Home » Historie-Friesland » Drachten » Durk Tabak

Durk Tabak

Durk Tabak.

Durk Tabak, muzikant, geboren op 10 december 1902 te Drogeham, overleden op 16-09-1949 te Surhuizum op 46-jarige leeftijd. Hij stak in 1930 tijdens een caféruzie in Drachten een jongeman dood en zat daarvoor vijftien jaar gevangenisstraf uit. In 1949, vier jaar na zijn vrijlating, schoot hij onder Surhuizum een vrouw dood, waarna hij de hand aan zichzelf sloeg.

Durk Tabak, is een tweevoudig moordenaar (en kunstenaar). Durk Tabak, uit Harkema,  de 28-jarige liedjeszanger steekt bij een café ruzie te Drachten de 27-jarige Jan van der Meulen, uit Drachten met een mes in de onderbuik die daarop aan inwendige bloedingen sterft, 30 oktober 1930.

In 1930 werd Tabak veroordeeld tot 15 jaar cel. Enkele jaren na zijn vrijlating schoot hij in Augustinusga zijn minnares Grietje Groenland-Hayema, dood. (Grietje Hayema, geboren op 8 juni 1900 te Surhuizum, dochter van Egbert Hayema en Aafke Land. Gehuwd op 27 mei 1922 te Achtkarspelen met Pieter Groenland, 1898-1971, zoon van Remmelt Groenland en Tetje Postma)

Tabak was kostganger bij de familie Groenland geweest en had een relatie met mevr. Groenland, 50- jaar oud en moeder van zeven kinderen, gekregen, 16 en 17 september 1949. Na deze gruwelijke daad pleegde hij zelfmoord door zichzelf door zijn slaap te schieten. Tabak was een begiftigd tekenaar, maar daarnaast kon hij ook verdienstelijk trekharmonica spelen. Tot zijn vriendenkring behoorden Eije Wijkstra en Jan Hut. Tabak zou ook zijn goede kanten hebben. Zo schijnt hij bij de hond in het hok gekropen zijn toen het dier bang was voor het onweer.

Een rancuneuze man met de moord van twee mensen op zijn geweten.

Durk Tabak, werd geboren op de Bulten op 10 december 1902, overleden op 16 september 1949 te Surhuisterveen, was het zesde kind van Jehannes Tabak en Antje Folkertsma. Een zuster, Sytske, overleed na 22 dagen en werd begraven op het armenkerkhof in Harkema. De oudste zoon is ?, Sjoerdsje, Jan, Janke en Durk.

Het was een arm gezin; soms waren ze zo arm dat de kinderen op zaterdagavond naakt naar bed moesten zodat hun moeder de gelegenheid had om de kleren uit te wassen om netjes op de zondagsschool te verschijnen. Moeder Antje was zachtmoedig van aard, Durk werd als benjamin beschermd opgevoed. Toen Durk ouder was, kon ze hem niet aan; hij ging zijn eigen weg. Vader Jehannes was nogal stijfkoppig en onbuigzaam. Hij zat vaak door zijn koppigheid zonder werk,zo was er een voorbeeld dat vader geen laarzen had en tot de enkels onder de drek kwam bij de boer, de boer had wel laarzen staan maar weigerde die aan Jehannes te geven, waarop Jehannes zei "dan bin ik gauw klaar boer" en hij vertrok. Durk was ook koppig en stond bij woordenwisselingen met zijn vader onbuigzaam tegenover elkaar.

Durk kwam al jong met Justitie in aanraking. Tijdens zijn lagere schooltijd pleegde hij een kleine diefstal en werd tot zes maanden tuchtschool veroordeeld. Later zat hij nogmaals op een tuchtschool; in 1925 werd hij tot vier maanden gevangenisstraf voor mishandeling veroordeeld.

