Home » Historie-Friesland » De ramp van Moddergat » De ramp van Moddergat (2)

De ramp van Moddergat (2)

De W.L 8

De W.L 8 Heette "De Vier Gebroeders"

Dit soort namen kwamen veel voor en wijst op uitermate hechte onderlinge familiebanden. Deze aak was gebouwd in 1859 en had een waarde van f 4000,- Water verplaatsing 32 ton. Eigenaren waren: Gooitsen Sapes van der Zee 1/4, Bote H. Groen1/3, Weduwnaar Siebe van der Zee1/4, K. J. de Haan 1/12, Hille A. Groen 1/12.

De omgekomen bemanning bestond uit:

  • De schipper Bote Hilles Groen, (-1883) 43 jaar, Gehuwd (Nabestaanden, Vrouw Jantje Douwes Visser 41 jaar, Douwe 10 jaar, Sape 7 jaar, Siebe 4 jaar) a.b.
  • Verder zijn zoontje Hille Botes Groen, (-1883) 13 jaar. Deze ging mee voor Gooitsen Sapes van der Zee, die bij het uitvaren ziek was;
  • Sape Gooitzen van der Zee, (-1883) 43 jaar, Gehuwd (Nabestaanden, vrouw Feikje Aants Post 42 jaar, Gooitzen 8 jaar, Aafke 6 jaar, Aangenomen kind Aant 6 jaar)
  • Teake Montes Visser, (-1883) 50 jaar Gehuwd, (Nabestaanden, vrouw Jeltje Klazes Groen 47 jaar, Richgtsje 18 jaar, Elisabeth 16 jaar, Johannes 14 jaar, Anna 11 jaar, Kornelis 9 jaar, Trijntje 6 jaar, Hielke 3 jaar,) Zoon Klaas, 24 jaar en Minte, 21 jaar. Omgekomen met de W.L 14.
  • Dirk Sijbes van der Zee, (-1883) 23 jaar, ongehuwd, woonde in bij zijn moeder Jantje Dirks Jansma, 53 jaar, Sape, 27 jaar (verstandeloos)

Enkele dagen na de ramp werd in de keren voor Paesens het z.g. "Braadspit" van dit schip gevonden. En hiermede brak het riet der laatste hoop, dat dit schip misschien nog beschutting had gevonden bij een van de Duitse Waddeneilanden. De aak strandde op de Oostkant van Engelsmanplaat en ging geheel verloren.

d8baafe2f1f6458c8a7aca4d4c5581a2.jpg
  • Bote Hilles Groen (-1883)
  • Hille Botes Groen (-1883)
  • Sape Gooitzen van der Zee (-1883)
  • Teake Montes Visser (-1883)
  • Dirk Sijbes van der Zee (-1883)

De W.L 9

De W.L 9 Heette "De Jonge Dirkje". Het was een blaas, in 1879 door W. Zwolsman te Makkum, gebouwd. Groot 36 ton. Waarde f 6000,- De eigenaren waren: Wed. Dirkje Andries de Jong, Wed. Jan P. Visser 1/2, Sjolle P. Visser 1/2.

De omgekomen bemanning bestond uit:

  • Auke Wietzes de Vries, (-1883) schipper 39 jaar Gehuwd (Nabestaanden vrouw Martje Jans Visser 38 jaar, Dirkje 10 jaar, verder inwonend Dirkje Andries de Jong, wed. van Jan Pieters Visser,72 jaar.
  • Pieter Wietzes de Vries, (-1883)  te Paesens, 40 jaar Weduwnaar (Nabestaanden Kornelis 20 jaar, Doeke 18 jaar, Treintje 13 jaar, Elisabeth 9 jaar, Anna 8 jaar, Doetje 4 jaar.)
  • Folkert Wietzes Visser, (-1883) 26 jaar Ongehuwd.
  • Douwe Tietes Visser, (-1883) 48 jaar Gehuwd. (Nabestaanden vrouw, Saapke Jans Visser 46 jaar, Pieter 15 jaar,)
  • Jan Jans Buurmans, (-1883) 52 jaar Gehuwd. (Nabestaanden vrouw, Sjutsje Martens Post, 53 jaar, Heiltje 22 jaar) zoon Jan 25 jaar omgekomen op de W.L 20. 

