veel prijzen gewonnen had in Ulbe van Dijk's jaren, vond het wel goed. Zoo was alles best gegaan; het was een mooie tocht, al had het vlugger gekund, omdat in iedere stad iemand gezocht moest worden, die de kaart af teekende."

De heer Nanne Ottema te Leeuwarden toonde zich eveneens gaarne bereid, voor deze uitgave iets te vertellen over den tocht langs de Elf Steden, dien hij als jongeling van 16 jaar op een Januari-dag in 1891 gemaakt heeft.

Het was een mooie dag, waarop wij den tocht deden. Die "wij" dat waren de heeren D. Steenhuizen, destijds surnumerair bij het belastingkantoor te Roordahutzum, de heer Rinse van der Werf. surnumerair bij den Waarborg te Leeuwarden. en mijn persoon. (De heer Ottema was toentertijd leerling van het gymnasium).

De heer Nanne Ottema, als gymnasiast.

Steenhuizen moest eerst naar Leeuwarden rijden en voegde zich daar 's morgens om 7 uur bij ons. Van het Dokkumerend op de Voerstreek, waar mijn ouders woonden, reden we onder de pijpen door en zoo de Ee op naar Dokkum. Omdat het ijs van de Dokkumer Ee slecht was, besloten we de Bonke te rijden en zoo gingen we binnen door. via Oudkerk en Rinsumageest, op Dokkum aan.

In Dokkum was geen controlepost. Wel hadden we een controle- of routeboekje bij ons en nu was het zaak, dit in elke stad te laten afteekenen. We klommen, met de schaatsen onder, den hoogen. met stroo afgedekten steiger op naar het café. Terwijl we een kop koffie gebruikten, vroegen we den kastelein of hij onze boekjes wilde afteekenen, hetgeen hij gaarne deed. hoewel hij natuurlijk door niemand van onze komst en ons doel verwittigd was. De Elfstedentocht was in die jaren nog niet een officieele gebeurtenis.

Zoo spoedig mogelijk gingen we weer naar Leeuwarden terug. Ongeveer negen uur waren we ter hoogte van de Oldehove. Van hier reden we naar Franeker over behoorlijk ijs. Over Harlingen ging het naar Bolsward en van daar naar Workum, Hindeloopen en Stavoren. Het ijs in den Zuidwesthoek was in die jaren nooit van bijzondere kwaliteit, hetgeen een gevolg was van het zoute binnenwater. Daardoor was het ijs zoo broos als borstplaat. Omstreeks 4 uur bereikten we Stavoren.

Toen volgde een lastig traject. We reden over Galamadammen naar Kippenburg, vervolgens over het Zuidelijk deel van het Slotermeer. gedeeltelijk over landijs, naar Sloten. Het werd toen al donker. Te Sloten zei men ons, dat het Sloter meer open lag en dat we goed moesten uitkijken naar z.g. kistwerken, dat zijn open geulen, soms tamelijk breed.

We namen een paar gidsen mee uit Sloten en reden de groote, donkere vlakte van het meer op. Al spoedig kwamen we bij een kistwerk, dat was heel interessant om te zien. De gidsen hadden een paar planken meegenomen; deze werden over de geul gelegd, en daar waren wij gauw genoeg over. Vooruit ging het weer. nu zonder gidsen, in de richting Woudsend.

De wind was Zuidwest, en nu eindelijk kregen we van hem wat medewerking. We reden een goede schaats en in het donker passeerden wij het dorp met de beide molens. Toen we tegen zeven uur IJlst passeerden, was het inmiddels flink donker geworden. Op dit traject reden we een eind weegs op met twee boeren en hun vrouwen.

Wij reden soms een eind achter elkander, maar het meest op eigen houtje. Zonder tegenspoed bereikten we Sneek, en toen verzamelden we de laatste krachten voor de finale. Onderweg verliet Steenhuizen ons, want hij wilde naar Roordahuizum terug. Ongeveer 9.30 's avonds arriveerden wij - Van der Werf en ik - te Leeuwarden.

Ik was onderweg geen enkelen keer gevallen. maar te Leeuwarden maakte ik een buiteling. De tocht was volbracht! Wel voelde ik me moe en stijf; had men mij niet bij den wal opgetrokken, dan zou het me nog heel wat moeite hebben gekost. Dien nacht sliep ik twaalf uren en den volgenden morgen was ik weer monter en frisch en de vermoeienissen van den tocht volkomen te boven."