Maar de andere kant van Durk was, dat hij ook in die tijd een vrouw hielp die ziek op bed lag, en waar het water bevroren was, haar man was naar de markt en was die nacht al vertrokken, zo was de kachel ook uitgegaan. Durk hielp de vrouw, maakte de kachel aan, en ging op vers drinkwater uit. Hij bleef bij de vrouw tot haar man weer thuis was.

In zijn jonge jaren had hij verschillende keren verkering, waaronder met Grietje Vaatstra, dochter van Tiet “Woartelpot” Vaatstra-van der Ploeg. Grietje heeft in mei 1926 een zoon gekregen Witte Vaatstra, geboren te Drogeham, overleden op 25 juni 1926 aldaar, begraven te Augustinusga. In Drenthe had Durk ook een verkering, bij deze vrouw had hij een zoon. Zij heeft alles gedaan om hem te behouden, en zocht hem op in het Tichthûs in Leeuwarden west. Zij wilde ook wel op hem wachten, maar hij wilde vrij man wezen. Hij heeft er later wel omgedacht om de jongen een harmonica te geven, Durk was toen zelf al muzikant.

Durk kon door zijn koppigheid niet onder een baas staan; hij koos voor muzikant. Met zijn vrienden Eije Wijkstra, viervoudig moordenaar uit Kornhorn en Jan Hut speelde hij op kermissen, feesten en bruiloften. Hij had een prachtige stem en begeleidde zichzelf op de accordeon. Hij reisde van het ene naar het andere dorp in de Friese Wouden en Westerkwartier van Groningen.

Op de jaarkermis van 1930 in Drachten maakten Durk en Jan hun opwachting in café Jonker bij de sluis. Tijdens de kermis mocht geen sterke drank geschonken worden, bier consumeerde echter men in grote hoeveelheden. "Bier", zo werd gezegd, "is een onschuldige drank." Op de woensdagmiddag van de jaarkermis hing Durk Tabak wat in het café rond, toen ook de gebroeders Roelof en Jan van der Meulen en Ynze Brouwer aanschoven bij het tafeltje van Durk Tabak. Brouwer scharrelde met een zus van de gebroeders van der Meulen. Er ontstond op een zeker moment een woordenwisseling over een fiets die verdwenen was bij zijn laatste bezoek aan haar. Later werd de fiets met doorgesneden banden uit een sloot gevist. Roelof van der Meulen dacht dat Ynze daar meer van wist.

Jan van der Meulen, 1903/1930 en zijn broer Roelof van der Meulen, 1905/1988, zonen van Dirk Roels van der Meulen en Geertje de Vries.

Rache.

Het was druk in het café, de stemming was verhit, er ontstond een heftige woordenwisseling en beide mannen kwamen met gebalde vuisten tegenover elkaar te staan "Ynze begûn tsjin my te rachjen". Dat durfde hij wel, want hij was in gezelschap van de geduchte Ale Wagenaar en dichtbij was Durk Tabak, die het in de ure des gevaars zeker op zou nemen voor zijn vriend Ale. In de daarop volgende confrontatie stond het prestige van Roelof op het spel. De kort aangebonden Roelof nam de uitdaging aan, stapte in de richting van Ynze, maar toen was Durk Tabak er ook al bij. "Ik ha noch sein: wat si's to mei dat mes, ik sil dy wrame". Maar toen grepen de maten en de kastelein in. Roelof werd van het strijdtoneel afgevoerd en heeft zijn broer pas 's avonds teruggezien. Die was toen al dood.

De politie afgekomen op het eerste gerucht dat er een vechtpartij aan de gang was, kwam kijken, stelde vast, dat de storm geluwd was en vertrok. Maar op dat ogenblik had Durk Tabak de steek al toegebracht.  Durk Tabak koos partij voor Ynze Brouwer, trok zijn mes en stak toe waarbij hij Jan, die met de ruzie niets te maken had, in zijn buik stak. De sprekende gelijkenis met Roelof is Jan noodlottig geworden. Roelof was weliswaar afgevoerd, maar toen Durk Tabak even later Jan zag, moet hij gedacht hebben, dat Roelof terug was gekomen. Hij hield de rechterhand met daarin het mes in zijn ruime broekzak en drukte het door zijn broek heen in het onderlijf van Jan. Het is door niemand gezien en Jan moet het zelf amper gevoeld hebben.

