Home » Historie-Friesland » Dorpen in Friesland » Drachten » Gemeente Smallingerland - Drachten

Gemeente Smallingerland - Drachten

SMALLINGERLAND, griet., prov. Friesland, kw. Oostergoo, arr. Heerenveen, kant. Beetserzwaag (1 k. d., 9 m. k., 5 s. d.,); grenzende N. aan Tietjerksteradeel, waarvan zij door den Zuster-weg en het stroompje de Lits wordt afgescheiden; terwijl dit watertje deze grietenij ook van Achtkarspelen scheidt tot aan de Rottevalle, van waar de verdere scheiding tusschen deze grietenijen, door een scheidgruppel, in de veenen, voltooid wordt.

Ten Oosten grenst Smallingerland aan de Groninger Ommelanden, en wordt daarvan gescheiden door den Lauwers-stroom, die hier weleer bevaarbaar was, doch thans geheel is opgedroogd, ofschoon hij zich eertijds uitstrekte tot aan het oude klooster Termunten. In het Zuidoosten en Zuiden ligt Opsterland, van welke grietenij Smallingerland gedeeltelijk gescheiden wordt door den Leppe-dijk. In het Zuidwesten komt eindelijk nog Utingeradeel en in het Westen Idaarderadeel.

Deze griet., die van het Oosten naar het Westen 5 u. lang en van het Noorden naar het Zuiden 2 u. breed is, telt de navolgende zes dorpen, Dragten, waar het grietenijhuis staat, Boornbergum met Smalle-Ee, Kortehemmen, Nijega, Oudega en Opeinde, benevens een klein gedeelte van Rottevalle.

Smallingerland beslaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 12,493 bund. 99 v. r. 80 v. ell., waaronder 11,756 bund. 45 v. r. 86 v. ell. belastbaar land. Het is de negende grietenij van Oostergoo. Van waar zij haren naam heeft, is niet zeker: men schijnt aan smal te moeten denken; doch in tegenstelling van breed zou dat woord hier niet zeer te pas komen, omdat de griet. in zulk eene beteekenis juist niet smaller is dan onderscheidene andere, uitgezonderd alleen naar den kant van Groningerland, waar zij niet zeer breed is.

Zoo men het woord nam in beteekenis van gering, slecht, gelijk de Engelschen hun smal bezigen en wij ook in meer dan een geval doen, zou het zeer wel aanleiding hebben kunnen geven, om de grietenij dus te noemen. In oude tijden toch, eer de turfgraverij bekend was, had men hier, in het Noorden en Oosten, hooge moerassige veenen, bosschen en struiken; terwijl de lage landen ten Zuiden en Westen gelegen, door het afloopende veenwater plas en dras lagen en dus van weinig nut waren. Ondertusschen zou het wel kunnen zijn, dat Smallingerland zoo veel gezegd ware, als Smalle-Eesterland, hetwelk dan slecht Waterland zou te kennen geven, omdat het woord Ee de beteekenis van water heeft.

Men telt er 1069 h., bewoond door 1420 huisgez., uitmakende eene bevolking van ongeveer 7240 inw., die meest hun bestaan vinden in landbouw en veeteelt. Men heeft er schoone bouw- en weilanden, vroeger had men er ook vele veenen, doch deze zijn vergraven en herschapen in land. Behalve het voordeel, dat de ingezetenen van de korenlanden en de veevoeding trekken, helpt de vischvangst hier ook menigeen aan brood; doordien er onderscheidene vischrijke wateren zoo in het Westen en Zuiden als in het midden der griet. gevonden worden. het is opmerkelijk dat in de dorpen Nijega en Opeinde de landen alle roeien op den toren van Boornbergum.

Ofschoon de bodem en de gedaante van het land, een gedeelte van Oostergoo uitmaken, gelijken zij zoo zeer op die van Zevenwouden, dat Schotanus, in zijne Beschrijving van Friesland, zich niet weerhouden kon zulks in de volgende vier dichtregelen aan den dag te leggen.

Quos similis facies sylvarum deprimit agros

Partibus annumerus Osterogoa tuis?

