Bevrijding gevangenis Leeuwarden

Scharnegoutum - ,,Verrek maar. We doen het niet.’’ Vader en zoon Visserman, twijfelden er niet aan. Varen voor de Duitsers? Dat nooit! Nog liever lieten zij hun vrachtschepen eigenhandig zinken. Vader Visserman deed dat op het Koevordermeer, zoon Sierd Visserman, deed dat in de Alde Feanen. Sierd Visserman, dook onder, werd gepakt en gevangengezet, verhoord en mishandeld, en bevrijd door het verzet tijdens ‘De overval’ op het huis van bewaring in Leeuwarden. De inmiddels 88-jarige in Scharnegoutum woonachtige oud-schipper vertelt zijn verhaal.

Het moet rond Dolle Dinsdag zijn geweest, 5 september 1944, als Sierd Visserman en zijn vader Sierd, liggen afgemeerd in Amsterdam. Er is grote paniek onder de Duitsgezinden: de geallieerden hebben Antwerpen al bevrijd en trekken op naar het noorden. De Vissermannen willen eigenlijk naar Fryslân, hun thuishaven is Sneek, maar de wind komt uit de verkeerde richting en olie is heel duur. Ze besluiten nog even te blijven liggen.

Terwijl ze daar liggen, komen er een paar Duitsers in een bootje langszij. De soldaten willen de vrachtschepen nader bekijken. Als vader en zoon over de tweetakt motor opmerken dat die lang moet voorverwarmen, zegt een Duitser: ,,Dat hoeft niet meer.’’ De Vissermannen krijgen het benauwd. Er staat iets te gebeuren. Ze besluiten niet langer te wachten en gaan direct naar Fryslân terug. ,,Het duurt toch niet lang meer met de oorlog’’, denken ze bovendien.

In Fryslân aangekomen, blijkt dat de bevrijding niet aanstonds is. Een oom en enkele anderen liggen met hun schepen al verscholen achter IJlst en Visserman en zijn vader sluiten zich bij hen aan. Ze liggen er met vier of vijf schepen. Wanneer bij Nijezijl een locomotief ontspoort en te water raakt, wordt de schippers gevraagd de loc uit het water te tillen. ,,Zo’n locomotief weegt tachtig ton, onze kranen konden misschien elk een ton aan, dat was onbegonnen werk’’, zegt Visserman.

Op dat moment komt een Duitse boot eraan. Een Duitser vraagt hun wat ze daar doen. Als Visserman zegt dat ze de locomotief uit het water moeten hijsen, verklaart de Duitser hen voor gek. Die weet wel dat de schepen dat nooit voor elkaar krijgen. ,,Ik weet wel iets beters voor jullie te doen’’, zegt hij. Hij neemt de papieren van de schippers in. Ze krijgen te horen dat ze naar Harlingen moeten varen. ,,De bedoeling was dat we tussen Harlingen en Den Helder gingen varen, wanneer dat nodig was. Wij wisten toen wel hoe laat het was: we moesten voor de Duitsers varen. We zeiden tegen elkaar: we zijn niet gek, we smeren ’m!’’

Vader Sierd Visserman laat zijn schip, Nieuwe Zorg, zinken op het Koevordermeer, net als een neef. Zoon Sierd Visserman, neemt contact op met zijn schoonouders in Earnewâld en besluit daar heen te varen. Ze halen met hulp van dorpsgenoten ’s avonds het schip leeg; kookgerei, gereedschappen, scheepsonderdelen gaan van boord. Tussen de Hooidammen bij Oudega (S.) en Earnewâld draaien ze ’s nachts de kranen van de machinekamer open en laten ze het schip, de Actief geheten (voorheen het beurtschip Stad Sneek), zinken. De onderste helft verdwijnt onder water, het woongedeelte steekt nog boven water uit.

Sierd Visserman en zijn echtgenote Trijntje Wester, duiken onder in Earnewâld. Ze zijn tegen de orders van de Duitsers ingegaan en het zal hen duur komen te staan als ze worden gepakt. Na enige tijd gaat het geluid door het dorp dat de Duitsers van plan zijn razzia’s in Earnewâld te houden. Daarop besluit Visserman onder te duiken op het nog begaanbare deel van de Actief, met in totaal zes personen. Het zal verraad zijn geweest, Visserman weet het nog altijd niet, maar op een dag komt er een boot met zes Duitsers en een Nederlander aan varen. Ze worden onder schot gehouden en gesommeerd het schip te verlaten. De onderduikers worden naar het hoofdkwartier van de Sicherheitsdienst (SD) in het Burmaniahuis in Leeuwarden gebracht.