Niets bemerkt.

Hij nam naast de tap op een stoel plaats en bleef daar ruim anderhalf uur zitten. Hij bloedde niet, hij sprak met de anderen en dat hij een wat matte indruk maakte, werd geweten aan de alcohol. Tegen half vier wilde hij naar de waterplaats. Iemand heeft hem ondersteund, nog altijd in de veronderstelling dat Jan teveel gedronken had. Hij werd ter afkoeling naar het bleekveldje achter het café gebracht en daar neergelegd. En pas toen bleek, dat hij een messteek in het onderlichaam had opgelopen. Er was aanvankelijk geen dokter te vinden, zodat er nog zeker een half uur verloren ging. Toen er tenslotte hulp kwam die bestond uit dokter Siebinga uit Opeinde, was Jan al aan inwendige bloedingen overleden. Omdat burgemeester Wuite afwezig was, moest wethouder Bos ingrijpen. Het lijk werd in beslag genomen en naar het Tehuis voor Ouden van Dagen gebracht en het café gedurende de kermis afgesloten en verzegeld.

(Roelof Vermeulen zat op dat tijdstip in hechtenis, waarschijnlijk een preventieve maatregel van de politie, want nadat bekend was geworden dat Jan een messteek had opgelopen, wilde Roelof zijn broer onmiddellijk wreken. 's avonds tegen tienen werd hij vrijgelaten en mocht hij met mem (moeder), die hem inmiddels was komen opzoeken, mee naar huis).

Tijdens het tumult vluchtte Durk Tabak naar zijn vriend Jan Hut, die in een steeg in een éénkamerwoninkje achter de Suderbuorren woonde. (Dezelfde Jan Hut, die in januari 1929 ook Eije Wykstra na de viervoudige moord had opgevangen) Onderwijl verwisselde hij zijn broek, door het geopende mes was er een scheur in gekomen, voor een andere broek. De politie wist Durk echter al gauw te vinden en arresteerde hem. Durk ontkende aanvankelijk, maar hield dat niet lang vol. Hij had bij Jan Hut een andere broek aangetrokken, maar de pantalon met het gaatje in de broekzak werd teruggevonden. Bij het verdere onderzoek kwam voorts aan het licht, dat hij zijn revolver, een Browning, had weggemoffeld. Hij had zich dus gerealiseerd, dat hij als verdachte zou worden aangemerkt.

18 maart 1931 stond Durk Tabak voor de rechters in Leeuwarden, Roelof moest getuigen en kwam op zeker ogenblik naast Durk Tabak te staan. Het was een moeilijk moment voor Roelof en de rechter begreep dat. Hij zorgde dat Roelof apart verhoord werd. Men veroordeelde Durk Tabak tot 15 jaar celstraf, ook na het hoger beroep bleef deze straf gehandhaafd, en dat is waarschijnlijk ook Roelofs geluk geweest, als men althans van geluk kan spreken. "Ik hie him fansels wol wraamd, as ik him troffen hie". Pas in 1946 zag Roelof Durk, Tabak terug. Dat was in Leeuwarden. Roelof was ouder en wijzer geworden, had een gezin en toen hij Durk terug zag, was zijn vrouw bij hem. Hij liet het er niet op aan komen en ging weg.

In 1946 kwam Durk vrij, hij bleek van zijn verblijf in de gevangenis niets te hebben geleerd. Het gerucht ging al gauw dat Durk Tabak weer een geladen revolver op zak had.  De mensen in het dorp en wijde omgeving waren nog steeds bang voor hem en liepen het liefst met een grote boog om hem heen.