Non est usus idem membris in corpore nostro

Et junctum oppositum splendet ab opposito

(d. i. Rekent gij, Oostergoo! de akkers, wier voorkomen gelijk is aan dat der wouden (de Zevenwouden) tot uw gebied? (zeker!) In ons ligchaam strekken de leden niet alle ten zelfden gebruike, terwijl de voortreffelijkheid van verschillende zaken des te meer uitkomt, als zij naast elkander zijn geplaatst.)

Men heeft in deze griet. 3 scheepstimmerwerven, 2 lijnbanen, 7 looijerijen, 7 klakovens, 1 branderij, 1 mostaard-, 2 houtzaag- en 4 korenmolens.

De Herv., die er 5350 in getal zijn, onder welke 660 Ledematen, maken 3 gem. uit, zijnde die van Dragten, Boornbergum-en-Kortehemmen en Oudega-Nijega-en-Opeinde, welke zes kerken hebben.

De Afgescheidenen, die er ruim 1180 bedragen, behooren tot de gem. van Dragten en Oudega.

De Doopsgez., die men er 700 telt, behooren tot de gem. Dragten-en-Rottevalle, alwaar zij eene kerk hebben.

Men heeft in deze griet 7 scholen; als: vier te Dragten, ééne te Boornbergum, ééne te Opeinde en ééne te Oudega, welke gezamelijk door een getal van 1280 leerlingen bezocht worden.

De wateren, welke men in deze griet. vindt, zijn: de Kromme-Ee, de Wijde_Ee, de Monnike-Ee, de Wester-Zanding, de Oudegaaster-Zanding, de Smalle-Eester_zanding, de Dragtstervaart enz.

De rijwegen zijn in deze griet. zeer aangenaam, wegens het menigvuldige houtgewas, hetwelk hen, gelijk ook de naast gelegen erven omzoomt. De voornaamste dezer wegen zijn de Lykweg, die van Nijega, door Opeinde, naar Noorder- en Zuider-Dragten, en van daar naar Opsterland loopt; de Hoogeweg, die van Oudega, ten Zuiden van Nijega en Opeinde, naar de Kletten loopt, en voorts in het Westen van de Dragten, naar Kortehemmen, het naaste dorp aan Opsterland, van waar hij in het Noordwesten verder westwaarts naar Boornbergum leidt; gaande van daar weder een andere rijweg noordwestwaarts naar Smalle-Ee.

Ook gaat van Dragten een rijweg derwaarts, die, eerst langs de Dragtster-vaart heen schietende, zich eerlang met den ouden Slingeweg vereenigt, en daarmede zuidwestwaarts voortloopt, tot hij in den Zuidelijke-Slingeweg valt, die insgelijks van den Hoogeweg voortkomt, en na deze vereeniging verder westwaarts schietende, eerst de Postlaan, en daarna de Dragtster Hooiweg heet.

Van de bijzondere hooiwegen maken wij geene melding. Wegens meergemelden Hoogeweg merken wij nog maar alleen aan, dat hij zich, ten Oosten van Kortehemmen, eerst westwaarts en vervolgens noordwestwaarts buigt, en alzoo, voorbij gemelde dorp, naar Smalle-Ee schiet, zich tusschen beiden vereenigde met den reeds gemelden Dragtster-hooiweg.

Ten tijde der inlandsche twisten, tusschen de Schieringers en Vetkoopers, en naderhand in de Spaansche oorlogen, heeft deze grietenij veel moeten lijden. Ook ging zij, naar het voorbeeld van Achtkarspelen en Opsterland, in het jaar 1420, een verbond aan met de Groningers, om zich te verzekeren tegen de onderdrukking van den hertog Jan van Beijeren, toenmaals Voogd van Holland.

Bij den watervloed van Februarij 1825, werd het westelijke gedeelte dezer grietenij, alwaar men in den morgen van den vijfden den vloed vernam, mede door het zoute water overstroomd, en wel van de grensscheiding van Idaarderadeel tot oostwaarts op de alge landen van het dorp Oudega, en het buitenste verlaat van de Dragten, terwijl het opgestuwde binnenwater zich uitstrekte over het noordelijk gelegen Nijega, en nabij de dorpen Noorder- en Zuider Dragten, benevens Boornbergum. De hoogste stand des waters was ongeveer zes palmen boven gewoon winterwater, zijnde niet te min het geh. Smalle-Ee vrij gebleven. gering evenwel was de schade door de overstrooming aangerigt, en slechts eene koe was verdronken; geene gebouwen waren vernield en geene ongelukken voorgevallen.

