Home » Historie-Friesland » De ramp van Moddergat

De ramp van Moddergat

R. IJbema en H. de Haan.


De golfslag kust het breede strand,
en van het land
Staart menig oog zoo droef en strak
Op 't watervlak,

Als smeekte 't aan die wijde plas:
‘Geef weder, wat mij dierbaar was.’
Doch 't antwoord bruist in hol gegrom:
‘'k Gaf nimmer iets weerom!’

De golfslag beukt het rulle duin,
en van zijn kruin
Vraagt menig kind aan 't grauw verschiet:
‘Keert Vader niet?’

Maar grommend klinkt het langs het strand:
‘Ik breng zijn laatsten groet aan land!
Daar ginder ver vond hij den dood!
Hij rust in mijnen schoot!’


+ = Plaats van stranding van de vissersschepen.

Het weer tijdens de ramp.

De kelders waren leeg, de schulden bij de bakker, kruidenier en andere leveranciers stegen, en het gedwongen niets doen maakte de mannen onrustig en wanhopig; de vrouwen niet minder. Al het werk dat in de winter moest gebeuren aan de schepen was klaar en toen dan ook van 28 februari tot 4 maart 1883 voortdurend een hogedrukgebied met barometerstanden van 770mm tot 779,75 voor prachtig voorjaarsweer zorgde, waren ze niet meer te houden.

De schepen werden van uit hun winterligplaats, Ezumazijl, gehaald en op de Paesumerrede voor anker gelegd. De wind richting was op de 4de maart O N O maar draaide in de nacht van zondag op maandag naar N en W N W. Het doel van de reis was het zogenaamde scholveld. Dit gebied bestaat uit zandruggen ter diepte van 6-7 vadem (1vadem is 1,88 m) waartussen geulen met een diepte van 9-12 vadem. Het is gelegen ten noordoosten van Borkum. Volgens overlevering was hier een graanschip gezonken waar allerlei soorten vis op af kwam. De afstand naar het scholveld bedroeg ongeveer 50 kilometer.

In tegenstelling tot de algemene opvatting vond het vertrek 's nachts om plm. half één plaats. Toen het om plm. half zes licht werd, waren de schepen op de plaats van bestemming. Volgens de waarnemingen uit Leeuwarden betreffende de barometerstand en de wind op maandag 5 maart was het weer die dag tamelijk goed.

De luchtdruk was de hele dag nog aan de hoge kant, maar wel dalende, met toenemende snelheid, bij een wat aangroeiende wind, krimpend van west naar zuidwest. Het K.M.N.I voorspelde, Noordoostwaarts veraf is een depressie met een barometer stand van 755 mm. Verwachting Noordwestelijke wind en betrokken. Op het scholveld is de wind waarschijnlijk slechts van N.O naar W.N.W gedraaid, waarna hij omstreeks het middag uur uit N W begon aan te wakkere.

Een der ooggetuigen verklaring vertelde dat er een zwarte lucht plat op het water kwam aan zetten die zodra men er onder door kon kijken een storm deed op steken vergezeld door hagel en sneeuwbuien. Dit storm veld was zeer uitgestrekt en nam gedurende nacht in hevigheid toe, om dat volgens de waarnemingen te Utrecht zich veraf Oostwaarts een depressie met een luchtdruk van 755 mm kwikdruk. Dit is waarschijnlijk de gepasseerde depressie geweest welke zich op het vaste land van Europa uitdiepte.

Even laten wij ons verleiden tot een kleine veronderstelling. Indien op de maandagmiddag de weerberichten hadden kunnen worden beluisterd, dan zouden ze op dat ogenblik hebben geluid. In district noord, de wind toenemend tot storm uit het noord westen, in de nacht toenemend tot zware storm uit richtingen van noordwest tot noordoost.

Ongetwijfeld was dan het besluit gevallen zo gauw mogelijk naar huis. Het heeft niet zo mogen zijn. Eerst in de laten avond toen de storm reeds tamelijk hevig was en de opgezweepte golven van de Noordzee vergezeld van hagel en sneeuwbuien, in volle kracht kwamen aan rollen, begon de vlucht. Deze zware golfslag verenigde zich aan de kust met de nog heersende deining uit oostelijke richting.