De plaats van stranding van deze blaas is onbekend gebleven, er werd niets van geborgen, de zee had het schip met man en muis verzwolgen.

  • Auke Wietzes de Vries (-1883)
  • Pieter Wietzes de Vries (-1883)
  • Folkert Wietzes Visser (-1883)
  • Douwe Tietes Visser (-1883)
  • Jan Jans Buurmans (-1883)

W.L 11

De W.L 11 droeg de naam "De Twee Gezusters", maar werd ook wel genoemd "Elisabeth". Het in 1872 gebouwde schip mat 30 ton en had een waarde van f 5000,- De eigenaren waren: Bote Foppes, 1/2, J. Hansma te Dokkum, 1/2

De omgekomen bemanning bestond uit:

  • Bote Foppes Groen, (-1883) 50 jaar Gehuwd (Nabestaanden vrouw, Renske Aants Post 47 jaar, Janke 20 jaar, Jantje 18 jaar)
  • Kornelis Aants Post, (-1883) 39 jaar Gehuwd (Nabestaanden vrouw, Jantje Pieters Schregardus 39 jaar, Aant 12 jaar, Pieter 5 jaar,)
  • Fopke Foppes Steensma, (-1883) 49 jaar Gehuwd (Nabestaanden vrouw, Sepke Wiltje Meindertsma 44 jaar, Elisabeth 19 jaar Wiltje 13 jaar, Fopke 10 jaar, Treintje 5 jaar.)
  • Sjolle Minnes Zeilinga, (-1883) 69 jaar Weduwnaar.
  • Age de Jong, (-1883) 26 jaar, gehuwd (Nabestaanden vrouw Mientje Sjolles Zeilinga 24 jaar.)

Deze aak strandde op 12 maart op de bosplaat van Terschelling. Door Wiltje Aants Post en Tjerk Johannes Schregardus werd het geborgen en was reeds op 16 april in Dokkum voor reparatie. W. Dijk herstelde dit vaartuig voor f 2000,- en op 12 juni d.a.v. kwam het weer in de vaart. Later werd de aak door de vissers. De "Alde Blauwe" genoemd.

5fa949f3330a4fb5b6be53b841280ba7.jpg
  • Bote Foppes Groen (-1883)
  • Kornelis Aants Post (-1883)
  • Fopke Foppes Steensma (-1883)
  • Sjolle Minnes Zeilinga (-1883)
  • Age de Jong (-1883)

De W.L 12

De W.L 12 heette "De Jonge Wealtjes"*Het was een blaas van 36 ton en in 1881 door W. Zwolsman te Makkum, gebouwd. De waarde bedroeg f 7000,- De eigenaresse was Weduwe Wealtje K. Post.*

De omgekomen bemanning bestond uit:

  • Frederik Wealtjes Post, (-1883) schipper, 33 jaar gehuwd (Nabestaanden vrouw Dirkje Wietzes de Vries 34 jaar, Wealtje 5 jaar, verder inwonend Eelkje Frederik Sousma, weduwe van Wealtje Kornelis Post 72 jaar *)
  • Kornelis Wealtjes Post, (-1883)  46 jaar, gehuwd (Nabestaanden vrouw Treintje Pieters Visser 47 jaar, Minke 13 jaar, Eeke 9 jaar, Wealtje 6 jaar,)
  • Haye Dirks de Boer, (-1883) 71 jaar de oudste van de bij de ramp omgekomen mensen, gehuwd, (Nabestaanden vrouw Gietje Jans Verhagen 76 jaar, Thijs 37 jaar,)
  • Monte Lieuwes Koudenburg, (-1883) 63 jaar, gehuwd (Nabestaanden vrouw Atsje Jacobs de Jong 51 jaar, Jacob 21 jaar, Ate 20 jaar, Aafke 16 jaar, Martje 12 jaar)
  • Jan Wietzes de Vries, (-1883) te Paesens, ongehuwd.

"De Jonge Wealtjes" in zijn naam waarschijnlijk een eerbetoon dragend voor de vader van de twee broers aan boord, is ten zuiden van Ameland gezonken en reddeloos verloren gegaan.

