Home » Historie-Friesland » De ramp van Moddergat » De ramp van Moddergat (3)

De ramp van Moddergat (3)

Oude vissershuizen aan de Reddingbootreed. Langs dit pad, midden op de foto, ging de reddingsboot. Links achter is nog juist iets van het boothuis te zien.

HET RAMPENFONDS.

"De armvoogden geven U.E.A. kennis dat alle nagelaten betrekkingen van de verongelukten moeten worden geholpen, sommigen dadelijk, de anderen na enigen tijd".

Dit was de hoofdinhoud van een kort schrijven dat de burgemeester van Westdongeradeel, J. Klaasesz, op 9 maart 1883 vanuit Moddergat ontving. Er kwamen meer brieven, o.a. van zijn collega's uit Metslawier, uit Dokkum, en allen schreven: "er moet geholpen worden". Een beroep op de liefdadigheid van het gehele Nederlandse volk werd er geopperd. Er kwamen ook brieven van mensen buiten Moddergat, die een aanzienlijk geldelijk verlies leden door deze ramp. Er kwamen geen brieven van de weduwen, van hen die alles verloren hadden, van hen die weerloos stonden tegenover een kille berekende maatschappij.

De ongetwijfeld bij enkelen van hen aanwezige opstandigheid tegen het wrede lot, heeft zich in die zwaarste dagen niet geuit in een noodkreet vastgelegd op het witte papier. Het uitdragen van al deze ellende over het Nederlandse volk en in het bijzonder het Friese volk, moest door hen overgelaten worden aan anderen.

Deze anderen stelden zich onder leiding van de toenmalige Commissaris des Konings in de provincie Friesland, Mr. B.P. Baron van Harinxma thoe Slooten. Er werd een provinciale commissie benoemd onder leiding van genoemde commissaris. Verdere leden waren Mr. W.J. van Welderen baron Rengers, J.N. Witteveen, Mr. E. Attema, Dr. N. Reeling en A. Duparc. Door deze commissie werd een reglement vastgesteld waarbij als doel werd vastgelegd:

  • a. Het ondersteunen van de nagelaten betrekkingen der verongelukte vissers.
  • b. Het bevorderen van de zeevisserij in de dorpen Paesens en Moddergat.

Tevens werd een plaatselijke commissie benoemd ondervoorzitterschap van de burgemeester van Westdongeradeel met als secretaris P. Suringbroek, hoofd der school te Moddergat. Verder telde deze commissie 10 leden. Deze 10 leden waren op één graanhandelaar na, allen gegoede landbouwers. Men vraagt zich thans af of er nu tussen de overlevenden der vissers niet één persoon aanwezig was welke waard geacht kon worden mede zitting te nemen in deze commissie. De waardering van vissers en boeren ten aanzien van elkander is nooit erg groot geweest en nu werd het lot van deze vissersbevolking zonder meer mede gelegd in handen van personen, onbekend met mentaliteit, gevoelens en opvattingen van deze mensen.

Latere wrijvingen tussen bevolking en commissie is ongetwijfeld mede toe te schrijven aan deze zeer eenzijdige samenstelling. Er kan dan ook geconstateerd worden dat hier een ernstige fout werd gemaakt. Intussen begon het geld voor het rampenfonds binnen te stromen. Zo lezen wij in een brief van 30 maart 1883 van de plaatselijke secretaris P. Suringbroek, dat de volgende giften direct naar hem waren verzonden:

  • Van de commissie te Harlingen: f 250,00
  • Van Sijtze Alkema, scheepsbouwer te Makkum: f 201,00 Van Ds. Bokma de Boer, te Brummen f 100,00 (van deze voormalige Nessumer predikant, schoonvader van P. J. Troelstra en vader van "Nienke van Hichtum", werd later nog eens f 114,50 ontvangen)
  • Van de loge Friesche Trouw te Leeuwarden: f 200,00
  • Van N. Krantz te Amsterdam: f 50,00 En verder nog enkele kleine giften.

Door het provinciale comité werd intussen een krachtige actie gevoerd teneinde de nodige bijdragen te verzamelen. Aan alle gemeentebesturen in Nederland werd een circulaire gezonden waarin werd aangedrongen een plaatselijk comité te stichten welke de inzameling der gelden zou kunnen organiseren. Ook de buitenlandse gezantschappen en consulaten werden niet vergeten. Het resultaat van deze actie was, gezien in het licht van de destijds slechte economische toestand van het land, goed te noemen. Het snelste reageerden die gemeenten en plaatsen welke zelf bij de visserij betrokken waren. Van Schiermonnikoog lezen we in de Nieuwe Dockumer Courant het volgende:

"Schiermonnikoog, 14 Maart 1883.

