Home » Historie-Friesland » Dorpen in Friesland » Drachten » Jan Hut en Eye Wykstra

Jan Hut en Eye Wykstra

Jan Hut

EIJE WYKSTRA heeft tenminste een vriend gehad, die hem altijd trouw gebleven is en over wie Eije later in gevangenschap met veel waardering schrijft. Die man is Jan Hut. Zijn naam wordt vaak in één adem genoemd met die van Eije, omdat Jan Hut erbij was toen Eije na de moord in Groningen werd aangehouden. Jan Hut werd aanvankelijk zelfs als een handlanger van Eije beschouwd en onderging daarvan de nare gevolgen. Dat hij part noch deel aan het drama had, werd weliswaar spoedig vastgesteld, maar hij is er de rest van zijn leven wel om nagewezen. Jan Hut is later naar de Verenigde Staten geëmigreerd, waar de economische malaise in de jaren dertig niet minder groot was dan hier. Na zware tegenslagen keerde hij ontmoedigd terug.

Jan Hut leeft dan nog. Hij is 85 jaar en hij woont ergens in Friesland. Hij wil er liever niet meer over praten en in elk geval moet zijn woonplaats geheim blijven. Want hij heeft genoeg ellende beleefd als gevolg van zijn vriendschap met Eije en hij heeft niet de illusie dat er ook nog eens begrip zal zijn voor zijn handelwijze. „De weareld sil it noait bigripe", zegt hij.

Eije Wykstra en Jan Hut kenden elkaar van de bouw. Jan Hut was metselaar en Eije voeger. De laatste was gereformeerd opgevoed, althans door zijn moeder, die erg religieus was. Jan Hut was van huis uit ook gereformeerd. Toen ze elkaar voor het eerst ontmoetten, was Eije al vrijdenker en hij liet geen gelegenheid voorbij gaan om zijn ideeën uit te dragen. Jan Hut was voortdurend onder z'n gehoor en liet zich min of meer door Eije bekeren. Eije liet zich in 1925 formeel van de Ned. Kerk, waartoe hij als dooplid behoorde, afscheiden. De „Vereniging tot bevordering der vrije gedachte" hielp hem daarbij. Hij is de „Dageraad" wel trouw gebleven, maar het rationele denken heeft hij nooit kunnen leren. De zwaar-calvinistische opvoeding en daarbij het in deze streek diep gewortelde geloof in spoken en bovennatuurlijke verschijnsels had in zijn geestesleven al te diepe sporen getrokken. De boeken van Flammarion over het occultisme kende hy op zijn duimpje.

Volgens het getuigenis van Jan Hut zette Eije het occultisme en het spiritisme later weer overboord, „mar der is wol altiten hwat fan hingjen bleaun." Eije wierp zich nadien met grote ijver op de studie van het werk van de wijsgeer Nietzsche. Voor Ferdinand Domela Nieuwenhuis behield hij tot het laatst van zijn leven een grote verering, al verwierp hij later diens atheïsme. De jonge Anton L. Constandse, toen een veel gevraagd spreker in Friesland en Groningen, is bij Eije ook even in de gêunst geweest, maar nadat hij hem in Drachten had horen spreken, kwam hij daarop terug. Voor Troelstra en zijn SDAP had hij geen goed woord.

15-03-1988: Op 94-jarige leeftijd is vrijdag; Jan Hut overleden ten huize van zijn oomzeggers in het Groningse Oostwold. Hij werd bekend vanwege zijn relatie met Eye Wijkstra, die in de winter van 1929 samen met Durk Tabak vier politiemannen doodschoot in Grootegast. In bijgaand verhaal een beschrijving van de persoon Jan Hut.

NOORDBERGUM - Jan Hut. Zijn naam wordt altijd in één adem genoemd met de namen van Eye Wykstra en Durk Tabak, het tweetal dat in de criminele geschiedenis te boek staat als de viervoudige moordenaar van Grootegast (Eye Wykstra schoot in de winter van 1929 vier politiemannen dood) en de messentrekker die een jaar later tijdens een caféruzie in Drachten een jongeman doodstak en in 1949 onder Surhuizum een vrouw met revolverschoten doodde, waarna hij de hand aan zich zelf sloeg.

Jan Hut had aan al die wandaden part noch deel, hij heeft in het geval van Eye Wykstra waarschijnlijk nog erger voorkomen, maar er niettemin levenslang onder geleden. Vrijdag is hij ten huize van zijn oomzeggers in het Groningse Oostwold, Dij wie hij het laatste jaar inwoonde (daarvoor woonde hij in Noordbergum) overleden. Hij is 94 jaar geworden. De crematie heeft vanmorgen in Groningen plaats gevonden.