Het wapen der griet. Smallingerland bestaat uit een veld van zilver, met vijf groene bomen, staande op eenen natuurlijke voorgrond, langs welke heen springt een hert van keel. het schild gedekt met een gouden kroon.

DRAGTEN, vl., prov. Friesland, kw. Oostergoo, griet. Smallingerland, arr. en 4 1/2 u. O. N. O. van Heerenveen, kant. en 1 1./4 u. N. ten O. van Beetsterzwaag; 5 u. Z. O. van Leeuwarden.

Het maakte voorheen twee d. uit, als: Noorder-Dragten, dat ten N. en Zuider-Dragten, dat ten Z. van de Dragstervaart gelegen was, welke d., tot in het jaar 1641, slechts kleine boerenstreken of gehuchten waren; doch, nadat er in dit jaar eene vaart gegraven was, begonnen deze geh., door de toenemende vergraving van de omliggende veenen, zoodanig in welvaart toe te nemen, dat zij zich, in 1667, kerkelijk van de gem. Boornbergum-en-Korte-Hemmen, waartoe zij tot dusverre behoord hadden, afzonderden en eene kerkel. gem op zich zelve begonnen uit te maken, die twee kerken had, ééne te Noorder-Dragten en ééne te Zuider-Dragten.

Daar echter de bevolking meer en meer aangroeide, werden de beide kerken te klein, om de toehoorders bij de godsdienstoefeningen te kunnen vebaaten, waarom men in het jaar 1743 besloot, de oude kerken af te breken en ééne nieuwe kerk te bouwen, aan de vaart, in het gebuurte.

Dit groote, schoone en bloeijende vlek beslaat thans, met de daartoe behoorende gronden, eene oppervlakte van 3247 bund. 68 v. r. 50 v. ell., en telt, met de voorm. dorpen Noorder-Dragten, waartoe ook de b. de Folgeren en het geh. de Compagnie gerekend worden, en Zuider-Dragten, 600 h. en 4500 inw., die, sedert dat de hooge veenen afgegraven zijn, meest in den landbouw hun bestaan vinden; terwijl men er drie scheepstimmerwerven, 6 leerlooijerijen, 28 metselaars en timmerlieden, 4 grutters, 85 schippers, 5 smeden, 2 lijndraaijers, 7 wevers, 5 uurwerkmakers, 1 cichoreidrogerij, 3 kalkbranderijen, 3 molens enz. heeft; ook wordt er veel handel gedreven.

De herv., die hier 3000 in getal zijn, maken, zozo als wij hierboven gezien hebben, sedert 1667 eene gem. uit, welke tot de klass. van Leeuwarden, ring van Bergum, behoort. De eerste, die in deze gem. het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest Petrus Overney, die in het gezegde jaar van Gaastmeer herwaarts beroepen werd, doch in hetzelfde jaar, den 3 November, overleden is. De kerk, welke den 10 November 1743 werd ingewijd, pronkt met fraai geschilderde glazen en een orgel, welke laatste er in het jaar 1820 is aangebragt. Tegen de kerk staat de dorpstoren, welke in het jaar 1765 van een uurwerk voorzien is.

De Doopsgez. hadden vroeger te Zuider-Dragten eene zoogenaamde Vermaning; terwijl de Oude-Vlamingen, in het jaar 1708 nog een afzonderlijk kerkgebouw, te Noorder-Dragten, gesticht hebben. In 1788 werd dit laatste en in 1790 de vermaning afgebroken, waarop in het laatste jaar door de Doopsgez. ingezetenen van Dragten en Ureterp, die zich tot ééne gem. vereenigd hadden, een nieuwe en fraaije kerk in het gebuurte van Dragten gesticht werd. Tot het jaar 1809 werd deze kerk nog door Liefdepredikers bediend, doch toen werd aldaar tot vasten Predikant beroepen Jan Plantinus, die er thans nog in bediening is. - De R. K. zijn er niet.