NAAR EEN ORGANISATIE!

W.J.H. Mulier. Inspirator van den eersten Elfstedentocht.

Van den "ongekroonden Elfsteden-koning" van het jaar 1890 zou men in Friesland achttien jaren later méér hooren!

In den herfst van 1908 kwam de heer W. J. H. Mulier - de "koning" van den Elfstedentocht van 1890 was inmiddels 43 jaar geworden - naar Leeuwarden, om, in zijn kwaliteit als secretaris van den Nederl. Bond van Lichamelijke Opvoeding, met den heer S. H. Hylkema, president van den Frieschen IJsbond. een Elfsteden-Schaatsentocht te doen uitschrijven, indien n.l. het Centraal Bestuur van dezen Bond er licht in zag en genegen was de leiding van een dergelijken tocht op zich te nemen.

De heer Mulier achtte den Frieschen IJsbond, met zijn over geheel Friesland vertakte ijs-organisatie, het meest aangewezen lichaam om een Elfstedentocht te organiseeren en te doen slagen. De Ned. Bond voor Lichamelijke Opvoeding wenschte als prijzen uit te loven de groote verguld-zilveren, dito zilveren en dito bronzen Bondsmedaille voor de drie eerst-aankomenden, alsmede een herinneringskruis voor elken deelnemer-volbrenger van den tocht.

Dit nieuwe gezichtspunt kwam in behandeling in de vergadering van het Centraal bestuur op 18 December 1908. Hoewel er wel enkele bezwaren rezen, verklaarde het Centraal bestuur zich tenslotte gaarne bereid, de organisatie en leiding van den tocht op zich te nemen. Als bijzonder blijk van instemming met deze sportieve instelling loofde het bestuur een verguld-zilveren schaats uit als prijs voor de aardigste beschrijving van dezen eersten gereglementeerden Elfstedentocht, geschreven door de deelnemers-volbrengers van den tocht.

Later stelde de heer Z. S. Feddema, voorzitter van de IJsclub "Leeuwarden", een verguld-zilveren medaille beschikbaar als prijs voor den eerst-aankomenden buitenlandschen deelnemer. Over het verdere verloop vertelt de heer Hylkema het volgende.

Het plan om in Friesland een schaatstocht langs de Elf Steden te organiseeren, georganiseerd door den Frieschen IJsbond en met den steun van den Ned. Bond van Lichamelijke Opvoeding, werd spoedig in den lande bekend.

Overal ontmoette het instemming. In de eerste weken meldden zich 48 deelnemers uit alle oorden van Nederland. Intusschen was de vorst ingevallen. Het duurde niet lang of de Friesche waterwegen lagen verstard onder den kouden adem van Vorst Thialf. Omstreeks Kerstmis waren de vooruitzichten veelbelovend.

De tocht werd uitgeschreven op 5 Januari, maar toen het 'zoo streng bleef doorvriezen, achtten de organisatoren het gewenscht den Elfstedentocht te vervroegen en hem op 2 Januari 1909 te doen houden.

Een paar dagen vóór den grooten tocht liet Thialf zijn gestrengheid varen en hield de teugels slap. De wind blies uit den verkeerden hoek, de thermometer wees reeds boven het vriespunt, de barometer voorspelde weinig goeds en een dikke, kille mist vergalde het laatste restje genot van den schaatsenrijder.

Nog op den Oudejaarsdag lieten verschillende personen zich voor den Elfstedentocht inschrijven. Maar op den eersten Januari "regende" het afzeggings-telegrammen. De grootste helft liet het zitten, maar de mannenvan-stavast stapten den volgenden morgen op tijd uit hun bed en spoedden zich naar hotel Amicitia.

't Was een gedenkwaardige morgen, toen 22 kerelen, niettegenstaande dooi en mist en gore duisternis, hun aanmelding kwamen honoreeren op de meest eervolle manier (door den man en de daad zelf). Hun namen werden afgeroepen, waarna met algemeene stemmen besloten werd, dat - hoe dan ook - de tocht zou doorgaan!

De tocht was gered, hoe Thialf ook getracht had op het laatste moment een spaak in het wiel te steken! De bestuurderen van den IJsbond reikten de kaarten-van-deelname uit, de driekleur werd op de stoere borsten gehecht, een fotograaf vereeuwigde op dit historisch moment de moedige schare en daar stoven ze de duisternis in. De klok van de Beurs wees 5.20 aan.


TOP