Jan Hut was een intieme vriend van Eye Wykstra met wie hij zijn gereformeerde afkomst gemeen had. Beiden keerden zich als jongemannen bewust van het geloof van hun ouders af en zochten andere wegen. Jan Hut koos onder invloed van Domela Nieuwenhuis voor het atheïsme en diens vrije socialisme. Hij is altijd antimilitarist en voorstander van geweldloosheid gebleven. In zijn laatste levensjaren verdiepte hij zich in de oosterse mystiek.

Ze leerden elkaar kennen in het bouwvak en in tijden van werkloosheid trokken ze er samen op uit als straatmuzikanten. Durk Tabak sloot zich af en toe bij hen aan. Hij genoot in het zuidelijke Fries-Groningse grensgebied enige faam als zanger. Jan Hut wantrouwde Durk Tabak, hij vond hem onberekenbaar en hij heeft het er erg moeilijk mee gehad toen hij later door toeval betrokken raakte hij de eerste moord van Tabak. De laatste leefde trouwens ook met Eye Wykstra op gespannen voet. In zijn levensverhaal, dat hij in de gevangenis schreef, vertelt Eye dat hij altijd zijn revolver gereed hield als hij met Durk Tabak op pad was.

In de strenge winter van 1928-29, een tijd van barre armoede op de Fries-Groningse hei, haalde Eye Wykstra een vrouw in huis. Aaltje Wobbes, met wie hij een verhouding was begonnen toen haar man voor diefstal in de gevangenis zat. Waarschijnlijk hebben ze daarmee het burgerlijk armbestuur tot bijstand van Aaltjes kinderen willen dwingen. Wegens „moedwillige verlating" van haar gezin gaf de officier van justitie in Groningen opdracht tot arrestatie van Aaltje. In de vroege morgen omsingelden vier veldwachters de woning van Eye, waarna een vuurgevecht volgde. Eye, die een uitstekend schutter was en een arsenaal aan wapens bezat, schoot de vier agenten dood en sneed hen vervolgens de keel af.

PDF
Aaltje
PDF [137.0 KB]
Download (24 downloads)

Bron Universiteit Leiden

Na zijn daad zond Eye Aaltje weg, stalt zijn huis in brand en begaf zich naar zijn vriend Jan Hut, die in de buurt woonde. Eye was bij het vuurgevecht aan een arm gewond geraakt en bloedde hevig. Jan Hut bewoog Eye met hem mee te gaan naar de huisarts om de wond te laten verzorgen. De huisarts was niet thuis. Jan Hut bestelde een taxi waarmee ze samen naar het ziekenhuis in Groningen reden. Ondertussen was bekend geworden welk drama zich in Grootegast had voltrokken. Er was marechaussee langs de weg voor de aanhouding van Eye wykstra. De marechaussee die de auto met daarin Eye en Jan Hut aanhield, ondernam in zijn verbouwereerdheid niets. In de stad Groningen liet Eye zich later gewillig arresteren.

In de latere reconstructie van de moordpartij en ook tijdens de behandeling van de zaak voor de rechtbank, is de rol van Jan Hut nooit goed uit de doeken gekomen. De veronderstelling ligt voor de hand, dat Jan Hut met zijn verstandelijk overwicht zijn vriend Eye Wykstra van een nog grotere moordpartij heeft weerouden. Eye had bij zijn aanhouding een op scherp staande revolver bij zich. Uit het feit, dat hij zijn slachtoffers ook nog de keel afsneed, kan men opmaken dat hij volkomen van zinnen was en tot alles in staat.

Door het opzienbarende nieuws zoals dat na het drama- en met weinig begrip voor de sociale en maatschappelijke achtergrond- in de kranten werd gepresenteerd, kwam de naam van Jan Hut in een kwaad daglicht te staan en dat heeft hem zijn verdere leven achtervolgd. Het noodlot had echter nog meer voor hem in petto. Ruim een jaar later woonde hij in een één-kamerwoning in een steeg aan het einde van de Noordkade in Drachten. In het café bij de sluis stak Durk Tabak een jongeman uit De Wilgen neer, die korte tijd later aan zijn verwondingen bezweek. Durk vluchtte de steeg in en werd in de woning van Jan Hut gearresteerd. Opnieuw kwam diens naam in de krant.

Jan Hut moet het Eye Wykstra eens hebben voorspeld: Durk Tabak is onberekenbaar. Het is later door Durks oudste broer bevestigd: „Durk hie bytiden wol mei de minsken op, mar as it net kaam sa't hy it woe dan taaste dat syn geastfermogens oan, dan wie hy net rjocht yn oarder." Jan Hut heeft aan aan die verklaringen achteraf niet veel gehad. Hij werd weer op één hoop geveegd met de zwaar criminelen van die tijd. Het moet hem te veel zijn geworden. Hij was in zijn latere leven erg zwijgzaam en liet er zich moeizaam over uit, maar het ligt voor de hand dat hij mede daarom in de Verenigde Staten een nieuw leven wilde beginnen.