Ten einde onverwijld iets te doen, wat strekken kan tot althans eenige leniging van den zwaren druk der talrijke ongelukkigen in het Moddergat is hier reeds eene collecte gehouden, waarin ieder met de meeste bereidwilligheid het zijne heeft bijgedragen.
Deze bleek te hebben opgebracht f 269.77,-.

(Dat de eilander bevolking een voor die tijd groot bedrag bijeen bracht voor de nabestaanden van de slachtoffers moge blijken uit de opbrengst van een collecte bestemd voor nabestaanden van een ramp in het toenmalige Nederlands-Indië; gehouden op 4 oktober 1883, opbrengst f 18,60).

Binnen tien dagen na de oproep kwamen reeds giften binnen van Bunschoten, Rholen, Hindeloopen, Zierikzee enz. Maar ook andere Friese gemeenten zonden snel hun giften.

  • Zoals op 29 maart de gemeente Leeuwarden een bedrag van: f 5677,56 ½
  • Op 4 april 1883 de gemeente Weststellingwerf: f 768,17,-.
  • Op 14 april1883 de gemeente Sneek: f 1420,53,-.
  • Uit Wonseradeel (Makkum) f 1632,-.

Ook de kustplaatsen Heinikenszand, Harderwijk, Nijkerk, Vollehove, Bruinisse, Brielle, Zoutkamp, Blokzijl en Katwijk zonden spoedig hun bijdragen.

In Middelburg verscheen een aparte krant: De Middelburgsche Fancy-Fiar-Courant voor iedereen. (Dit blad verschijnt nooit behalve den derden april 1883).

Ook de grote steden bleven niet achter. In de Nieuwe Rotterdamse Courant van 23 april 1883 staat een verantwoording van binnengekomen giften, totaal f 8.557,65.

Kop en schotel, speciaal gemaakt voor een fancy fair, te Middelburg. De opbrengst ging naar de slachtoffers van de ramp.

De zeer actieve voorzitter van het comité was de burgemeester Mr. Sjoerd Anne Vening Meinesz, afkomstig uit Friesland; hij werd bijgestaan door de heren R. Mees en W. Wijt. Maar ook uit gemeenten die weinig betrekkingen onderhielden met de zee kwamen aanzienlijke giften.

  • Zo kwam uit Maastricht f 1196,53½.
  • Uit Arnhem f 1913,87,-.
  • En uit Deventer f 815,72,-.

Door de Liedertafel "Apollo" te Amsterdam werd een concert gegeven, waarvan de netto-opbrengst f 404,20 bedroeg.

Met dit bedrag steeg de totale bijdrage van Amsterdam boven de f 10.000,-. De hoofdstad des lands was hiermede ook in milddadigheid de eerste. Vooraan in de rij van schenkers stond evenwel het Koninklijk Huls. De Koning en de Koningin schonken een ruim bedrag. En met hen de toenmalige kroonprins Alexander en prinses Marianne, dochter van Koning Willem I.

Ook vanuit het buitenland kwamen giften binnen. De consul der Nederlanden uit Lissabon schonk f 20,- vanuit Nürnberg, zond Frau Professor Hilger 20 Mark enz.
Tot slot wordt nog melding gemaakt van het feit dat de Huizensche Harmonie "Ons Genoegen" een concert gaf hetwelk f 41,-- opbracht. U ziet aan deze opsomming dat de oproep tot het geven van bijdragen allerwege weerklank vond.

Het bijeengebrachte bedrag bedroeg dan ook totaal f 135.513,50½.

Het reeds genoemde plaatselijke comité werd belast met de uitdeling der gelden, hetgeen onder nauwkeurig toezicht van het provinciale comité geschiedde. Dit comité moest ook verschillende gegevens verzamelen omtrent de algemene financiële toestand der bevolking. Hieruit kon dan de nood der verschillende gezinnen worden nagegaan. De totale verloren gegane waarde der vloot bedroeg f 89.500,--. Het verloren gegane jaarlijkse inkomen bedroeg f 31.500,-.