Mede door een telkens van richting veranderde wind ontstond er op de vroege dinsdag morgen een zeer ongunstige situatie in het, rijk van ondiepte voorziene, gebied voor de kusten van Rottumeroog tot Schiermonnikoog. Hier bij de Borkumerrif, bij de geldzak, de ballonplaat, het Huibertsgat, Ooster Buitengronden en de Wierummergronden is de zee in haar opstand onberekenbaar, grillig en is navigatie met alleen de zeilen uitermate moeilijk, zo niet onmogelijk.

Een replica van het houten zeilschip waarmee vissers uit Paesens, Moddergat en Wierum eeuwenlang de kost verdienden.

Hierbij kwam nog dat de zware buien oriëntatie op bepaalde punten onmogelijk maakte en de gevaarlijke branding niet vermeden kon worden. Ooggetuigen verhalen ons verder dat ze de zee zelden zo onstuimig hadden gezien en dat het troebele water soms op steeg tot 60 voet. Voegen we al deze omstandig heden bij feit dat deze aken en blazers niet in alle onderdelen zeewaardig genoemd konden worden, dan neigt men tot het oordeel dat een ramp wel onvermijdelijk moest zijn.

Wel waren deze schepen zeer geschikt om voor hun netten bij te leggen, dit is drijven met de steven naar de golven gekeerd, als snelzeilers ook, maar om te lenzen, dus voor de wind de hoogstaande zeeën te ontlopen, waren ze door de lage bouw van het achterschip ten ene male ongeschikt.

De nacht van 5 op 6 maart zal voor deze mensen verschrikkelijk zijn geweest, maar toch zullen zij nog altijd de hoop hebben gehad dat de dageraad zou komen met een afnemende storm. Het tegen deel bleek. De storm nam nog in kracht toe en bereikte in buien zeker windkracht 9 tot 10. Om acht uur 's morgens sloeg het eerste schip om, waarschijnlijk de W.L.7. Dit schip opende de rij.

Omtrent de wijze van vergaan van de schepen bestaat geen eenstemmigheid. Sommige zeggen dat de schepen van achteren besprongen werden door zulke grondzeeën, dat ze kantelde in hun lengteas, weer anderen zeggen dat ze dwarszee sloegen en overzij kantelde. Wanneer het laatste schip vergaan is, is niet bekend maar wel dat de plaats van stranding zich over een kustlijn van 70 kilometer uit strekte.

Omtrent de de plaats van het vergaan van de schepen vertelt J.J. Bruinsma, apotheker te Leeuwarden (1807-1885 in zijn door ons geraadpleegd artikel van 18 juni 1883 in de Leeuwarder Courant o.a. nog dat een drietal ongeveer zes uur ten Noorden van Ameland vergingen. Deze schepen hebben waarschijnlijk de volle zee opgezocht, maar zijn desondanks toch nog vergaan. De meeste schepen vergingen op de gronden voor Schiermonnikoog en de Kalkman (Engelsmanplaat).

Tussen 12 en 16 uur na middag nam de wind in kracht af, maar de zee bleef nog zeer onstuimig, zo dat om half drie als een der laatste schepen de W.L. 2, van Gerben Basteleur, voor de kust van Schiermonnikoog kantelde.

Gerben Basteleur, zoals hij er volgens een oude betrouwbare tekening uitzag.

Gerben Basteleur, tijdens de ramp op zo'n wonderbaarlijke manier gered.

De redding van Gerben Basteleur.
 
Het gerucht zegt dat op Schiermonnikoog zes aken, het ondersteboven op het strand zitten en daar nog een man is gered.
 