Als landverhuizer had hij aanvankelijk succes. Met een compagnon begon hij een kwekerij van groenten nabij een grote stad waarvan hij zich in zijn laatste jaren de naam niet meer herinnerde. Het was in elk geval aan de oever van een rivier. Bij een onverwachte hoge waterstand, spoelde de hele oogst weg en was hij in één keer straatarm. Gedesillusioneerd keerde hij terug naar Nederland. In zijn privéleven schijnt eveneens weinig geluk voor hem te zijn weggelegd, maar ook dat hield hij voor zich.

Jan Hut is het slachtoffer van een fatale vriendschap. Hij heeft er zich tegenover de buitenwereld nimmer over beklaagd. In de overlijdensadvertentie die gisteren in deze krant stond, staan de volgende vier regels uit een vers van Theodoor Holman: Een ideaal dat niet in woorden past/ Een noodgedwongen standpunt: rechte lijn/ Van doen naar daad: de wegen van het brein/ Waarin wat diepe wonden zijn gekrast.

Rink van der Velde.


Eye Wykstra-IJje/Eije Wijkstra

De viervoudige moord te Grootegast.

Eije Wijkstra. Straatzanger/muzikant Eije Wijkstra (ook IJe en Eije) (Doezum, 4 juli 1895 – Eindhoven, 6 juni 1941) werd bekend door een viervoudige doodslag die hij pleegde in 1929 in Doezum.

In de barre winter van 1929 vond in het Fries-Groningse grensgebied een gruwelijk drama plaats, waarvan het nieuws als een schok door het land zou gaan. Bij het uitoefenen van hun ambt waren vier politiemannen door de geheimzinnige vrijbuiter IJje Wijkstra om het leven gebracht. Wijkstra was een man die door velen werd gevreesd, al was hij nog nooit met justitie in aanraking geweest. Wie was de mysterieuze anarchist IJje Wijkstra en hoe kwam hij tot zijn bloedige daad?

Eije Wijkstra...een naam, die eens over miljoenen lippen ging, een naam, die sommige ouderen nu nog doet huiveren. Wie was hij, wat deed hij, hoe kwam hij tot het plegen van het meest geruchtmakende misdrijf? Als nakomeling werd de kleine IJje enorm verwend. IJje was duidelijk een moederskindje. Moeder vertelde dan ook prachtige verhalen over de hemel en dat er een God was die slechte mensen in het vagevuur zou gooien.

Overigens was het armoede troef in huize Wijkstra: als los arbeider kon de oude Wijkstra amper de kost verdienen. Onenigheden tussen de (Hervormde) vader en de (Gereformeerde) moeder waren aan de orde van de dag; niet zelden werden de argumenten door handtastelijkheden kracht bijgezet. Als IJje 6 jaar oud is, wordt hij samen met zijn zusje naar school gestuurd in het dorpje Doezum. IJje hield echter niet van schoolgaan en holde altijd als eerste naar huis, waar dagelijks een emotioneel weerzien met zijn moeder plaatsvond.

Op school was Eije een middelmatige leerling; toen hij twaalf was zei hij de school vaarwel om zelf wat te verdienen en gaat als knecht aan het werk bij J.A. Postma in Marum, voor 25 gulden per jaar plus kost en inwoning. Na enkele maanden liep hij echter weg. Bij de boer moest hij te hard en te lang werken en in de winter was er ook wel geld te verdienen met het vangen van mollen.

Van broer Hendrik leerde IJje hoe hij moest voegen en vanaf dat moment was de voormalige boerenknecht ook regelmatig in het bouwvak werkzaam. Rond diezelfde tijd verloor IJje ook het geloof in religie kwijt. Volgens de familie was dat vanwege het opruiende gepraat van de socialisten. Ook ging IJje in die tijd vaak op strooptocht met zijn vader (Senior was een voortreffelijke schutter) en leerde zo schieten.

IJje te Luxwoude, uit de tijd toen hij als voeger werkte.

Zeventien jaar oud zag Eije voor de eerste maal een herberg aan de binnenkant; met veel oudere mannen proefde hij z'n eerste alcohol, hij begon te drinken, hij werd snel een drinker. Daarbij rookte hij veel: bij de markante kop met de scheve pet en de knalrode halsdoek hoorde een stoere pijp.