Van dit inkomen leefde voor de ramp direct 292 mensen, waarbij wij de neringdoenden en verdere belanghebbenden buiten beschouwing laten. Na het omkomen der 83 vissers bleven er 209 mensen in hulpbehoevende omstandigheden achter.

Over het algemeen woonde men in Moddergat in eigen woningen en sommigen bezaten enig land. Meestal met een oppervlakte van een halve of één pondemaat (1 pondemaat is 36 are). De totale waarde der eigendommen bedroeg f 28.455,--, waartegenover een schuld aanwezig was van f 16.575,--. Mocht men denken dat het invorderen van deze schuld als gevolg van de ramp een mildere vorm zou aannemen, dan vergist men zich.

Reeds twee maanden na de ramp moest het plaatselijk comité bijspringen teneinde enkele ingestelde invorderingsvervolgingen af te kopen. Uit het voorafgaande kan een ieder narekenen dat de nood hoog was. De wintervoorraden waren op, crediet niet te verkrijgen. Er werd dan ook onmiddellijk overgegaan tot het betalen van bijstand.

Over de maanden maart en april werd f 3.135,64½ uitbetaald,

In Mei
In Juni
In Juli

f 1602,00
f 1117,17
f 1232,50

Tevens werden belangrijke bedragen als renteloze voorschotten voor het weer in de vaart brengen der schepen uitbetaald. De totale uitgaven aan ondersteuning en renteloze voorschotten bedroeg over 1883 f 19.824,76½ en over 1884 f 20.563,54.
Het fonds daalde In die tijd van f 135.513,50½ tot f 101.444,92½. De rente-opbrengst bedroeg gemiddeld 4%.

Aan renteloze voorschotten werd in totaal f 17.986,36 uitbetaald, verdeeld over 7 schepen. Verder werden kosten van begraving van aangespoelde lijken betaald. De vergaderingkosten bedroegen per maand in deze jaren gemiddeld f 12,50. Voor administratiekosten werd gemiddeld f 5,- per maand uitgegeven. Het totaal der ondersteuning over deze eerste twee jaren bedroeg ongeveer f 21.000,-. Over de jaren 1885,1886en 1887was het bedrag per jaar f 11.500,-.

Vergelijken wij dit bedrag met het reeds genoemde verloren gegane jaarlijkse Inkomen van f 31.500,-, dan zien we dat het inkomen der gezinnen gemiddeld daalde tot 35% van het Inkomen voor de ramp. Ondanks de bijstand bleef er zeer grote nood.

De man waar deze nood in eerste aanleg geklaagd moest worden was de secretaris van het plaatselijke comité, P. Suringbroek. (In juli 1862 werd Pieter Suringbroek, hulponderwijzer te Holwerd, aangesteld te Moddergat. Hij trouwde op 6 nov. 1862 met T.B. Bruinsma. In 1895 ging hij met pensioen). Dit hoofd van de plaatselijke lagere school was de enige man van het rampenfonds welke voor de vissersbevolking bereikbaar was.

Hier werden al de klachten uitgestort, zijn woning werd het centrale punt waardoor de draad naar de hogere instanties werd getrokken. Hij ontving de weduwen met al hun moeilijkheden ten aanzien van het betalen van schulden, verhuren van woningen, hij was de man die verscheidene malen al de huisgezinnen der verongelukte vissers bezocht om allerlei gegevens - vooral op financieel gebied -te verzamelen. Bij hem aan huis kwamen de scheepstimmerlieden, touwslagers, zeilmakers uit Dokkum, Leeuwarden, Makkum en Lemmer. Hij moest de uitgebreide administratie bijhouden ten aanzien van de ontvangsten en uitkeringen van het plaatselijk comité. Hij gaf inlichtingen aan de Kantonrechter tot het benoemen van bewindvoerders en toeziende voogden.

Zijn woning werd bestormd door de winkeliers van Paesens, Moddergat, Wierum en Ooster-Nijkerk, welke gedurende de winter aan de vissersbevolking hadden geborgd in de hoop hun geld tijdens de zomerteelt terug te krijgen. En hij was de man die de verwijten over de te geringe uitkeringen moest aanhoren en de tranen der ellende moest aanzien. Zijn beloning als secretaris van het comité bedroeg f 150,- per jaar. Een verzoek dit te verhogen tot f 200,-- per jaar werd door het provinciale comité afgewezen.