Durk ging na zijn vrijlating eerst bij zijn zwager in Augustinusga wonen. Later was hij in de kost bij Pieter en Grietje Groenland in Augustinusga. Terwijl Pieter in de slikken werkte, maakte Durk avances tegen Grietje Groenland-Hayema, moeder van zeven kinderen. Na verloop van tijd deed Durk het verzoek met hem een verhouding aan te gaan, wat zij weigerde. Uiteindelijk werd Durk de deur gewezen. Hij kreeg een nieuw kostadres in Surhuisterveen.

Toch bezocht hij Grietje nog veel, zij bleef de was voor hem doen. Op vrijdag 16 september 1949 was hij weer aan de deur bij Grietje. Een van de kinderen vertelde Durk dat hun moeder naar de Mieden was en zo terug kon komen. Durk wachtte haar op onder aan de brug bij Blauwverlaat. Toen ze daar aankwam ontstond tussen beide een woordenwisseling, waarop Durk haar in de linkerschouder schoot. Waarna hij de getroffen bloedende vrouw op zijn fiets weg wilde brengen.

Hij zeulde met de bloedende vrouw een aantal kilometers richting Surhuisterveen. Op zeker moment kon de vrouw niet verder en zakte ineen in de berm langs de weg. Enige tijd later klonken er twee revolverschoten. De politie was inmiddels gewaarschuwd en deze trof op de bewuste plek twee lichamen aan. Durk Tabak had de vrouw met een schot in het hoofd gedood en daarna zichzelf door het hoofd geschoten. Durk was een man dat 'als het niet kon zoals hij het wou', dat zijn geestvermogens dan aangetast werden.

Bron: www.archiefleeuwardercourant.nl

Een zelfportret van Durk Tabak, die hij tekende naar foto in de gevangenis De Blokhuispoort te Leeuwarden. Hij was geen onverdienstelijk tekenaar in de gevangenis, vele tekeningen zijn daar door hem gemaakt. En vele zijn daar ook van verdwenen, bekenden die ze ontvingen, wilden de tekeningen en kaarten uit schaamte niet bewaren en zo zijn er vele vernietigd.

Durk Tabak vervaardigde in de Leeuwarder gevangenis aan de hand van nogal zoetelijke ansichtkaarten veel tekeningen en schilderstukken. Dit is er een voorbeeld van.

Durk Tabak bij zijn overbrenging van de cel naar de Zuidkade...teneinde de verdachte te confronteren met het lijk van de verslagene.

Woensdag 29 oktober 1930 had te Drachten een ernstige vechtpartij plaats in het café van H. Jonker aldaar, waarbij 'n zekere J. van der Meulen uit de Wilgen het leven liet. De vermoedelijke dader Durk Tabak, van beroep harmonica speler en oud vriend van IJe Wijkstra, thans woonachtig te Harkema Opeinde werd te ongeveer 4.30 n.m gearresteerd. De dader heeft reeds een gedeeltelijke bekentenis afgelegd. Onze foto geeft 't moment waarop Durk Tabak gearresteerd werd waar verhitte gemoederen bij de arrestatie van Dirk Tabak in de Zuiderbuurt te Drachten waren. Het publiek had hem 't liefst meteen gelyncht.

As Durk Tabak alles te baat nommenhie.

Wie wienen mei syn fiven as bern. Ik wie de aldste, dan kamen Sjoerdsje, Jan en Janke en Durk kaam tsien jier nei my. Us heit, Jehannes Tabak, siet yn it losse wurk. Wy hienen in o sa leave mem, Antsje Folkertsma. Heit wie wolris wat mijen yn it wurk, dat wie hienen it earm. Mem doarste ús eins net nei sneinsskoalle te stjoeren, want wy hienen gjin sneinske klean.

As ús guod yn 'e wask moast, gyngen wy júns neaken op bêd, dan wosk mem de klean en besocht de brut nachts noch droech te krijen, want oars koenen wy net nei skoalle ta. Heit en ik wurken letter by de selde boer, ik wie doe tolve. Heit fertsjinne 55 sinten deis en ik in kwartsje. Heit moast de rúchskerne omsette. Dan moat ik learzens ha, sei er. Mar dy hied er net.