SAM_032713.jpg
  • Frederik Wealtjes Post (-1883)
  • Kornelis Wealtjes Post (-1883)
  • Haye Dirks de Boer (-1883)
  • Monte Liewes Koudenburg (-1883)
  • Jan Wietzes de Vries (-1883)

* Wealtsje Aelts Post en een opname van het interieur van herberg te Paesens van 'De weduwe Wealtsje Aelts Post'


De W.L 14

De W.L 14, "De Vier Gezusters" Deze blaas was in 1878 te Makkum door Jan H. Alkema gebouwd. De waarde bedroeg f 6000,- De eigenaren waren Frederik Willems Lei 2/3, Willem Tietes Visser 1/3.

De omgekomen bemanning bestond uit:

  • Willem Tietes Visser, (-1883) schipper 52 jaar, gehuwd (Nabestaanden vrouw Jantje Wiltjes Meinderstma 46 jaar, Treintje 21 jaar, Tietje 17 jaar, Eeke 12 jaar, Pietje 10 jaar,)
  • Tiete Frederiks Lei, (-1883) 30 jaar, Gehuwd (Nabestaanden vrouw Orseltje Aukes Visser 26 jaar, Frederik 3 jaar, Aukje, 1½ jaar, Tjeen 6 maanden.)
  • Klaas Teakes Visser, (-1883) 24 jaar, ongehuwd.
  • Minte T. Visser. (-1883) 21 jaar, zoon van Teake Montes Visser van de W.L 8.
  • Monte Pieters van der Lei, (-1883) 28 jaar, gehuwd, (Nabestaanden vrouw Hiltje Engels van Dijk 29 jaar, Pieter 2 jaar,)

De W.L 14 kwam terecht op het Amerlanderstrand en kon gered worden. W. van Dijk, scheepsbouwmeester te Dokkum, herstelde het vaartuig ten koste van f 2646,87,- Het kon wegens het gebrek aan geschikte bemanning niet eerder dan in 1884 weer uit varen.

SAM_032715.jpg
  • Willem Tietes Visser (-1883)
  • Tiete Frederiks Lei (-1883)
  • Klaas Teakes Visser (-1883)
  • Minte T. Visser (-1883)
  • Monte Pieters van der Lei (-1883)

De W.L 16

De W.L 16 "De Twee Gebroeders" stond onder bevel van de schippereigenaar Hendrik Jans Pilot. Het was een in 1875 gebouwde aak van 32 ton, waarde f 5500,-

De omgekomen bemanning bestond uit:

  • Hendrik Jans Pilot, (-1883) 61 jaar, Gehuwd (Nabestaanden vrouw Eelkje Williams Mans 60 jaar, Anna 23 jaar, Gooike 17 jaar.)
  • Jan Hendriks Pilot, (-1883) 31 jaar, gehuwd (Nabestaanden Vrouw Mesina Thijns Dubblinga 32 jaar, Wietske 9 maanden, (Zie foto De W.L 7) Jantje geboren na de ramp en vernoemd naar zijn omgekomen vader.)
  • Willem Hendriks Pilot, (-1883) 29 jaar, gehuwd (Nabestaanden vrouw Aaltje Annes Groen 25 jaar, Willemke geboren na de ramp en vernoemd naar de omgekomen vader.)
  • Minne Thijns Dubblinga, (-1883) ongehuwd 22 jaar, woonde bij twee zusters. Trijntje 36 jaar, Minke 27 jaar.
  • Jacob Aatzes Koudenburg, (-1883) zoon van Aatzes Lieuwes Koudenburg, van de W.L 5, ongehuwd.

De plaats van stranding van dit vaartuig is volslagen onbekend. Ook het aanspoelen van enig wrakstuk is nergens geregistreerd. Het vaartuig verdween zonder enig spoor achter te laten.

  • Hendrik Jans Pilot (-1883)
  • Jan Hendriks Pilot (-1883)
  • Willem Hendriks Pilot (-1883)
  • Minne Thijns Dubblinga (-1883)
  • Jacob Aatzes Koudenburg (-1883)

De W.L 17

De ondergang en redding van de W.L 17 is wel een van de meest bewogene geweest van deze ramp. De W.L 17 was een in 1873 gebouwde aak van 32 ton met een waarde van f 4500,- De naam was "De Twee Gebroeders" De eigenaren waren: Wed. Einte Sapes van der Zee, T. Hacquebord van Dokkum was voor f 2250,- medebelanghebbende.