Voor zover nog nagegaan kan worden kwam deze man oprecht op voor de belangen van de vissersbevolking. Hij was een toegevend persoon, begiftigd met een helder verstand, een man die zelfs soms probeerde tegen de zin van het plaatselijk comité in, iets bij de Commissaris des Konings te bereiken.

Op 22 juni 1883 reist hij met een visser naar de Commissaris teneinde het verlenen van renteloze voorschotten voor het opbrengen en herstel van enkele vissersboten te bepleiten. De vice-voorzitter van het plaatselijk comité schrijft hierop een brief aan de voorzitter, de heer J. Klaasesz, burgemeester van Westdongeradeel, teneinde de houding van het plaatselijk comité te rechtvaardigen. Het resultaat is echter dat de voorschotten worden verleend.

Gemakkelijke jaren heeft dit hoofd der school hier ongetwijfeld niet gehad. Hij was onmachtig de uitkeringen te doen verhogen en vooral toen op 1 mei 1889 bericht uit Leeuwarden verscheen dat de uitkeringen per week beneden de f 100,- dienden te blijven en aan het plaatselijk comité de wijze van verdeling werd opgedragen, was de positie van deze man weinig benijdenswaardig. Het fonds was toen geslonken tot f 80.000,--. Werd in april 1889 nog 61 gezinnen ondersteund met f 712,--, in mei moest dit verminderd worden tot 52 gezinnen met f 410,--. Deze teruggang was wel erg pijnlijk. Tot toen had het comité de volgende richtlijnen voor de uitkeringen:

  • Een weduwe die niet meer kon verdienen: f 2,50 per week
  • Een weduwe die bij een ander inwoont: f 2,00 per week
  • Aan weduwen met kinderen, per kind: f 1,50 f 1,00
  • Voor elk kind zonder ouders: 1,00 per week

Thans moest ook deze regeling worden herzien en de uitkeringen nog ingekrompen. De toestand werd schrijnend. Voor sommigen bestond er nog de mogelijkheid te putten uit een particulier fonds, dat beheerd werd door de predikanten Langhout van Anjum en Ploos van Amstel te Reitsum. Deze ondersteunden sommige gezinnen naar gelang van hun eigen inzicht.

Een nevenoorzaak van de ontstellende armoede was het slechte resultaat der kustvisvangst. Over 1888 schrijft het plaatselijk comité: "De visvangst over 1888 was slecht. Sommigen probeerden hun geluk in de Zuiderzee op ansjovis, maar het bracht weinig op. Later werd bij de kust nog wat rog gevangen, waarvan de prijzen goed waren. In de herfst werd schelvis gevangen waarvan de prijs behoorlijk was, zodat daaraan nog wat verdiend is. De WL 1 verdiende het meest van de hele vloot". (WL = Westdongeradeel)

Over 1889 vermeldt het verslag o.a.: "Vroeger werd hier bij de kust vee! grote schol gevangen en dan werd deze vis gedroogd en voor goede prijzen verkocht. Nu is dit niets meer gedaan en zo is het ook met de schelvis. Alleen één visser ving in deze herfst nog 1400 schelvissen en hij is dan ook het hoogste. Wat er gedaan moet worden om in deze toestand verbetering te brengen is moeilijk te zeggen, want de oorzaak van deze toestand is dat er jaarlijks geregeld minder vis aan de kust komt".

  • Over 1896 schrijft men: "de visvangst is ver beneden het gemiddelde; de hulp van de armvoogdij moet worden ingeroepen".
  • In 1904 komt er enige kentering in de algemene situatie ter plaatse. Men schrijft: "doordat de jongeren op de loggers gaan varen, verbetert de toestand in sommige gezinnen".
  • Over 1907 wordt vermeld: "Vele, vele reizen ter visvangst, maar de kosten worden nauwelijks gedekt".
  • In 1911: "De visserij is van weinig of geen betekenis".

Het gevolg van de slechte uitkomsten van de visvangst is dat de schuldenlast der vissers steeds groter werd. In het laatst van 1892 wordt er een rekest opgesteld waarin een beroep wordt gedaan op het rampenfonds om de schulden der vissers te betalen. Er gaat het verhaal dat de rente-opbrengst van het rampenfonds groter is dan de uitkeringen aan de nagelaten betrekkingen. Volgens het plaatselijk comité is dit stuk door enkele Dokkumer schuldeisers opgesteld en hierna in de herberg van de Wed. A. Post ter ondertekening neergelegd. Aan het verzoek wordt niet voldaan omdat de nog aanwezige gelden volgens het provinciaal-comité nauwelijks voldoende zijn de nagelaten betrekkingen over een verantwoord aantal jaren te ondersteunen.