Men heeft te Dragten vier scholen, die gezamelijk door een gemiddeld getal van 500 leerlingen bezocht worden. - Er is den 3 Augustus 1806 een Departement der Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen opgerigt, dat thans 105 leden telt.

Dragten is de hoofdpl. der griet., en heeft, in het jaar 1830, een fraai grietenijhuis bekomen; terwijl, in het jaar 1837, de Baron M. P. D. van Harinxma Thoe Slooten, een schoon huis, met eenen fraaijen aanleg, aan den Zuider-Lijkweg gesticht heeft.

Men houdt er twee beestenmarkten, de eene den laatsten Woensdag in Mei en de tweede den laatsten Woensdag in October. De paardenmarkt valt in daags na de beestenmarkt. Ook is er eene weekmarkt, op Donderdag (1).

(1) Men leze verder over dit vlek: J. G. van Blom, de Opkomst van het vlek Dragten, in de provincie Friesland, te Leeuwarden bij W. Eekhoff, 1840, met belangrijke geschiedkundige aanteekeningen, eene kaart en eene plaat.

Bron: vanderaa.tresoar.nl

Naamlijst predikanten: Boornbergum-Kortehemmen en Drachten.

Boornbergum en Kortehemme. (naamsvariant aangetroffen in militieregisters, Kortehemme, Kortehemmen Smallingerland, Kortehemmer, Kortelemmen Smallingerland)

Waarmede Noorder en Zuider Dragten gecombineerd was tot 1667.

  1. 1601. Albertus Nijenhuis, beroepen in het genoemde jaar, — verroepen naar Burgwerd, waar hij reeds was den 6 April 1606.
  2. 1607. Gajus Agaei (Ages), geboren te Sneek, deed zijn intreerede den 24 September en werd verroepen naar IJsbrechtum in 1613.
  3. 1613. Theodorus Theodori (Durk Durks), geboren te Sneek, beroepen den 14 November, verroepen naar Dieveren, reeds vertrokken in den vroegen zomer van 1618, denkelijk niet lang te voren.
  4. 1620. Johannes Wilhelmi, de opvolger van bovengenoemden, stond hier reeds in 1620, doch de juiste tijd is onbekend; hij is verroepen naar Lekkum den 26 November 1620.
  5. 1621. Sixtus Gellii, Sikke of Sijtze Jelles, in de wandeling Sijtze oom genoemd; of hij dezelfde is, die te Morra c.a. gestaan heeft, is wel denkelijk, doch dan is hij niet regtstreeks van daar herwaarts vertrokken, maar heeft tusschen beide nog vier jaren elders gestaan; hij deed zijn intreerede hier den 18 Januarij 1621, overleed alhier aan de pest in 1666 en is met zijne vrouw en zijnen innocenten zoon Gijsbert op denzelfden dag in de kerk te Boornbergum begraven.

     