'Wie aan de ramp denkt, denkt aan Gerben Basteleur, want spreekt z'n wonderbaarlijke redding uit het omgeslagen schip, de WL 2, niet tot ieders verbazing? Vooral Jan Ligthart en H. Scheepstra hebben Gerben Basteleur bekendheid gegeven door het verhaal van zijn redding op te nemen in een destijds gewilde serie lees boekjes voor de lagere school de wereld in! In 1943 verscheen hier van de 27ste druk.
De oorspronkelijke maker van het verhaal is dominee Dethmers, de eerste gereformeerde predikant van Moddergat en Paesens, die hier stond van 1891 tot 1900. Hij heeft in 1899 het verhaal zo trouw mogelijk op geschreven. Hierin spelen zijn vrouw en zijn kinderen Johan en Lena de rol van belangstellende toehoorders, terwijl hij zelf als voorlezer optreedt. De schrijvers Jan Ligthart en H. Scheepstra hebben deze tekst woordelijk overgenomen, zij het dat zij, voor de duidelijkheid, allen Gerben Basteleur aan het woord lieten.
Het verhaal hieronder is volgens het originele handschrift van Chrisje Visser. Zij heeft het overgeschreven van dominee Dethmers. Chrisje Visser was getrouwd met Andries Zeillinga, visser op de WL 1. Hij was ziek op de zesde Maart 1883. Voor hem in de plaats kwam een jongen van 14 jaar: Aant Tietes Post. Van de bemanning van de WL 1 is niemand terug gekomen.

Over het vischerleevenHet verhaal van den geredde Vischer

En nu leest U het verhaal van den geredden vischer voor hé pa? vroeg Johan den volgende avond. "Ja pa?" vroeg ook Lena. Dominee stapte naar zijn schrijftafel en kwam even later met een cahier in de hand terug. Moeder had het verhaal vaker gehoord, maar ze vond het, hoe eenvoudig het ook was, altijd weer interessant en daarom schikte ze net als de kinderen aan tafel.
We vertrokken den 5 Maart naar zee. "Wie pa?" "Wie?" ik heb immers gezegd, dat ik het verhaal uit den mond van den geredde is Gerben Basteleur. Als er in het verhaal 'we' gebruikt wordt, dan worden daar mee Gerben Basteleur en de overige Vischers bedoeld. Toe Johan wees nu eens stil!, zei Lena. Ze verlangde ernaar dat vader verder ging. Die begon opnieuw. We vertrokken op 5 Maart naar zee. Achter het Borkumer rif gingen wij met het net op schol vischen.
 
Voor ons doel waren we ver van huis, gewoonlijk gaan we zoo ver niet. De vangst was niet voordeelig, maar we bleven vischen. Tegen zeven uur in de avond kwam de lucht in het Noord Westen op. Om tien uur reefden we de zeilen. De storm was toen al vrij hevig, even wel in het begin. Had jullie toen nog niet kunnen terug keren. Hadden we dat maar gedaan, Mijnheer dan waaren er drie en tachtig menschen levens gespaard gebleven.

Onwillekeurig trilde de stem van den eenvoudigen vischer toen hij deze gedachten uit sprak. Maar hij herstelde zich snel en vervolgde: Wij waren met ons vijven: heit - ik bedoel mijn vader, maar die kan ik niet anders dan Heit noemen - een Omke, een oom, een broer en een neef van mij en ik. Geen kwartier later was de storm zoo hevig, dat we niet meer konden zeilen. 't Schip luisterde niet meer naar 't roer.

We hebben daarom den geheelen nacht het schip maar laten drijven. Van vischen was zelfs geen spraken meer. We hoopten maar al, dat de wind en stroom ons door een van de zeegaten naar de wadden zouden drijven, want dan waren we behouden, dat wisten we wel. Wat moet jullie dien nacht een angst uitgestaan hebben.

Mijnheer, ik weet thans zelf niet, hoe 't mogelijk geweest is, dat we het verdragen hebben. Ik denk dat de gewoonte ons met het gevaar vertrouwd heeft gemaakt. Toen 't licht werd, waren, voor zover ik weet, nog alle blazers drijvende. Om zeven uur zagen we het eerste schip omvallen en in de diepte verdwijnen. Een paar uur later volgde er nog een, en zo ging het telkens door. 's Middags om half drie dreven er nog drie schuiten. Wij spraken weinig. Wanneer zouden wij in de diepte verdwijnen? Stil wachten wij onze beurt af.

En toch, wij hoopten nog steeds, dat het goed zou gaan. Daar nam een grote golf Omke mee in zee. Een tweede wierp hem weer binnen boord. Omke kon niet meer op dek blijven, hij voelde hem niet en wel en ging in het vooronder. Pas was dit gebeurd, toen onmiddellijk achter ons de blazer van onze buurman opzij sloeg.