Ook de terugbetaling van de verstrekte renteloze voorschotten werd door de eigenaren der herstelde schepen steeds uitgesteld. Wel werd op aandringen van. het provinciaal comité enkele pogingen ondernomen deze voorschotten terug te vorderen maar waarschijnlijk door de slechte uitkomsten der visvangsten genoopt, werden de vorderingen later vervallen verklaard.

Van de uitgekeerde voorschotten groot f 17.986,36 werd f 6.744,19 terugbetaald. Een verlies voor het fonds van f 11.242,17.

Wij gaan nu nog het verdere verloop van het fonds na.

  • In 1898 werden nog 45 weduwen ondersteund, welke per jaar totaal f 3.815,50 ontvingen. Het fonds was toen nog ruim f 58.278,77½ groot.
  • In 1907 werden nog 34 weduwen ondersteund welke per jaar totaal f 3.181,25 ontvingen. Het fonds was toen nog ruim f 40.000,-- groot.
  • In 1913 werden nog 21 weduwen ondersteund welke per jaar totaal f 2.235,-- ontvingen. Het fonds was toen nog ruim f 29.000,-- groot.
  • In 1918 was het bezit van het fonds nog f 19.212,44 en er werden nog 14 weduwen ondersteund. Men besloot voor deze weduwen van het nog resterende bedrag een lijfrente te kopen.

Van de Algemene Friesche Levensverzekeringsmaatschappij, ontving men een aanbieding waarbij een lijfrente werd aangeboden voor elk der weduwen van f 156,-- per jaar. Ingangsdatum 1 augustus 1918. Kosten van deze 14 polissen f 16.888,18. De rekening van dat jaar vertoonde het volgende beeld:

  • Kosten ondersteuning tot 1 augustus 1918: f 955,50
  • Administratiekosten plaatselijk comité te Nes met Inbegrip van het halve jaarsalaris van de plaatselijk secretaris: f 68,00
  • Schrijfloon: f 2,00
  • Porti en kleine uitgaven: f 1,45
  • Een gratificatie voor de secretaris van het voormalige plaatselijke comité: f 200,00
  • Kosten notariële akte betreffende open bewaring bij de Ned. Bank: f 15,50
  • Kosten lijfrentes: f 16.888,18
  • Restant: f 1.081,81

f 19.212,44

Tevens werd met Ingang van 1 juli 1918 het plaatselijk comité opgeheven.

De lijfrentes welke de weduwen verkregen waren hoger dan de tot toen uitbetaalde ondersteuning.
Bij besluit van 21 april 1926 werd besloten het Inmiddels van f 1.081,81 tot f 1.351,14 aangegroeide restant te gebruiken voor het verhogen van enkele nog lopende lijfrentes. Hierna had het fonds geen bezittingen meer.

Wanneer men de gehele geschiedenis van dit rampenfonds overziet en men heeft die hele correspondentie hieromtrent doorgeworsteld, dan moet men er wel van overtuigd raken dat het beheer van de geiden van dit fonds zeer zorgvuldig is geweest. Het totaalbedrag van de verdeling van het plaatselijk comité was volkomen vastgelegd door de strak gehouden toewijzingen van de provinciale commissie. Slechts binnen het raam van deze toewijzingen kon men de ondersteuningsbedragen laten variëren. Bij de heersende grote nood zullen zelfs de kleinste variaties belangrijke spanningen en wrevel hebben opgeroepen. De uitkeringen waren slechts groot genoeg om de uiterste nood te lenigen. Naar mijn oordeel lag de fout elders.

De algemene opvattingen van de toenmalige overheid zouden populair gezegd als volgt kunnen worden geformuleerd: "Ieder voor zich en God voor ons allen".
De God in deze zinspreuk is dan de menselijke liefdadigheid die voor deze ramp wel zeer groot maar ten enen male ontoereikend was. De overheid weigerde consequent overheidsgelden te besteden om plaatselijke erge nood te lenigen. Dat deze vissers op de vijfde maart het waagstuk van de uitvaart naar de verraderlijke zee weer ondernamen, niet alleen voor hun gezin maar uiteindelijk ook tot opbouwen als deelnemers aan een grotere maatschappij, werd toen helemaal niet beseft.