  6. 1667. Petrus Overney, Art. Lib. Magister, kandidaat, geapprobeerd den 1 Julij.
  7. 1674. Jacobus Duursma, kandidaat, geapprobeerd den 27 April, lid der klassis den 6 Julij, overleden den 3 Julij 1706.
  8. 1709. Martinus Duursma, Jacobus zoon., beroepen van Oostermeer, geapprobeerd den 6 Mei — in 1712 gecommitteerd tot visie van de autographa, overleden den 20 Julij 1740, in het 62ste jaar zijns ouderdoms. Zijn schriften, zie klassis Dokkum 104.
  9. 1742. Jesaïas Hillenius, beroepen van IJlst, deed zijn intreerede den 15den April, en overleed den 1sten Augustus 1759, oud 59 jaren.
  10. 1761. Hermannus Breunings, geboren te Bremen den 4en Maart 1708, — broeder van David, predikant te Neekerau en Amsterdam, van Christiaan, predikant te Mannheim en professor te Heidelberg en van Johan Melchior, predikant te Bozemheim in de Palts, — als kandidaat te Ooij en Persingen in 1731 den 3den Augustus bevestigd, te Hasselt in 1737; van daar hier beroepen, deed hij zijn intreerede den 19den April en overleed den 6den April 1777. Zie van zijnen zoon op Goingarijp c.a.
  11. 1778. Nicolaus van der Tuuk, geboren te Garsthuizen den 15 Julij 1739, Mich. zoon, broeder van Marcus te Heerenveen en Pompejus die volgt, — als kandidaat te Adorp in 1762, te Uskwert in 1767; van daar hier beroepen, deed hij zijn intreerede den 24 Mei; verroepen naar Groningen, nam hij afscheid den 23 Julij 1780 en overleed den 23 April 1809.
  12. 1780. Pompejus van der Tuuk, geboren te Garsthuizen, Mich. zoon, Nicolaas broeder bovengenoemd en Marcus te Heerenveen, — als kandidaat te Blokzijl in 1762; van daar hier beroepen, deed hij zijn intreerede den 1sten October. Emeritus geworden nam hij afscheid
    den 8sten November 1807 en overleed hier den 23 Januari 1810, oud ruim 69 jaren.
  13. 1808. Henricus Heppener, geboren te ' s Gravenhage, als kandidaat te IJselmuiden in Maart 1805, van daar hier beroepen, deed zijn intreerede in het begin van Augustus; — wegens zwakheid van gezicht is hij emeritus geworden den 1 sten Januarij 1833, en heeft door middel van een herderlijken brief, bij monde van Ds. Sibinga, emeritus predikant van Oudega te Dragten woonachtig, aan de gemeente in den oudejaarsavond voorgelezen, afscheid van haar genomen. Hij overleed te Franeker den 9 December 1839, oud ruim 59 jaren 10 maanden.
  14. 1833. Douwe Holwerda, Wibr. zoon, beroepen van Rijperkerk, deed zijn intreerede den 2 Junij.

Er ontbreken : H. Blankstein 1858—68. E. D. Liclitenvoort

1860—66. P. Sinninghe Damsté 1866—67. B.
W. Colenbrander 1867—76. J. de Koo 1869—1874. J.
E. Moltzer 1876—80. J. Post 1877—79. P. W. v.
Doorn 1880.— W. v. Lingen 1880 — 81. D. v. Lingen
1881—85.

Na Ds. Holwerda, heeft Dragten twee predikanten.

Tot Dragten behoort nu ook nog Dragtster Compagnie, welks predikant de derde predikant van Dragten is.
Er zijn geweest: L. Fockens 1853—57. J. W. Bakker
1858—64. H. J. Dingemans 1864—68. H. J. Bouwers
1868—.

Bron: tresoar.nl/wumkes/pdf

 Rijkskweekschool voor onderwijzers en onderwijzeressen.

Onderwijs en schoolmeesters te Drachten.

Zoals dan bekend is, lagen hier oorspronkelijk twee dorpjes, Noorder- en Zuider-Drachten, elk
met hun kerkje en aan het kerkhof ook een schooltje, waarin 's winters schoolgehouden werd.
In 1642 werd evenwel de Drachtster-Compagnonsvaart gegraven, tussen beide dorpjes door.
Hieraan ontstond al spoedig een flinke buurt, "de Dragten" genoemd, die allengs de beide dorpjes
over het hoofd groeide.

Hier is reeds vóór 1658 ook een school gesticht "bij de Brug", later genoemd de "Buurtschool". Noorder- en Zuider-Drachten behielden ook hun schooltjes. De schoolmeester "in de Dragten" nam in de kerkjes van Noorder- en Zuider-Drachten de kerkdienst waar als voorzanger, zoals uit de rekeningen van de kerkvoogdijen van die dorpjes blijkt. Dit duurde totdat in 1743 een gemeenschappelijke kerk in de buurt werd gebouwd en beide kerkjes vervielen.

De Buurtschool.

In okt. 1658 was mr. Taede Ulckes, schooldienaar in "Dragsterabuijren". Op 21 april 1660 was
mr. Tadaeus Uilckes "schooldienaer en collecteur in ZS-Dragten". Op 14 febr. 1664 was
Thadeus Ulckes "old-schooldienaer te Drachten".