De zeilen lagen op 't water en toch richtte het schip zich weer op. Maar een grote golf smakte het achterover in de diepte. Wij zaten stil bijeen in de eenvoudige kamer. Alleen de stem van de verhaler klonk. Nu en dan werd de herinnering hem te machtig. Dan brak hij af, nam de pet van 't hoofd en streek met de hand door 't haar. 't Was of hij daarmee de al te droevige herinnerringen kon weg vegen.

Hij ging voort: Nu waren er nog twee schepen. Welk schip zou nu aan de beurt zijn? De wind was bedaard, maar de zee stond zeer hol. Onze toestand werd steeds gevaarlijker. Ik ging in het vooronder, om naar Omke te kijken, en wat er toen gebeurt is weet ik niet. Ik had het bewustzijn verloren en toen ik weer tot me zelf kwam, stond ik tot mijn middel in 't water. 't Was stikduister om me heen.

Al gauw merkte ik, dat Omke bij me was. "Ben jo dér, Omke?" "Ja Gerben". "Ik tink dat we kantele binne". "Ik tink it ek". Na al het doorgestane waren wij vrij onverschillig geworden omtrent ons lot. Maar de trek om te leven was toch zoo strek in ons, dat we op nieuw hoop op behoud kregen. Tenminste ik. Zouden we niet door het Friesche Gat kunnen drijven? Dan zou men ons stellig gauw oppikken. Omke had niet veel hoop op behoud gekregen. Hij voelde zich zoo ziek zoo naar, dat hij niet meer aan redding dacht.

Nog een poos dreven we voort, toen voelde we een geweldigen schok. Daarop volgde een gekraak, om er doof van te worden. Het tuig had de grond geraakt, de mast was afgeknapt. Wij naderde blijkbaar het strand, althans de ondiepten. Kort daarna werden we op het strand geworpen.

Waar? Daar wisten we niets van. Later bleek het, dat het op het strand van Schiermonnikoog was. Het schip woelde zich nu spoedig in het zand. Het water steeg hoger en hoger in 't vooronder. Ik probeerde wat hoger met mijn hoofd te komen. Na enig zoeken gelukte mij dit,door dat ik een dwarsbalk boven me vond, waar ik met armen en borst op ging leunen. Omke was toen al zoo uitgeput,dat hij niet meer omhoog kon komen.

Nog een tijd lang heb ik geprobeerd hem boven water te houden. Eindelijk bleek me, dat hij in mijn arm was gestorven. De pet werd weer even van 't hoofd gelicht, de hand ging even door 't haar. We wisten nu wel wat dat betekende. En we keken elkaar stil aan. We spraken geen woord. De droefheid van den vischer scheen ons heilig. Dominee keek van zijn cahier op. Zijn vrouw en kinderen keken hem met vochtige ogen aan. De vischer, zoo ging hij voort, vervolgde: 't Zal toen een uur of acht in de avond zijn geweest. De ganschen lange nacht moest ik nog in den blazer blijven.

Meer en meer werkte hij zich in 't zand en toen 't opnieuw vloed werd, kon ik nog nauwelijks mijn hoofd boven water houden. Toen verloor ik weer opnieuw mijn bewustzijn en toen ik opnieuw mijn bezinning terug kreeg, deden alle leden me pijn. Vooral de borst, waarmee ik op den balk had gelegen. 't leven gold niets meer. Uit wanhoop liet ik mij in het water glijden, om een eind aan mijn lijden te maken. Maar dat is mij niet gelukt.

Ik kwam niet verder dan tot mijn borst in het water, de eb was inmiddels ingetreden. Honger en dorst begonnen mij te kwellen, daarom voelde ik met mijn hand over 't water, en werkelijk ik voelde een stukje vet drijven. Daar heb ik een poosje op gekauwd, wat me inderdaad verkwikte, ofschoon ik het niet door de keel kon krijgen.

Opeens vernam ik stemmen boven me, ik riep zo luid ik kon: hier ben ik, hwa binnen jimme, wie bennen jelui, wat men antwoorden kon ik niet verstaan. Maar dat men mij hoorde begreep ik dadelijk, want men begon te kappen. Zie dat is nu meer dan vijftien jaar geleden, en als ik aan dat ogenblik denk, dan springt mij nog het hart van blijdschap. En de stroeve trekken van den vischer namen een heel andere uitdrukking aan.