Dat deze maatschappij vertegenwoordigd door de overheid een taak had tegenover economisch weerloze nagelaten betrekkingen werd niet gevoeld. Het verdelen van deze last over alle burgers van ons land via een verantwoorde bijdrage uit 's Lands kas zoals dit na de ramp van 1 februari 1953 werd gedaan, bleef achterwege.

Gezien in het licht van onze huidige opvattingen, werd hier een schreiend onrecht bedreven tegenover deze arbeidzame eenvoudige mensen. Niet de mensen die de gelden verdeelden kan iets verweten worden, maar de verantwoordelijke leiders van ons volk uit die dagen, kinderen van hun tijd, maar toch blind voor dergelijk onrecht.
En wanneer er nu wel eens een flinke bijdrage was gegeven, hoe had deze dan beter besteed moeten worden?

In 1894 stelt de burgemeester van Westdongeradeel aan A. Duparc, de secretaris van de provinciale commissie, voor de mogelijkheid te onderzoeken de vissers van Moddergat haringloggers te verstrekken en voegt er aan toe: "Evenals dit in Vlaardingen geschiedde". Inderdaad, indien met overheidssteun te Oostmahorn aan de goed op diepte blijvende vaargeul een haventje was Ingericht en aan de vissers van Moddergat, slechts 5,2 km van Oostmahorn, in plaats van het bekostigen van het herstel van blazers en aken, een 10-tal goede haringloggers was toegewezen, waarschijnlijk waren de levenskansen van deze vissersplaatsen hierdoor drastisch verbeterd. Het heeft niet zo mogen zijn.

De oorzaak van de teruggang van deze vissersplaatsen is dan ook niet gelegen in de ramp, want reeds in 1891 bestaat de vissersvloot van Moddergat weer uit 18 aken en blazers, 3 tjalken en 1 botter, dus 22 schepen met 102 manschappen.

De vis kwam echter niet meer aan de kust; de "stoom" viste de zee dood. Het ontbreken van een haven maakte verder de visserij in tegenstelling met de visserij In Zoutkamp, erg onrendabel. De concurrentiepositie van de Moddergatster vissers werd hierdoor ernstig aangetast.

De geschiedenis van dit rampenfonds is niet opwekkend. Deze daad van liefdadigheid van ons zo milde volk is helaas verduisterd door teveel tranen van de Moddergatster weduwen en wezen.

Paesens-Moddergat. ten noorden van de brug naar de zeedijk

"DE BEDELING"

"Na het bedanken van den Diaken (W. B. Meinsma) voor zijn gehouden beheer wordt de vergadering met dankzegging gesloten".

Dit was de slotzin van de Kerkenraadsvergadering van Paesens gehouden op dinsdag 6 maart 1883 's avonds om 7 uur. Er werd in de notulen met geen woord over de ramp gerept. Wist men toen nog niet van de verschrikkelijke dingen die er gebeurd waren? Waren de kerkelijke zaken, zoals de te benoemen predikant of het avondmaal dat de volgende week gevierd zou worden, belangrijker?

Waarschijnlijk heeft men er, voordat de vergadering begon, wel over gesproken. Misschien heeft de consulent ds. Langhout van Anjum wel gebeden dat de vissers in de storm behouden terug mochten keren. De ellende en armoede was na de ramp groot, ontstellend groot. Het rampenfonds trachtte in de ergste nood te voorzien.

Wat deed de Kerk, met name de Hervormde Kerk te Paesens, toen nog de enige ter plaatse? Als we de notulen van de Kerkenraadsvergaderingen van 1883 tot 1893 nalezen wordt hier in de ongeveer 80 notuleringen met geen woord gerept over de ramp of hulpacties dien aangaande. Bekijken we de diaconierekeningen van 1883 dan blijkt er wel geld en goederen aan arme mensen gegeven te zijn:

  • Betaald aan A.P. Visser: twintig gulden twee en zestig cents wegens geleverd brood;aan Kornelis Post: f 20,62
  • Voor geleverde aardappelen aan de Weduwen Miedema en Elgersma en aan Kornelis Post, samen: f 16,00
  • Aan Antje Boelens weduwe Ulbe Elgersma in 13 bedelingen à f 1,50. : f 19,50
  • Aan Joukje Jansma aan verschillende gaven: f 7,00
  • Aan Sybrigje Meinema: f 2,00

Al deze mensen blijken geen nabestaanden van de ramp te zijn. Ook de volgende jaren vermelden de rekeningen geen namen van behoeftige vissersvrouwen en kinderen.