De omgekomen bemanning bestond uit:

  • Jan Eintes van der Zee, (-1883) schipper, 29 jaar, ongehuwd woonde bij zijn moeder Antje Jan Visser Weduwe van Einte van der Zee, 66 jaar, en een zuster Leentje 25 jaar,.
  • Sape Eintes van der Zee, (-1883) 32 jaar, gehuwd (Nabestaanden vrouw Sijke Foppes Post 33 jaar, Montje 2 jaar, Anna 6 maanden)
  • Auke Martens Buurmans, (-1883) 59 jaar, gehuwd (Nabestaanden vrouw Eelkje Eintes de Vries 62 jaar, Jitske 33 jaar, Marten 21 jaar,) Zijn zonen Klaas en Einte kwamen om met de W.L 6.
  • Hendrik Pieters Visser, (-1883) 34 jaar, gehuwd (Nabestaanden vrouw Martje Douwes Basteleur 37 jaar, Douwe 9 jaar, Sibbeltje 7 jaar, Pieter 6 jaar, Gelf 3 jaar, Aelze 1 jaar) 
  • Gerlof Aants Post, (-1883) 46 jaar, gehuwd (Nabestaanden vrouw Akke Jans Jansma 48 jaar, Frederikje 22 jaar, Martje 19 jaar, Antje 13 jaar, Aant 11 jaar)

Op 10 maart 1883, dus 4 dagen na de ramp, drijft deze boot op de balggronden en werd er een tros en een zilveren horloge geborgen. Een dag later komt het bericht, dat het schip weer uit het gezicht verdwenen is en op nieuw een zwerftocht voor onze Waddenkust is begonnen. Na ongeveer een week strand het definitief op het Amelanderstrand en werd het met succes geborgen. Ook dit schip werd hersteld. Het is het enige schip dat zonder hulp van het fonds weer in de vaart werd gebracht.

  • Jan Eintes van der Zee (-1883)
  • Sape Eintes van der Zee (-1883)
  • Auke Martens Buurmans (-1883)
  • Hendrik Pieters Visser (-1883) Gerlof
  • Aants Post (-1883)

De W.L 19

De W.L 19 was een aak genaamd "De drie Gebroeders" Gebouwd in 1871, waarde f 4500,- De eigenaren waren: Douwe de Haan 3/8, Cornelis de Haan 3/8, Burgermeester Doederus de Vries, van Dokkum 1/8, Apotheker Boekhout van Dokkum 1/8.

De omgekomen bemanning bestond uit:

  • Douwe Jacobs de Haan, (-1883) schipper ,51 jaar, Gehuwd (Nabestaanden vrouw Treintje Andreis Botstra 53 jaar, Trijntje 18 jaar)
  • Zijn zonen Jacob Douwes de Haan, (-1883) 24 jaar, ongehuwd.
  • Andries Douwes de Haan, (-1883) 22 jaar ongehuwd.
  • Verder aan boord zijn broer Cornelis Jacobs de Haan, (-1883) 47 jaar, gehuwd (nabestaanden vrouw Leentje Hilles Groen 47 jaar, Treintje 20 jaar, Richtje 17 jaar.
  • En diens zoontje Hille. C. de Haan, (-1883) 12 jaar)

De W.L 19 is aanvankelijk gestrand op Schiermonnikoog, later hiervan weer weggeslagen en verdwenen. Op de kust van Groningen zijn later nog enkele wrakstukken aangespoeld.

SAM_03261.jpg
  • Douwe Jacobs de Haan (-1883)
  • Jacob Douwes de Haan (-1883)
  • Andries Douwes de Haan (-1883)
  • Cornelis Jacobs de Haan (-1883)
  • Hille Cornelis de Haan (-1883)

De W.L 20

De W.L 20 heette de "Vrouw Jeltje" en was een in 1878 in Makkum gebouwde blaas. De bouwer was W. Zwolsman, terwijl het ijzerwerk geleverd werd door Klaas Willem Hoogeboom, de smid die voor de meeste in Makkum gebouwde blaazen het ijzerwerk leverde. Deze smederij, die later verplaatst is, bestaat nog steeds en maakt ook nu nog ijzerwerk voor de vaartuigen van de kustvisserij. De waarde van deze blaas was f 5500,- Groot 32 ton. Eigenaresse: Jeltje Douwes Douma, Weduwe van Sietse Foppes Groen.