Nadat IJje was afgekeurd voor militaire dienst ging hij in 1916 aan het werk in het Roergebied. Na de Eerste Wereldoorlog had hij als voeger al zoveel geld verdiend, dat hij een motorfiets, een orgel en boeken kon kopen. IJje las vooral over occultisme en was vooral verzot op boeken van Camille Flammarion, maar ook de werken van Nietzsche.

In zijn eenvoud nam hij alles wat hij las voor waar aan en begon te piekeren over de tegenstrijdigheden in de lectuur. In zijn getuigenis zei een zwager van Wijkstra over deze periode: "Hij was een werktuig van de satan geworden en sprak vaak over spoken en geesten. Hij werd een bekwaam schutter, die eenmaal de bijbel van zijn moeder als schietschijf gebruikte. Ook kon hij op 120 meter afstand een polsstok raken."

Nadat hij in 1918 een half jaar was behandeld door een zenuwarts ging IJje zich steeds meer vervreemden van de wereld. Zijn zuster herinnerde hem als 'een uitgezonderd mens' die 'apart' leefde. IJje wou bijvoorbeeld niet dat zijn moeder de gordijnen voor de ramen ging wassen. Achter zijn huisje was het een ware wildernis van doornstruiken, brandnetels en ander onkruid. Daar mocht niemand iets van aanraken. Volgens zijn zus was IJje in staat om iemand te vermoorden die aan zijn tuinplanten kwam. Als IJje de bedstee inging, moesten de deurtjes goed gesloten worden. IJje hoorde namelijk geluiden en het gestamp van geesten die om zijn bed heen spookten.

Eije Wijkstra, zoals hij er rond 1928 uitzag.

In de herfst van 1928, een jaar voor de schietpartij, hoort IJje het verhaal over een hek van Bennema State, dat elke avond zorgvuldig werd afgesloten, om de daaropvolgende ochtend op onverklaarbare wijze weer geopend te zijn. Met zijn muzikale vrienden had IJje zelfs een nacht op wacht gelegen om op de spoken te schieten, maar deze kwamen die nacht niet opdagen. IJje leerde ondertussen om melodieën van de grammofoon na te spelen op zijn chromatische harmonica. Daarbij had hij vooral een voorkeur voor droevige liederen als Ave Maria en de treurwals.

In mei 1928 werd Hendrik Wobbes betrapt bij stelen van een zak wol en werd tot 15 maanden gevangenisstraf veroordeeld. Een zware straf, mede door het feit dat Wobbes een geladen revolver op zak had bij zijn aanhouding. In die periode zocht Aaltje toenadering tot IJje en hij van zijn kant zag in haar plompe lichaamsbouw een enorme schoonheid. IJje hielp Aaltje af en toe bij zwaar werk, maar toen zij hem uitnodigde om bij haar te blijven slapen was zijn antwoord: "Ik doe niet aan vrouwen en ik wil het ook niet om Hendrik". Aaltje liet zich echter niet van haar stuk brengen en uiteindelijk zou er een verhouding volgen, die al snel weer door IJje verbroken zou worden. Aaltje dreigde daarop om zichzelf te verhangen, waarop IJje weer bij haar kwam.

Eije krijgt een verhouding met Aaltje Wobbes-Van der Tuin, wiens echtgenoot elders verblijft. Zij heeft hem volkomen in de macht - veertien dagen en nachten blijft Eije bij haar; dan keert de man naar z'n huisje en zijn oude moeder terug: er volgt een scheldpartij, zodra het oude mens hoort, dat hij al die tijd bij een getrouwde vrouw en moeder van zes kinderen is geweest. Eije's moeder verlaat dan het huis; vrouw Wobbes laat haar kinderen (leeftijd een tot veertien jaar) in de steek en trekt bij Eije in.

De zes kinderen werden opgenomen in het armenhuis van Opende en tegen Aaltje werd proces verbaal opgemaakt. De oproep om voor het gerecht te verschijnen verdween in de kachel van Wijkstra. De 17e januari 1929 verzocht de substituut-officier bij de Rechtbank te Groningen de burgemeester van Grootegast om Aaltje Wobbes te doen voorgeleiden. Omdat ze wel op moeilijkheden rekenende, stuurde de politie in het vroege morgenuur van de bitterkoude dag daarna vier politiemensen op pad om Aaltje bij Eije vandaan te halen. Het zijn Mient van der Molen, chef-gemeente-veldwachter te Grootegast, Aldert Meijer, gemeenteveldwachter te Opende, Herman Hendrik Hoving, rijksveldwachter te Opende en Jan Werkman, rijksveldwachter te Sebaldeburen, die het huisje van Eije Wijkstra omsingelen.