Waarom hielp de Kerk van Paesens niet? Misschien was het aantal slachtoffers te groot en de financiële middelen te klein. Wie moest men helpen? Als er één geld kreeg hadden de anderen er ook recht op. Of leed men liever honger en diepe armoede dan bij de Kerk aan te kloppen? Hoe het ook geweest mag zijn, vaststaat wel dat men van kerkelijke zijde niet veel voor de slachtoffers van de ramp deed.

Het batig saldo van de diaconie bedroeg in 1883 f 174,13½. Hiervan had men best iets aan het rampenfonds kunnen geven. Toch heeft men het niet gedaan, althans er blijkt niets uit in de officiële stukken. De kerk was ook niet arm, want men had naast enkele bezittingen zoals land en enkele huizen, geld op de bank staan en wel f 1500,--. Dit was voor die tijd een geweldig bedrag als we bedenken, dat de weduwen, die niets meer konden verdienen, f 2,50 per week van het rampenfonds ontvingen.

In 1888 toen de visvangst al slecht begon te worden, stapten Ate Pieters Visser en Willem Broers Meinsma uit de Hervormde Kerk en met hen praktisch heel Moddergat en nog een deel van Paesens. De diepe ellende dreef de mensen tot God die ze in hun eigen kerk niet meer konden aanbidden. Ze bouwden een nieuwe kerk, de Gereformeerde Kerk. Het is voor een buitenstaander onbegrijpelijk, dat men juist toen, 5 jaar na de ramp, in een algemeen slechte tijd, ook voor de visserij, een nieuwe kerk bouwde. Waar kwam het geld vandaan? Hoe konden ze zo offeren voor een God, die zo onmenselijk wreed was geweest?

Er zijn wel enkele dominees geweest, die zich actief hebben ingezet. Ze zijn ook al genoemd in het deel over het Rampenfonds. Het waren de dominees van Anjum, Langhout tevens consulent te Paesens, en Ploos van Amstel uit Reitsum. Ze beheerden een particulier fonds en gaven hieruit volgens eigen maatstaven.

De oprichting van het monument.

Er werd op de zeedijk een monument opgericht.

Aan de ene kant de Waddenzee, "Maria Vadosa", de grillige binnenzee, die achter het vriendelijke rustige uiterlijk van een warme zomermiddag een inferno van gevaarlijke geulen,slenken en snel omslaande stemmingen verbergt. Die soms haar woede koelt op die zelfde zeedijk. Aan de andere kant een dorp. Moddergat. Als haar naam: nederig, eenvoudig, zich als het ware behoedzaam schuilend voor de vriend en vijand daar achter de dijk. En nu tussen die beide werelden als een grenspaal haar vinger waarschuwend omhoog wijzend, een monument, opgebouwd van basalt. Ingemetseld een steen, met het opschrift:

1883 6, maert 1958

In het Nederlands

A.D. 1883 stieken fan dit plak
109 fiskers mei 22 skippen yn sé.
Yn in swiere stoarm binne 83
83 man en 17 skippen bleaun.
As de dea it skip berint
Dan is der gjin ûntkommen.
O wetter, o wif elemint!
De sé hat jown, hat nommen.

A.D. 1883 kozen van deze plek
109 vissers met 22 schepen zee.
In een zware storm 83
Man en 17 schepen gebleven.
Als de dood het schip bedreigt
Dan is er geen ontkomen.
O water,o onzeker element!
De zee heeft gegeven, heeft genomen.

Een korte mededeling slechts, maar met een ontstellende inhoud. Een inhoud die het beeld oproept van een ontzettend gebeuren. en het was dit gebeuren dat herdacht is door de oprichting van een monument dat op 6 maart 1958 door de Commissaris der Koningin in de provincie Friesland, Mr.H.P. Linthorst Homan, werd onthuld.



Fryslân DOK: Arme Visschers, it fergetten liet fan de fiskersramp


www.museummoddergat.nl

Fiskerspaad 4-8a
9142 VN Moddergat (Route)
tel. 0519-589454 | fax 0519-589512
e-mail info@museummoddergat.nl
Facebook