De boer hie se wol, mar dy joech se him net. Heit de holle yn e nekke en nei hús ta, hy wie te grutsk om ta te jaan. Mar ik bleau en de saterdeis stie mem by de homeie op myn daalder te wachtsjen, want se hie de heule wike boargje moatten. Doe binne heit en ik nei Dútslan ta gien en der ha wy letter noch faak west.

Wat no ús Durk oangiet, dêr siet in oare libbensgeast yn. As er alles te baat nommen hie, dan wied er heul wat wurden. Mem sei: Durk is in útljochter (een uitblinker in zowel het goede als het kwade - red.) Se hold it mei him, hy wie fansels de Benjamin. Mar se hat wol altiten oer him yn noed sitten. As hy letter op 'en paad wie, dan slepte se nachts net. Ik leau grif, dat se altiten benaud west hat dat se him ferlieze soe.

Dêrom hat se him miskien tefolle ta jún. Heit wie in ynbannich man, hy sei net folie en hy en Durk ha noait gedoente han. Hy wie lansels ek meast fan hús. Mar as er thús wie en mem en Durk songen, dan hied er dêr suver mar in hekel oan. Mem en Durk songen in soad hast altiten út Johannes de Heer. Mem wie fan húsút grifformeard en wy gyngen nei de kristlike skoalle. Durk koe al dy ferskes wol.

No wie it sa, dat elkenien op Hamsterheide byleauwich wie. It spoeke geregeld, se Hienen it oer foartsjirmerij en de measte minsken wienen bang foar swier waar, Durk net, dy doarste júns de heide wol oer en swier waar joech er ek neat om. Wy hienen in hontsje, dat wie sa benaud doet it begún te tongerjen, it krúpte jankende weis yn 'e kiste.

Durk hie begrutsjen mei de hún, dat hy krúpte by him yn it hok. Hy koe der mar krekt yn, mar hy rede it al op en tegearre ha se doe de bui ófskúle. Hy wie wiis mei syn hontsje. Wy wienen letter ris te mollejeien yn Drinte, hy wie doe al in feint, en wy stapten oer in barte, mar der kaam ús in grutte herder achterop en dy soe ús hontsje snippe. Durk bleau op de barte stean en wachte dy lulke hun óf, hy pakte him by de stróte en mitere him yn 'e sleat. Hy wie net in sprút benaud.

Durk koe wol arbeidzje en hy hie it ek wol oan 'e lea. Hy tilde sa mar in ambyld op en dat koe ik net. Hy koe ek klompmeitsje, letter hat er klokken makke en by de kastmakker west. Mar hy hie in hekel oan arbeidzjen. Ik siet doe yn de wegenbou en Durk hie gjin búsjild mear, dat hy gyng dêr mei my hinne.

It wie leau ik oan de Aldebiltdyk. It alde asfalt moast brutsen wurde en Durk krige ek san stik ark. In pear oeren letter het er mei syn hannen sjen. Hy sei: Broer, wat seisi hjir fan, no ha k al blierren as douwe-aaien. Is dat permiteard? Doe gyng er nei de opsichter en sei: Dit moat ophalde. Hy stapte op de fyts en sette óf. Mar even fierderop, der gyng er yn it buorrentsie midden op 'e dyk stean te sjongen.

De froulju kamen der út en wisten net wat se seagen. Dat died er sa mar. Hy koe wol froulju krije, ik wit net wat it wie, mar hy hie wat oer him dêr kamen de froulju op ta. Hy koe sa moai glimpkje en hy hie brune eagen, miskien nat dat it west. Yn Drinte hat er in faam han, dêr hie er in bern by. Se hat alle war dien om him te halden, se hat letter ek wol by him yn it tichthús yn Ljouwert west. Se hie wol op him wachtsje wold, mar hy woe frij man wêze. Hy hat der letter wol om tocht, dat dy jonge in harmonika krige. Hy wie doe sefs al muzikant.