Nadat IJje in de gaten heeft dat men zijn huisje omsingeld heeft pakt hij een karabijn en een geladen pistool en stopt ook nog een handjevol kogels in zijn broekzak. Niet veel later verscheuren enkele schoten de stilte van die ochtend. Chef-veldwachter Van der Molen zakt in elkaar nadat hij in zijn hoofd en buik is geraakt. Nadat IJje Hoving en Werkman in het vizier heeft gekregen, laat hij zich op een knie zakken, drukt de karabijn op de schouder en met een aantal schoten uit het automatische wapen worden de beide politiemannen neergeschoten. Dan komen er enkele schoten terug van Meijer, waardoor Wijkstra wel wordt geraakt, maar toch niet ernstig wordt gewond.

Als IJje ziet dat de agent zich probeert te verstoppen in een sloot maakt hij een omtrekkende beweging waarbij hij ook de tijd krijgt om zijn wapen te herladen. Wijkstra knielt dan weer, richt z'n karabijn en schiet ook Meijer in borst en buik. In plaats van weg te rennen loopt de schutter vervolgens rustig zijn huisje binnen om een vlijmscherp mes op te halen, waarmee hij de vier veldwachters de keel doorsnijdt. Dan pakt hij de petroleumkan, gooit de inhoud leeg over z'n schamele huisraad en steekt de brand er in.

Hier zijn de nog smeulende resten te zien.

Toeschouwers bij de plek, waar veldwachter Meijer, dekking zocht en Wijkstra hem nog kon verwonden...hier vond ook Meijer zijn hartverscheurend einde.

De heer Mient v.d. Molen, gem. veldwachter te Grootegast: 63-jaar en weduwnaar, die één dochter naliet.

De heer Jan Werkman, rijksveldwachter te Sebaldeburen: 45-jaar, nalatende een vrouw en drie kinderen.

De heer Hielke Henderikus Hoving, rijksveldwachter te Opende: 39-jaar, nalatende een vrouw en twee kinderen.

De heer Alb. Meijer, gem. veldwachter te Opende, 33-jaar: nalatende een vrouw en vier jonge kinderen. Hij heeft de moordenaar nog met twee revolverschoten kunnen verwonden.

Trientje Turksma

Nadat hij Aaltje eerst bij neef Hendrik had gebracht ging de gewonde IJje op de fiets naar Lucaswolde waar zijn vriend Jan Hut woonde. Na bij de arts  Dr. Huissinga te zijn geweest, die overigens niet aanwezig was, bekende IJje aan het dienstmeisje van Dr. Huissinga te Tolbert Trientje Turksma, als eerste zijn daad, Dr. Huissinga, stelde bij thuiskomst direct de Groninger politie in kennis en heeft niet weinig bijgedragen tot de snelle gevangenneming van IJje. Op aanraden van Hut gingen de twee in de auto van garagehouder Willem Willems uit Tolbert naar het Rooms Katholieke Ziekenhuis in Groningen. Wijkstra was daar al eerder eens geopereerd aan een breuk.

De marechaussee-kazerne in Groningen was ondertussen op de hoogte gebracht van het drama. In de stad Groningen gonsde het van de wilde geruchten, ouders hielden hun kroost in huis en winkeliers sloten hun winkels en lieten de luiken voor de ramen zakken. In het R.K. Ziekenhuis weigerde men om IJje te helpen, zogenaamd vanwege het feit dat hij geen verwijsbriefje van een dokter bij zich had. Hij werd verwezen naar het Academische Ziekenhuis van Groningen. Toen Hut en Wijkstra het ziekenhuis verlieten merkten ze dat Willems en de auto verdwenen waren. In een nabijgelegen café had Willems de gemeentepolitie laten waarschuwen door de kastelein en was teruggereden naar Tolbert.

De auto met de chauffeur Willem Willems uit Tolbert, die IJje en Jan Hut, naar het R.K. ziekenhuis vervoerde.

Toen het tweetal lopende op weg waren naar het Academische Ziekenhuis werden de mannen aangehouden door een tweetal passerende rechercheurs, die op eigen initiatief op zoek waren gegaan naar de schutter. In zijn rechter jaszak troffen de politiemannen een geladen browning aan met zeven scherpe patronen in de houder en één in de loop, alsmede 32 scherpe revolverpatronen, 42 scherpe geweerpatronen, een knipmes en een slagersmes. De viervoudige moord deed een golf van afgrijzen door het land gaan. IJje bekende volledig en moest op 23 april 1929 voor de Groninger rechtbank verschijnen.