De omgekomen bemanning bestond uit:

  • Tjeerd Sietse Groen, (-1883) schipper, 20 jaar, ongehuwd (woonde bij zijn moeder wed. Sietze Foppers Groen 43 jaar, zijn zuster Treintje 17 jaar, en broers Douwe 15 jaar, en Foppe 9 jaar)
  • Jan Folkert Visser, (-1883) 47 jaar, gehuwd (Nabestaanden Vrouw Sijke Aants Post 48 jaar, Jantje 17 jaar, Folkert 12 jaar,)
  • Taeke Pieters Visser, (-1883) 24 jaar weduwnaar.
  • Tjerk Eelzes Schregardus, (-1883) 25 jaar, gehuwd (Nabestaanden vrouw Martje Gerlofs Visser*, Gooike 9 maanden)
  • Jan Jans Buurmans, (-1883) 25 jaar ongehuwd zoon van Jan Jans Buurmans van de W.L 9.

 Deze blaas is gezonken aan de kust van Ameland.

SAM_03262.jpg
  • Tjeerd Sietse Groen (-1883)
  • Jan Folkert Visser (-1883)
  • Taeke Pieters Visser (-1883)
  • Tjerk Eetzes Schregardus (-1883)
  • Jan Jans Buurmans (-1883)

* Martje Gerlofs Schregardus, was 23 jaar toen haar man omkwam.


De W.L 21

Het laatste schip was de W.L 21 genaamd "De Jonge Marten". Ook dit schip was in Makkum op de werf van W. Zwolsman gebouwd. Bouwjaar 1877, groot 36 ton waarde f 6000,- De eigenaren waren: Freedrik Martens Lei 2/5, Wed. Gerben Martens Lei 1/5, Bote Lieuwes Koudenburg 1/5, Eelze Tjerk Schregardus 1/5.

De omgekomen bemanning bestond uit:

  • Frederiks Martens Lei, (-1883) schipper 52 gehuwd (Nabestaanden vrouw Tietje Tietes Visser 63 jaar.)
  • Zijn zoon Marten Frederiks Lei, (-1883) 32 jaar ongehuwd,
  • Eelze Tjerks Schregardus, (-1883) 51 jaar gehuwd (Nabestaanden vrouw Gooike Sietzes Visser 53 jaar, Janke 21 jaar, Jantje 18 jaar, Sietske 12 jaar,)
  • Marten Gerbens Lei, (-1883) 30 jaar, ongehuwd.
  • Bote Lieuwes Koudenburg, (-1883) 56 jaar, gehuwd (Nabestaanden vrouw Antje Tjerks Schregardus 56 jaar, Brechtje 21 jaar)

De W.L 21 strandde op de Zuidwal van Schiermonnikoog. Het vaartuig werd evenwel zeer spoedig weer vlot gemaakt en afgebracht naar Ezumazijl.

Op de werf van W. Dijk te Dokkum voor f 1649.48 weer hersteld en in augustus weer in de vaart gebracht. In 1902 is dit vaartuig op het strand van Borkum uit elkaar geslagen, nadat de bemanning door de reddingsboot was gered.

SAM_03263.jpg
  • Frederik Martens Mei (-1883)
  • Marten Frederiks Lei (-1883)
  • Eetze Tjerks Schregardus (-1883)
  • Marten Gerbens Lei (-1883)
  • Bote Lieuwes Koudenburg (-1883)

Hiermede is de droeve rij afgesloten. Van de drie en tachtig omgekomen mensen hebben slechts veertien hun laatste rustplaats op het kerkhof van Paesens mogen vinden.

Hier volgen hun namen: Hille Botes Groen, Douwe Jelles Basteleur, Aant Tietes Post, Kornelis Aants Post, Aatse Lieuwes Koudenburg, Klaas Taekes Visser, Hille Kornelis de Haan, Auke Martens Buurmans, Willem Tietes Visser, Jan Gooitsen Basteleur, Kornelis Wiltjes Post, Jan Wietzes de Vries, Gooitsen Jans Basteleur, Kornelis Sipkes Visser.