De Staten van Friesland gaven sedert ca. 1665 (in elk geval op 19 nov. 1667 reeds) de "gebuijrte van Suider- en Noord Dragten wegens hun schoolmeester" 42 c.g. of 30 ggld. per jaar. Dit was voor de Buurtschool.

Op 17 febr. 1668 was Cornelius Fockens Eringa, dorprechter en ontvanger in de "Zuyder-Drachten"; mr. Thadeus Ulckes, was koopman aldaar. In 1672 en 1674 kwam hij nog als getuige onder akten in het Recesboek voor, blijkbaar als procureur postulant. Hij was volgens de cijfers in zijn handtekening geboren in 1630 en sedert 1655 in functie: op 18 aug. 1669 tekende hij met de
toevoeging 14-39 en in aug. 1674 met 19-44.

Van nov. 1670 tot nov. 1672 was Bruijn Tiallings schoolmeester. Van nov. 1672 tot nov. 1673 was mr. Douwe Martens, schooldienaar in Noorder-Drachten. Van nov. tot 1677 was Bruijn Tjallings, hier weer. In nov. 1675 werd hij in het Lidmatenboek genoemd als zijnde schoolmeester "bij de brug". Hij trouwde op 15 sept. 1676 met Antie Hendriks.

Sedert nov. 1677 was Ayso Haijens, hier als schoolmeester. In 1677 had hij nog de winterschool te Boornbergum bediend voor 5 c.g. per winterhalfjaar. In maart 1680 behoorde hij tot de nieuwe lidmaten, maar in nov. 1680 vertrok hij naar Oostermeer. Later was hij werkzaam in Burum en Beetsterzwaag.

In die tijd (omstreeks 1674) was Thijs Lammerts, voorzanger in de beide kerkjes, waarvoor hij
van elk van beide kerkvoogdijen 15 c.g. per jaar ontving. Hij is vóór jan. 1686 overleden, want
toen kwam zijn weduwe Stijn Jochums, voor. Hij was hier geen schoolmeester geweest.

Sedert nov. 1680 werd de toelage van 42 c.g. per jaar uitgekeerd aan Johannes van Weperen,
schooldienaar in Zuider-Drachten. Hij moet echter in de Buurtschool geweest zijn, want daarvoor
werd de subsidie verstrekt. In juni 1681 zijn met attestatie ingekomen mr. Jan van Weperen en
Eva Wisman, van Oldeberkoop. Hij trad ook op als notaris. Hij was hier in febr. 1685 nog, maar
blijkbaar in nov. 1685 niet meer, want op 9 dec. 1685 ontvingen "Jan Weperen gewesene en
Melle Pijtters, tegenwoordige schoolmeester in de Drachten te samen wegens 1 jaar tractement 1
Nov. l.l. verschenen 42 c.g." Deze nieuwe meester werd ook wel Melle Pijters Rinsma of Rensema genoemd. Ook hij ontving voor voorzingen in de beide kerkjes tweemaal 15 c.g. Op 24 juni 1692 werden te Hallum de huwelijksgeboden aangegeven van Mello Rinsma, schooldienaar te Drachten, en Grietje Gerrijts van Hallum. In 1693 werd hij schoolmeester te Hallum.

Op 10 jan. 1692 was Oedso Hendriks, schooldienaar te Drachten. Ook hij ontving jaarlijks 42 c.g.
traktement van de Staten. Hij had sedert 1684 bijna alle winters het schooltje te Boornbergum
waargenomen voor 5 c.g. per winter. Op 8 febr. 1693 trouwde hij in Boornbergum met Geeske
Jans. Hij noemde zich ook wel Oetsonius Henricy. Ook hij diende de beide kerkjes als voorzanger voor 30 c.g., waarvan elk der beide kerkvoogdijen de helft betaalde. Hij was hier in nov. 1711 nog. Hij ontving traktement tot mei 1712. Daarna is hij overleden, want in nov. 1712 werd zijn weduwe Geeske Jans genoemd. Zij is in 1717 overleden.