Hy hie it him ófleard fan grammefoanplaten. Sa hat er himsels ek muzyklêzen leard en letter makke er wyskes. Hy gyng doe op en út mei Eije Wykstra. Eije koe heul djip spylje en Durk song derby. Hja fertsjinnen yn in dei mear as wy mei arbeidzjen yn in wike. Ik wit wol, dat wy yn de Butenpostmermieden oan it lanoanmeitsjen wienen, doe wie it merke yn Butenpost. Se kamen de middeis wêrom, Durk en Eije, en wy stienen noch oan 'e lep. Ha jim wat fertsjinne? fregen wy. Safolle as wy fertsjinne ha, dêr moatsto fjirtjin dagen foar yn de put stean, broer, sei er. En dat wie ek sa.

Ik had wolris besocht him op in oar doel te dringen en dan sei er: Do koest wol gelyk na, broer. Mar ien fan de minsken dy't him letter yn it tichthús oppaste, dy hat wolris tsiin my sein: Hy begrypt net, dat jo je sa kalm hálde, dat jo geregeldwei fertsiinje en foar jo húshalding opkomme, dat jo soks opbringe kinne.

Durk ferstie soks net, hv koe net únder in baas stean. De tiid hat my dat allegear leard, mar Durk hie in oare libbensgeast. Hy koe ek net oer plysjes. As se him neat yn 'e wei leinen, wie 't goed, mar as se him ha woenen, dan waard er ferkeard. En dan woed er net wike. Dat hied er mei Eije ek. Hy en Eije koenen goed, mar Eije sei tsjin my: Ik hoopje net dat wy ruzie krije, want dan moat der ien fan ús beiden dea.

Se joegen inoar neat ta. Eije wie in túk skutter. Durk sei: Asto dan sa túk sjitte kinste, dan sjitst my dit deróf. En hy sette himsels in doaske lúsjefer op 'e noas. En Eije joech gjin krimp, dy die dat. De plysje wie benaud foar him, se gyngen him út 'e wei en se hienen gelyk, want der wienen deaden fallen. Durk hat ek in skoftsje oan 'e drank west. Doe tize er yn nuvere dingen om. Hy sei: Do hast in baarch yn it lán, dêr ite jim fan, de dong komt op it lan en it libben fan dy baarch plantet him fuort en jimme krije der jirpels fan.

Sokke dingen kaam er net mei klear, dat hy beprakkesearde dat. Dan komme jo op ferkearde wegen, Eije Wykstra hie dat ek. Durk wie doe noch by mem thús en hja woe ha, dat ik Durk ophelle. Hy siet yn it kafee yn Sumar. Durk woe wol nei my hearre, dat ik krige him mei. Op 'e fyts wie der neat mei him te reden, hy wie alhiel net dronken, mar doet wy thús kamen gyng er wol daliks op bêd. Jierren letter sei er tsjin my: Witst dat noch wol broer, doe yn Sumar... Do wiest eigen, mar oars hie 'k dy pakt. En dan hie 'k net op bêd hoecht, want ik wie net dronken. Dat wie ek sa, der mankearde him neat.

Mar dat siet sa: as ik frjemd west hie, dan hied er it der útslein. Dat koe no net, dat hy liet it yn him besmoare, doe sette dat fêst en omdat der gjin romte kaam, waard er stiif en rekke er op bêd. It wrantelige aard dat lei him oan syn geastfermogen. As it net kaam sa't hy it woe, dan wie er net rjocht yn oarder en kamen der úngelokken fan. Mar hy hie wol mei de minsken op. It is my op it Jachtfjild ferteld woarn. Dêr stie in wenwein, it moat yn de winter west ha. Us Durk kaam der lans en fernaam wat, dat hy der yn. Der lei in sike frou op bêd, se hie koarts, mar it drinken wie beferzen en se wie sa min, dat se der net óf koe om de kachel waarm te halden. Har man wie mei negoasje by de streek, mar hy wie al in nacht fuort.