Twee weken later, bij de uitspraak, bleek de rechtbank hem schuldig te achten aan doodslag, driemaal gepleegd (op Hoving, Van der Molen en Werkman) en aan moord, eenmaal gepleegd (op Meijer) en veroordeelde hem conform de eis van de Officier van Justitie tot levenslange gevangenisstraf. Wijkstra tekende beroep aan en op 20 juni 1929 kwam de zaak opnieuw in behandeling, nu voor het Gerechtshof in Leeuwarden. Uiteindelijk deed het Hof op 26 mei uitspraak: het achtte Eije Wijkstra schuldig aan doodslag, vier maal gepleegd en veroordeelde hem tot een gevangenisstraf voor de tijd van twintig jaar.

Aangetast door tuberculose en helemaal uitgeteerd werd Eije Wijkstra in 1941 van de Blokhuispoort in Leeuwarden overgeplaatst naar het Krankzinnigengesticht te Woensel, waar hij op 6 juni 1941 op 45-jarige leeftijd overlijdt aan de gevolgen van tuberculose.

Aaltje Wobbes-van der Tuin.

Aaltje Tuinstra, geboren 5 oktober 1898 te Surhuizum.
Dochter van niet genoemde vader en Hinke Tuinstra

Opm.: Kind erkend (waarschijnlijk bij het huwelijk van Aaltje) door de moeder d.d. 29 september 1914; familienaam moeder, daar vermeld als "van der Tuin"

Gehuwd (± 16jr) met Hendrik Wobbes, op 15 oktober 1914 te Grootegast, geboren op 30 mei 1891, Opende, Grootegast, Groningen.

Uit dit huwelijk:

1. Hendrikje Wobbes.
2. Hinke Wobbes.
3. Lutske Wobbes.
4. Tetje (Thea) Wobbes.
5. Janke Wobbes.
6. Guitsen Wobbes.

1929: De zes kinderen van vrouw Wobbes, die door hun moeder verlaten werden.

De woning van het gezin Wobbes, nadat er volgens het „gesundes Volksempfinden" doof een wraakzuchtige menigte was huisgehouden: het dak vernield, de ruiten ingeslagen en het interieur kort en klein geslagen.

De jonge jaren

Voor het begin van dit verhaal moeten we terug naar het einde van de 19e eeuw. In de omgeving van het plaatsje Surhuisterveen was een vrijgevochten gemeenschap ontstaan, bestaande uit zwervers en bedelaars die recht en wet niet kenden en die veelal in concubinaat leefden. Op 5 oktober 1898 werd aldaar Aaltje geboren, als jongste van 17 onwettige kinderen van Hinke van der Tuin, een zedelijk gezien zeer laagstaande bedelares. Deze leefde al sinds de geboorte van haar derde kind samen met Cornelis Alma. In 1914 ging Aaltje werken als dienstmeid bij G. Wobbes in Opeinde. Het duurt niet lang voordat zoon Hendrik belangstelling voor de vrouw begon te tonen en in oktober 1914 zouden de twee gaan trouwen. Niet lang daarna beviel Aaltje van haar 1e kind.

Sjouktje en Aaltje

EIJE WYKSTRA en de vrouwen, dat is een hoofdstuk apart. Eigenlijk zijn er in zijn leven maar twee vrouwen geweest, moeder Sjouktje en Aaltje van der Tuin. Jan Hut meent te weten, dat Eije als jongen van een jaar of twintig enige tijd een meisje heeft gehad, maar daar is verder niets van bekend. Een vrouwenhater was hij niet, dezelfde Jan Hut denkt dat Eije over het algemeen meer vertrouwen in de vrouw stelde dan in de man. Als knaap van een jaar of twintig moet Eije, hoewel klein van stuk, voor vrouwen wel wat aantrekkelijks hebben gehad en hij heeft in die tijd ook wel de kermissen, danszalen en uitvoeringen afgelopen.

In zijn levensverhaal beschrijft hij uitvoerig over deze avonturen. Dat levensverhaal dateert echter uit de jaren '35-36 of nog later. Hij was toen geestelijk al flink gestoord, hetgeen onder meer blijkt uit de pseudowijsgerige beschouwingen, die hij tussen de bedrijven door ten beste geeft. Daarin schildert hij zichzelf als de van God gezondene, die door de diepste dalen moest gaan en de zwaarste zonden bedrijven voordat hij gelouterd aan het scheppen van een nieuwe maatschappij kon beginnen.

Als er thuis ruzie was, ging Eijes sympathie uit naar moeder; Het moet een zachte vrouw zijn geweest, die het arbeidersbestaan amper aan kon en het zich bovendien erg aantrok, dat haar man minder godvruchtig was en de „fijnen" bespottelijk maakte. Ze probeerde Eije, de jongste en bovendien het zorgenkind, voor zich te winnen en ze heeft er erg veel verdriet van gehad toen ze Eije later de in haar ogen verkeerde weg zag opgaan. Eije realiseert zich dat ook. „Wat heb ik mijn lieve moeder een verdriet gedaan", schrijft hij in de verheven schrijftaal van die dagen.