Over twee van deze slachtoffers vertelt de Nieuwe Dockumer Courant meer bijzonderheden:

Arme vissers.

Nog een vertelling van dokter Schelthuis: Het was de 6e maart. Hendrik Schelthuis was jarig en Gerrit, Johan en Lize waren bij hen op bezoek. Toen 't tegen het einde van de avond liep en de kinderen moe van 't spelen, rustig bij een zaten, zei dokter, nooit zal ik op deze dag de ontzettende ramp vergeten, waarvan ik in 1883 bijna ooggetuigen was. De kinderen, die zich nog goed herinneren, hoe mooi dokter verteld had van de vervolging door wolven, schaarde zich al gauw om hem heen, en of dokter wilde of niet, hij moest vertellen.

Ik was toen een jongen van jullie leeftijd en woonde in Moddergat, een vissers dorpje aan de Noordkust van Friesland. De meeste dorpelingen leefde daar toen nog van de visvangst. Hun visserij was kustvisserij. Bij hoog water voeren zij af, met pramen naar zee, waar onder bescherming van de Engelsmanplaat de aken en enkele blazers lagen. Hierop stapte ze over, zeilde het Friese gat uit, om bij noorden Ameland en Schiermonnikoog te gaan vissen, en 12 of 24 uur later bij vloed weer terug te keren.

Alleen in het voorjaar ging een vloot voor een week of drie uit, om verder op schol te vissen. Maar tegen zulke tochten waren de kleine scheepjes eigenlijk niet bestand. Nu was 't in 't laatst van februari of begin maart van 't jaar 1883. 't Weer stond er niet naar, om al met de visserij te beginnen. Nog hoor ik de oude visser, die bij ons op bezoek kwam, op de vraag van mijn vader antwoorden: nou 'k denk niet dat we de volgende week al de schol gaan opzoeken. 't Weer is nog zo slecht en de nachten zolang.

Toch werd Vrijdag of Zaterdag het plan om uit te varen vastgesteld en 's maandagsmorgens vroeg, de 5e Maart, vertrokken de schuiten. Twee en twintig scheepjes vertrokken naar zee. Slechts vijf er van zouden terug keren. Twee van mijn vriendjes gingen ook mee, voor het eerst van hun leven. De ene werd pas na bidden en smeken meegenomen.

De tweede had ook al vaak gevraagd, om toch eens mee te mogen gaan, maar 't was hem steeds geweigerd. Nu was er op de schuit van zijn vader een visser ziek en moest hij mee. Doch plotseling had hij geen zin. Zou hij een voorgevoel hebben gehad van het geen hem wachtte? In zijn vrees liep hij zelfs 's morgens weg, doch men liep hem na en hij werd nogal hardhandig naar het schip gebracht, Geen van beide jongens heb ik terug gezien. Hun eerste reis was ook hun laatste.

Van deze droevige afloop had men natuurlijk die Maandagmorgen geen vermoeden. De vrouwen en kinderen brachten hun mannen, vaders, broeders, ooms, en neven weg, zagen hen aan boord gaan, uit zeilen en in de verte verdwijnen. Dat hadden ze al zo vaak gezien. Waarom zouden ze nu angstiger zijn dan op andere dagen?

Maar Dinsdag tegen de avond begon het slecht weer te worden, hevige ruk winden met hagel en sneeuwbuien. De ganse nacht duurde de storm voort en verergerde met ieder uur. Toen sloeg de achtergeblevenen de angst om het hart. Oude van dagen lagen wakker, herinnerde zich hun eigen gevaren uit vroeger tijd, ze zagen in hun verbeelding de kleine scheepjes strijden tegen wind en golven.

Vrouwen brachten de nacht wakend en biddende door, meer malen hadden ze gezien, hoe in andere gezinnen, de man was weg genomen, zou het nu haar beurt zijn? Velen hadden een familie lid te betreuren, of wisten wie het was, bij het aangespoelde lijk van een geliefde vader of broeder te staan, of hadden op de dijk uit gezien naar hun schip, dat nimmer, nimmer terug zou keren.