Ik denk voegde hij er op eenvoudigen toon aan toe, dat het de aangeboren trek om te leven is. Men trachten uit te vinden waar ik mij bevond. Ik riep telkens en telkens weer. Toch kapte men eerst nog op de verkeerde plaats. Ik kon den blauwe hemel weer boven mij weer zien. M'n ogen deden eerst pijn, maar ik was te blij om me daar aan te storen. Daar stak men mij een broodje toe. Ik pakte het gretig aan. Maar, ach arme,ik kon het niet op eten. Waarom niet?, vroeg Johan. Ik denk dat de vischer er geen kracht meer toe had antwoorden de dominee. Lees nu verder Pa, zei Lena.

Het gat boven mijn hoofd werd grooter. Men probeerde mij er door heen te trekken. Dat ging niet,want ik kon mij zelf nauwelijks bewegen. Toen sprong er een flinke jonge kerel bij mij in 't vooronder, trok mij de oli jas uit en tilde me op. Nu konden mijn andere twee redders mij naar buiten trekken. Loopen kon ik niet in 't eerst. Daarom droeg men mij op het drooge. 't Was woensdag morgen om tien uur. Om twaalf uur had ik reeds droge kleren aan en toen werd me in 't dorp, ik heb immers al gezegd dat ik op Schiermonnikoog was gekomen, een lekker maal bereid, en dat smaakte mij heerlijk.

Eerst den volgende dag, nadat ik een uitstekende nachtrust genoten had, begreep ik, welke verschrikkelijke ramp ons dorp getroffen had. Voor dien tijd had ik veel aan mezelf gedacht, om me ook maar weinig met anderen te bemoeien. Maar, de pet ging af, de hand woelde door 't haar, een ogenblik stokte de stem. Maar dit sla ik liever over, dit kan ik niet goed vertellen. De verhaler hield zich stil en staarde voor hem uit. De herinneringen werden hem blijkbaar te machtig.

Om zijn gedachten af te leiden, vroeg ik. Wat doe je nu Basteleur?. Ik vaar nog. Ik ben nu schipper op de blazer WDL 2 dat is het zelfde schip, waar Heit, Omke, een broer en een Neef van mij verongelukt zijn. 't Speet me haast dat ik hem weer op 't onderwerp had gebracht. We rijkten hem de handen schudde die recht hartelijk.

Moge het je gegeven zijn met vaste hand het schip nog vele jaaren te besturen. Je bent nog maar 47 jaaren als je voor ongelukken bewaard blijft dan is daar alle kans op. Dominee sloeg het cahier dicht, het verhaal was uit. Na een poosje zei Johan: Zoo iets is verschrikkelijk Pa. Ja kind. Gelukkig dat dit niet vaak gebeurt, maar de zee eischt jaarlijks toch wel offers. Het cahier werd weg geborgen. Enige tijd bleven allen onder de indruk.

heb gezegt.

Chrisje Visser, Moddergat. (vrouw van Aant Tietes Post, de De W.L.1)

N.B. Degene die Gerben Basteleur het leven redden waren: De 16-jarige Jan de Jong, de 15-jarige Theunis Riekert Visser, de 17-jarige Heine Kruisinga, de 20-jarige Gerrit Willem Carst en de 59-jarige Jan Teens Teensma, beter bekend als Kees Nyne Jan.

Na de ramp werden tweemastblazers verkocht naar onder meer Goeree. De GO 15 was zo’n ex-Peazumer schip. Deze schepen werden in Makkum gebouwd door W. Zwolsman en S. Alkema. Van de 17 omgeslagen schepen waren er 8 blazers, de anderen waren aken.

Frans Lokker vertelt: "Ook dit schip is zijn leed niet ontkomen. Mijn over-overgrootvader heeft dit schip gekocht. Daarna is dit schip aan mijn overgrootvader verkocht. In 1924 is het schip in een onweersbui vergaan. Mijn overgrootvader is met een broer en zoon hierbij omgekomen. Nooit is er iets van het schip meer gevonden! Mijn overgrootmoeder bleef met 9 kinderen achter (van 20 tot 1 jaar). Haar schoonmoeder is gek geworden en stond met iedere storm aan het havenhoofd van Goedereede te kijken of het schip terug kwam....".

TOP