Aaltje was een heel andere vrouw. Als we Eije mogen geloven dan was ze puur-slecht, een duivelin, die op niets anders uit was dan hem in het verderf te storten. Wie was die Aaltje? Er is over haar niet zoveel bekend. In de krantenverslagen van de rechtszitting wordt over naar motieven zo goed als niets vermeld. Ze is daarin alleen maar de ontaarde moeder, die haar zes kinderen verliet om bij dag en vooral nacht aan de ondergang van Eije te kunnen werken.

Aaltje was net als Eije thuis ook de jongste, maar het verschil is, dat zij al de zeventiende was. En volgens de burgerlijke stand waren ze alle zeventien onwettig, want moeder Hinke van der Tuin was niet getrouwd, al leefde ze samen met een man die Cornelis Alma heette. Haar domicilie had ze officieel in Hamsterheide, het latere Harkema Opeinde.

Mem Hinke bedelde veel, hetgeen op zichzelf in deze streek niet abnormaal was. Veel mensen moesten in tijden van werkloosheid of lange winters bij de boeren of burgers bedelen. In gemeentelijke verordeningen was zelfs vastgelegd op welke dagen van de week zulks was toegestaan. Het zal wel waar zijn, dat Hinke van der Tuin tijdens haar bedeltochten wel eens een ongewenste zwangerschap opliep.

Aaltje is nooit met alle zestien broertjes en zusjes samen geweest. Toen zij geboren werd, waren er al zeven overleden, de meesten als baby. De kindersterfte was hoog in die dagen, zeker in de spitketen van Hamsterheide. De kinderen van de Hamsterheide behoorden tot wat men tegenwoordig de kansarmen noemt; ze waren in feite kansloos.

Aaltje volgde twee klassen lager onderwijs en in die korte tijd kreeg ze het lezen en schrijven niet onder de knie. Toen ze vijftien was, werd ze als huishoudster uitbesteed bij de weduwnaar Wobbes in Groninger Opeinde. Daar was een zoon in huis, Hendrik, acht jaar ouder dan Aaltje. Hij maakte het meisje spoedig zwanger. Ze had een hekel aan hem, dat was algemeen bekend en de verhouding was voor Aaltje één lange lijdensweg. Maar er werd getrouwd en de zwangerschappen volgden elkaar snel op.

Aaltje werd door Hendrik mishandeld en hij is er zelfs voor veroordeeld. In het burgerleven zou dat wellicht nooit gebeurd zijn, maar Hendrik was toen onder dienst. Hij stak Aaltje met een mes, daar moest de dokter aan te pas komen, die er werk van maakte, waarna Hendrik zich bij z'n militaire meerderen moest verantwoorden.

Er is een aandoenlijk portret van Aaltje en Hendrik bewaard gebleven, waarschijnlijk kort na de trouwerij gemaakt. Aaltje staat erop met haar eerste en Hendrik poseert staande naast haar met de handen op de rug. Allebei zijn ze op z'n zondags opgetuigd. Aaltje zit erbij als een rijpe vrouw, niet onknap, maar het gezicht drukt al het een en ander uit. Men herkent in haar geen vroegrijp kind van zestien jaar.

Aaltje Wobbes, hier met haar man Hendrik en één van de kinderen.

Hendrik ging de bak in wegens diefstal en Aaltje moest er zich een maand of vijftien alleen door slaan. Ze kreeg van de bedeling een karige uitkering: vier gulden per week en een roggebrood, andere bronnen zeggen zes gulden en een kwartje.

Het doet er niet zoveel toe, want het was in elk geval te weinig, zeker in een strenge winter als die van '28-29. Aaltje haalde Eije in huis en toen Eije na een paar weken vol wroeging bij haar wegging, zocht ze hem thuis op.

Dat kon, want Eije's moeder was ondertussen bij een broer van Eije, Hendrik, ondergebracht. Moeder had verzorging nodig en die kon Eije haar niet voldoende geven, was het oordeel van de andere kinderen. Aaltje heeft niet zonder meer haar gezin verlaten om bii Eije in te trekken, ze heeft Eije in elk geval niet overvallen.

De twee hebben het besproken en Eije heeft in de avonduren zelfs enig meubilair per handkar opgehaald. De verhuizing is dus volgens plan gegaan en de opzet was om het gemeentebestuur op deze wijze te dwingen de kinderen op te nemen in een tehuis, waar ze het beter zouden hebben dan bij Aaltje.