Hoor hoe de rukwinden gieren om de lage huisjes om de kerktoren. Hoor, hoe de zee buldert buiten de dijk. En als ze in hun angst een ogenblik hun huis verlaten, zien ze niets dan dikke duisternis, alleen 't schijnsel van de lamp, vlak bij de deur een dooreen gevlieg van spookachtige sneeuwvlokken. Wat zal deze nacht geven!

De volgende Woensdagmorgen ontwaken de kinderen. Zij althans hebben geslapen. Maar nu ze de storm horen, die nog steeds voort woedt, nu ze moeder en grootmoeder zien, wel kalm, wel zwijgend, maar wel met smartvolle angst in de ogen, nu worden zij ook onrustig. Stil kleden zij zich aan, ontbijten, kijken naar buiten. Dan gaan langzamerhand enkele vrouwen en meisjes, enkele jongens naar de dijk, of er wellicht iets te ontdekken valt. Ze weten het wel, de zee zal niets te zien geven dan hoge golven en vliegend schuim, maar ze kunnen het thuis niet uithouden, in de stilte van de kleine kamer is het hun te benauwd.

Als er maar een tipje van een mast mocht op dagen, zou dit al hoop geven. Uit zee moeten toch de vaders en broeders terug komen, dicht bij zee willen ze blijven om het allereerste teken van behoud te mogen begroeten. Doch, al dwalen ze de ganse Woensdag langs de dijk, er komt geen schip en moedeloos keren ze 's avonds weer naar hun kamers terug, om daar dodelijk vermoeid in slaap te vallen, doch telkens weer wakker te schrikken door een angst, die van geen slaap weten wil.

Die angst werd maar al te smartelijk bewaarheid. Terwijl de achtergeblevenen uitzagen naar zee, had deze reeds vele schepen met ganse bemanning verzwolgen. Vijf of zes schuiten, die 's Woensdags nog bij elkaar waren, waagde het om naar binnen te stevenen. De voorste, nog maar op korte afstand van het stillere water, sloeg om. Vlak daarachter vloog een andere schuit, waarop een broer stond van een der vissers, die daar voor hun ogen waren vergaan. Op niet meer dan twintig meter vlogen ze voorbij, ze zagen nog een makker van hen in de golven, ze konden hem niet redden, de wind sloeg hen weg.

Drie of vier schuiten kwamen te Oostmahorn binnen. De geredde bemanning kon slechts de boodschapper zijn van smartelijke tijden. Verschillende schepen hadden ze voor hun ogen zien omslaan. En de anderen, die reeds van te voren uiteen waren geslagen,- de volgende dagen werd hun lot verhaald door de wrakken, die men op de kusten van Ameland, Terschelling, Schiermonnikoog en andere plaatsen vond. Het hele dorp was verslagen. Sommige families hadden al hun mannelijke leden verloren.

Schuin voor ons woonde een oude visser, die door deze ramp in één slag berooft was van zijn drie zoons, een schoonzoon, en elf neven. De man was als versuft. Doch wáár was een huis waar niet getreurd werd? Slechts vijf van de twee en twintig schepen waren teruggekeerd. En dan werd nog één op een wonderbaarlijke wijze gered. Dat was Gerben Basteleur. Zijn verhaal heeft men woordelijk uit zijn mond opgetekend.

Uit de Leeuwarder courant van 1883.

Ontzettend is de toestand hier en in het Moddergat. Maandag j.l. staken de visschers van hier in zee. Ernstig maakte men zich over hen bezorgd bij het onweer in den nacht van maandag op dinsdag. De visschersaken toch zijn tegen geen stormen en hooggaande golven bestand. Nu waren ze afgevaren ter scholvangst, op veel grooter afstand dan ze in het najaar doen ter schelvischvangst.

Dinsdag kwamen van de twee en twintig vaartuigen drie te Oostmahorn binnen. Ontzettende geruchten verspreidden zich toen. De onrust steeg echter tot wanhoop, toen Woensdag morgen wrakhout en goederen in overvloed aan het strand spoelden, en hout en goederen van hier thuis behoorende schepen werden herkend.