Durk rakke dat minske, hy helle hout en sette de kachel oan en hy gyng om drinken út. Hy rede mei alles. It mei my ek noch heuge, dat er doe in soad tekene. Hy hie der net foar leard, mar hy koe it daliks. Der wie by ús in boer dy hie syn jonkje fan tolve ferlern. Se hienen der al noch in kykje fan. Durk makke der in pertret fan en dy minsken wienen der sa wiis mei, de boer joech Durk 25 gúne. Wy hienen doe twa gûnders, Durk makke dat pertret yn in middeisskoft, Sak sei, as er alles te baat nommen hie, hied er heul wat wurde kind.

Yn it Liouwter tichthús hat er in soad ansichtkaarten neiskildere. Hy mocht dêr ek twaris wyks akkordeonspylje en hy wie by it gefangeniskoar. Hy wie ien fan de besten, ha 'k letter woi heard. Se hienen der ek noait spul mei him. Doet't mem stoar - se wie doe al sa min, dat se noait witten hat dat Durk dy man yn Drachten deastutsen hat en dêr ha wy altiten tankber foar west - mocht er op de begraffenis. Hy sei tsiin ús: tink der om, dat dy mannen in stikje iten krije. Dat wienen de mannen út it tichthús dy't him oppasten.

Dêr koed er goed mei. Hy hie yn 1942 of 1943 frij komme kind, doe hied er triiekwart fan syn straf útsitten. Se seinen dat er dan nei Dútslan moast te arbeidzjen of op it fleanfjild te Ljouwert. Hy sei: dat wol ik net. Doe is er oan de befrijng ta yn it tichthús bleaun. Nei de oarloch gyng er wer te sjongen en dèr hied er it wol goed mei. Doe kaam er dy frou tsjin, se woe him net ha. En as it net kaam sa't hy it woe, dan taaste dat syn geastfermogens oan, dan wie er net rjocht yn oarder Us Durk hat yn it libben gjin fèste line fine kind.

LC: DINSDAG 21 MEI 1985: Met dit stuk over Durk Tabak wordt een bijna tien jaar oude belofte jegens zijn oudste broer Ealzen ingeost. Het zit zo: in oktober 1975 verscheen in Fries Mozaiek een artikel over Durk Tabak, de man die in 1930 tijdens een caféruzie in Drachten een jongeman doodstak, daarvoor vijftien jaar gevangenisstraf uitzat en in 1949, vier jaar na zijn vrijlating, onder Surhuizum een vrouw doodschoot, waarna hij de hand aan zich zelf sloeg. Het beeld dat van Durk Tabak werd geschetst, was dat van de onbewogen, bijna brute moordenaar. Ealzen trok zich dat aan en schreef de redaktie een brief. Daarin zei hij o.m.: „Durk heeft verschrikkelijke dingen gedaan waarvoor geen rechtvaardiging te vinden is, maar hij was niet zo slecht als de mensen denken".

In het daarop volgende gesprek ontpopte Ealzen zich als een diep religieus mens, die zich min of meer verantwoordelijk voelde voor de daden van zijn broer. Mede daardoor heeft hij een erg moeilijk leven gehad. Er was alle aanleiding -al zou het alleen maar zijn om Ealzen enigszins te ontlasten - om het portret van Durk ook van de andere kant te belichten. Maar dat stuk heeft nooit in de krant gestaan. Ealzen liet kort na het gesprek weten, dat het niet geplaatst mocht worden. Hij had na een slapeloze nacht de ingeving gekregen, dat Durks misdaden hun volle zwaarte moesten behouden en dat zelfs geen poging mocht worden gedaan om die te verklaren. Ealzen is vorige maand op 92-jarige leeftijd in Ferwerd overleden. Als een postuum eerbewijs aan de man, die de mede-verantwoordelijkheid zo intens beleefde, volgt hieronder wat hij tien jaar geleden over zijn broer Durk vertelde.

Rink van der Velde.


TOP