Deze tactische manoeuvre, als men het zo mag noemen, zou best bedacht kunnen zijn door Eije. Of het van Aaltje haar kant het enige motief is geweest, zal wel nooit aan het licht komen. In de krantenverslagen van de rechtszitting komt het amper aan de orde. Aaltje verliet haar kinderen om bij Eije haar „dierlijke wellust" te kunnen botvieren, zoals de stoutmoedigste verslaggevers het durfden formuleren.

Aaltje, eenvoudig van geest, zal in werkelijkheid bescherming hebben gezocht bij Eije, de man die in haar ogen mijlenver uitstak boven Hendrik. Die mooie muziek maakte, die wist wat er in de wereld te koop was, gezag had en een zekere ridderlijkheid bezat. Hij zou een vrouw nooit mishandelen.

Eije moest in haar ogen de ideale man zijn geweest, in elk geval was hij heel wat meer dan zij gewend was. Eije schrijft later, dat hij meerdere malen getracht heeft een eind te maken aan de verhouding, maar dat zij steeds dreigde zich van kant te zullen maken. Hij kreeg dan medelijden en nam haar weer in genade aan. Het kan natuurlijk best zijn, dat Aaltje radeloos werd als Eije duidelijk maakte, dat hij van haar af wilde.

Als Hendrik weer vrij kwam, hoefde ze bij die niet op begrip te rekenen. Eije was de enige die haar kon beschermen en die bovendien de wraak van Hendrik kon voorkomen. Hendrik en Aaltje zijn na het drama niet herenigd.

Na de viervoudige moord werden de kinderen van Aaltje ondergebracht in een kindertehuis te Groningen (later kwamen ze bij pleeggezinnen terecht). Aaltje trok vooreerst bij familie in en werd later overgebracht naar de vrouwengevangenis in Rotterdam. Na haar vrijlating ontfermde het Leger des Heils van Amsterdam zich over Aaltje, ze zou haar kinderen in 50 jaar niet meer zien.

Aaltje Wobbes-Tuin onderweg naar de rechtbank.

Via het Leger des Heils kreeg Aaltje onderdak in Amsterdam aan de Lijnbaansgracht 25, aan de voorkant op de 1ste verdieping. Op 3 augustus 1934 scheidde Aaltje van haar man Hendrik Wobbes, de kinderen werden uit haar ouderlijke macht onttrokken. Vijf maanden na haar scheiding; op 18 januari 1935 (exact zes jaar na het drama) kreeg Aaltje nog een dochter van Hendrik Wobbes.

Publicist John Boetes ( 42 jaar) wonende te Hemrik ontdekte na intensieve naspeuringen Aaltje van der Tuin (82 jaar) in 1980 in haar woning in de Amsterdamse Jordaan. (Foto John Boetes) Hendrik Wobbes (haar ex-man) bleek vroeger een vriend te zijn geweest van IJje Wijkstra. Hendrik zat in de gevangenis toen IJje hij haar opzocht.

John Boetes besloot, na de ontdekking, een fonds op te richten: ‘Bloemen voor Aaltje’. Eventueel voor een reünie en voor haar oude dag.

( Uit een uitgebreid artikel van 4 december 1980 uit ‘ De Woudklank’)

© Henk F. Hansma, Hemrik.

lijnbaansgracht.png

Bron foto: Google

Op 38-jarige leeftijd trouwde Aaltje in Amsterdam met haar huisbaas Govert Cornelis Wimmers, een geboren Amsterdammer. Hij overleed in 1954. Aaltje bleef in Amsterdam wonen en trouwde op 60-jarige leeftijd Emmerinus Augustinus Jansen, ook een Amsterdammer. Hij overleed op 74-jarige leeftijd in 1973. Aaltje overleed op 16 januari 1985 te Amsterdam, oud 86 jaar en drie maanden.

Nieuwsblad van het Noorden 30-12-1980: Aaltje van der Tuin herenigd met kinderen 'Ik wil alles wat ik miste inhalen

Aaltje van der Tuin, destijds de vriendin van IJje Wijkstra, is herenigd met haar kinderen. Gisteren zag zij voor het eerst na 50 jaar vier van haar kinderen terug tijdens een reünie in restaurant De Wilgenhoeve in Drachten.

Volgens een dochter uit Amsterdam, uit een later huwelijk, ging er nooit een dag voorbij waarop Aaltje niet sprak over haar kinderen in Groningen. Zij had haar kinderen niet meer gezien sinds ze in 1929 werd veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf, omdat ze haar kinderen in de steek had gelaten. Volgens Aaltje deed ze dit om haar kinderen opgenomen te krijgen in het armenhuis, omdat ze er zelf niet meer voor kon zorgen. Gisteren benadrukte zij nog eens haar goede bedoelingen en zei dat ze zich daarom niet schuldig voelt.