Het gekerm, gejammer, gegil der visschersvrouwen was hartverscheurend. Eén vaartuig was hier gearriveerd. Van de anderen niets dan de slechtste tijdingen, - van velen reeds de zekerheid, dat ze waren vergaan. Van veertien vaartuigen meent men nu reeds volkomen zekerheid te hebben, dat ze zijn omgeslagen. Van de overige vier wordt niet anders verwacht.

Wie is in staat de ellende alhier te schetsen. Mijne pen is daartoe niet bij magte. Ik zag heden eene moeder meer dood dan levend huiswaarts dragen. Zij heeft drie zoons en een schoonzoon bij deze ramp verloren. Naar men gelooft, zijn achttien vaartuigen met negentig man, waarvan ongeveer 60 hoofden van gezinnen, omgekomen. De visscherij, het hoofdmiddel van bestaan alhier, is zoo goed als vernietigd. Geen der visschersaken is verzekerd. Goed en bloed, alles is verloren.

Het bovengemeld vermoeden krijgt te meer grond, met het oog op een berigt uit Schiermonnikoog, dat daar in den nacht van 5 op 6 dezer verscheidene wrakstukken van vischaken zijn aangespoeld, vermoedelijk afkomstig van de vaartuigen nrs. 8, 6, 10, 16 en 4 allen te Moddergat tehuis behoorende. In de branding bij Schiermonnikoog lag nog onderste boven de vischaak Nooit Gedacht, schipper G. J. Basteleur, van Moddergat.

Nadat de burgemeester van Schiermonnikoog zich naar het strand had begeven, kwam hij op de gedachte, het omgekeerde vaartuig nader te onderzoeken, om te zien, of er zich ook lijken in bevonden. Twee jonge zeelieden sprongen er op, en, naauwelijks op het vlak of de kiel omloopende, hoorden zij een vreeselijk gejammer beneden in het schip.

Dadelijk ging men met zagen en bijlen aan het werk, om een gat in het vlak van het schip te kappen. Dit gelukte spoedig, en hierna mogt men de voldoening smaken, nog één der bemanning levend naar boven te halen.

Het was een der beide zoons van den schipper Basteleur. De laatste was met zijn anderen zoon en neef den vorigen dag bij het kenteren van het schip reeds over boord geraakt, terwijl de oom, die bij den geredde nog aan boord was, naast hem staande in het vaartuig was bezweken.

Wel mag dit eene buitengewone redding worden genoemd, als men weet, dat de bedoelde persoon ongeveer twintig uren in het omgekeerde vaartuig had doorgebragt en slechts even het hoofd boven water had kunnen houden. Ieder visschersvaartuig had eene waarde van ongeveer f 6000. Pleisters voor de niet te heelen wonden, zijn dringend noodzakelijk. (10-3)

Het genoemde stormveld moet wel een grote uitgebreidheid hebben gehad. Want naast de 17 schepen van Moddergat en Paesens, vergingen er ook 3 schepen uit Zoutkamp met 9 man, 8 schepen van Urk met 26 man en één schip uit Nieuwendiep met drie man. Zeven schepen uit Urk vergingen in het Goereese Gat bij een poging achter de loodskotter veilig naar binnen te komen, één schip stranden op het strand van Bloemendaal. Ook op de Oostkust van Engeland zijn verschillende schepen ten onder gegaan.

Voorwaar, toen bij zonsondergang op de zesde maart 1883 de storm luwde, de wind ruimde naar het Noordoosten, en hagelbuien achter wegen bleven, en de vrouwen en kinderen op de Oere bij Moddergat zich weer op de zeedijk staande kon de houden om uit te kijken naar de lage horizon, kon met recht gesproken worden over een rampdag voor de kustvisserij op de Noordzee.

In Nederland waren die dag 121 vissers verdronken, achterlatende 80 weduwen en 200 minderjarige kinderen. De natuur had toegeslagen, het onberekenbare weer had deze mensen bedrogen en ten ondergang gevoerd en op nieuw kon men zeggen..........en de vis word duur betaald!

Aan de voet van de dijk het beeld van 'De vissersvrouw met kind' gemaakt in 2008 door kunstenaar Hans Jouta. Foto van: wikimedia.org


PDF
Namen van bemanningen en schepen Moddergat
PDF [131.9 KB]
Download (2 downloads)
TOP