In mei 1712 werd mr. Uijlke Jeltema, schooldienaar in "de Dragten" en voorzanger in beide kerkjes. Ook hij ontving jaarlijks 42 c.g. traktement van de Staten. Hij stond hier in mei 1741
nog, maar in nov. 1742 was sprake van zijn erven. Zijn vrouw Maijke Lautenbach, overleefde
hem.

In 1743 kwam de nieuwe "mandeelige" kerk in de Buurt gereed. Toen was hier Douwe Tiezema,
als schoolmeester. Hij was hier op 1 nov. 1742 gekomen uit Jorwerd met Martje Hebkes, zijn
huisvrouw. Hij kreeg 42 c.g. traktement van de Staten. Voor zijn kerkelijke diensten ontving hij
30 c.g. van elk van de kerkelijke voogdijen; dus 60 c.g. in totaal. In 1768 was dit bedrag reeds
gestegen tot 80 c.g. Hij was tevens koster en hield de contra-doop- en trouwboeken bij. Als zodanig tekende hij in 1791 nog huwelijksconsenten. Hij ontving zijn traktement als schoolmeester tot mei 1796. In het Register van de Volkstelling 1796 in Smallingerland werd hij vermeld als Douwe Tiesema, oud-schoolmeester. In de winter van 1798/1799 was een Douwe Tiezema. winterschoolhouder in Duurswoude.

Niet lang daarna moet hij evenwel opgevolgd zijn door mr. Albert Durks, want in 1796 had mr.
Albert Durks, vrijwillig afstand gedaan, waardoor "het schoolmeesters-en voorsingersampt van de
dorpen Noorder- en Zuider-Dragten is komen te vaceeren".

De stemgerechtigde ingezetenen werden toen opgeroepen om op woensdag 1 juni 1796 in de kerk te "compareeren" om een schoolmeester en voorzanger voor "de Dragtens" te nomineren. Men benoemde toen mr. Jan Lefferts, uit Niehove tot schoolmeester in de Buurtsterschool en tot voorzanger. (De kerk had toen nog geen orgel.)

Mr. Jan Lefferts, heeft blijkbaar voor zijn benoeming bedankt of is hier slechts kort geweest, want
in nov. 1796 kwam Foppe Meines van der Broek, als schooldienaar, koster, voorzanger en later
ook organist. Ook hij genoot van de kerk ƒ 80 per jaar.

In 1796 werd aan een commissie van ingezetenen van "de Dragtens" opgedragen "een plan te ontwerpen om op het gevoeglijkst de vaceerende schoolmeestersposten van "de Dragtens" te vervullen, een tractement voor dezelfde te beramen, mitsgaders een fonds uit te denken, uit welke gemelde tractementen gevonden kunnen worden".

In de Buurt zou een nieuwe school worden gebouwd, daar de oude te klein was. De Buurtschool stond op de plaats waar in 1931 het gemeentehuis was; in 1796 werd de school vergroot. De commissie wilde de traktementen als volgt vaststellen: voor de Buurtschool ƒ 180 van de dorpen, onder korting van ƒ 40, die deze school van het Rijk geniet; in Noorder-Drachten ƒ 100, mits een geheel jaar schoolhoudende en in Zuider-Drachten ƒ 60, mits 7 maanden schoolhoudende van 1 okt. tot 1 mei. Beide laatstgenoemde scholen onder korting van de door de ingezetenen geaccordeerde rogge!

Meester F.M. van der Broek, trouwde hier op 18 mei 1807 met Ebeltje Hendriks de Boer, uit
Haule. Hij bleef hier werkzaam tot de zomer van 1828, toen hij wegens hoge ouderdom (ca. 65
jaar), met ingang van 1 jan. 1829 met pensioen ging. Hij overleed te Donkerbroek op 13 febr.
1854, oud 91 jaar en 7 maanden.

In 1828 werd een nieuwe school gebouwd ten oosten van de hoofdbrug. De oude Buurtschool werd in 1831 afgebroken en op die plaats werd een grietenijhuis voor de grietenij Smallingerland gebouwd.

Hier is de oude school te zien, het latere gemeentehuis.

Deze foto heb ik gekregen, ben helaas de naam van die mijnheer kwijtgeraakt.