De dan 28-jarige Sierd Visserman, wordt in een schoolgebouw aan het Wilhelminaplein diverse keren verhoord en mishandeld. De bezetters willen weten wie hem de opdracht heeft gegeven het schip te laten zinken. Aan het antwoord dat dit op eigen initiatief is gebeurd, hebben de Duitsers geen boodschap. Naar hun idee moet het verzet er achter zitten en ze willen weten wie. ,,Daar hebben ze me goed te pakken gehad’’, zegt Visserman over de mishandeling. ,,Het was zo: als je je kleren aan mocht houden, dan noemden de Duitsers het een ‘licht verhoor’. Als je je kleren uit moest doen, dan moest je oppassen.’’ Hij mocht zijn kleren aanhouden, maar bij de verhoren werden wel zijn tanden uit zijn mond geslagen.

Visserman belandt in het huis van bewaring De Blokhuispoort in Leeuwarden. Ondanks de beveiliging slagen gevangenen erin briefjes naar buiten te smokkelen. Voordat hij de Actief liet zinken, heeft Visserman belangrijke onderdelen zoals de oliepomp eruit gehaald en begraven in een tuin in Earnewâld. Als hij hoort dat hij hierover zal worden ondervraagd door een hoge Duitse officier, weet Visserman briefjes naar buiten te smokkelen met de opdracht de onderdelen op te graven en in de buurt van het schip neer te leggen. Komen de onderdelen niet boven water, dan zal Earnewâld er van lusten, is de verwachting. Familie en kennissen uit het dorp doen wat hij vraagt, waarop hij tijdens het verhoor naar eer en geweten kan vertellen waar de Duitsers de onderdelen kunnen vinden.

Het loopt tegen het einde van het jaar 1944. Visserman zit opgesloten in het huis van bewaring. Hij zit met tien andere gevangenen in een cel waar normaal vier mensen zitten opgesloten. Op de avond van 8 december horen ze veel lawaai in de hal. Even later gaat de celdeur open en een man zegt: ,,Sierd Visserman. Meekomen.’’

,,In de gevangenis was inmiddels duidelijk dat als je ’s avonds uit je cel werd gehaald, je dan niet terugkwam. Ik dacht dus echt dat het met me was gedaan. Maar toen ik beneden in de hal kwam, stond Piet Oberman daar.’’ Oberman, bekend onder de verzetsnaam Piet Kramer, was een kennis van de schoonouders van Visserman. Hij leidt de overval op de gevangenis. ,,Hij lachte naar me en zei: ‘Do komst der út, ouwe seun!’ Nou, dan gaat er iets door je heen…dat heb ik in mijn leven niet meer gevoeld.’’

Bij de gevangeniskraak, die later bekend werd onder de naam ‘De overval’ worden in totaal 51 gevangenen door het verzet bevrijd. Sierd Visserman, is een van hen, zijn tien celmaten moeten achterblijven.

Als de kraak in volle gang is, verschijnen er twee SD’ers met echte gevangenen voor de gevangenispoort. De verzetslieden laten ze binnen, overmeesteren de Duitsers en zetten ze in een cel. Visserman herkent een van die Duitsers als lid van de groep die hem heeft opgepakt toen hij zat ondergedoken op de Actief. ,,Ik wilde achter hem aan gaan, maar ik werd tegengehouden. ‘We willen geen gedonder hier’, werd er gezegd. Ja, dan heb je jezelf even niet onder controle’’, zegt Visserman nu bijna verontschuldigend.

Na de bevrijding uit de gevangenis, komt Visserman gedurende een week of zes op een onderduikadres aan de Aagje Dekenstraat in Leeuwarden, bij de familie Miedema. Daarna komt hij bij de familie Malda in Blije terecht. Hij gaat dan door het leven als een vluchteling uit Nijmegen met de naam Popke de Groot. Zijn vrouw, inmiddels bevallen van hun eerste dochter, zit al die tijd in Earnewâld in spanning. Nooit heeft zij geweten waar haar man was.

Het schip de Actief belandt nog tijdens de oorlog in Duitsland, meegenomen door een Lemster aannemer die voor de Duitsers werkt. Dankzij zijn connecties komt Visserman aan een Engelse permit waarmee hij naar Duitsland kan reizen. Het schip, zo heeft iemand zijn vader verteld, ligt in de Weser bij Stolzenau, een plaats ten westen van Hannover. De aannemer uit Lemmer ligt met zijn woonark in de haven even verderop.

Visserman gaat met de man praten. ,,Er is niets gebeurd, we hebben alleen gepraat. Maar waar ik ook heen ging, hij ging overal mee naar toe.’’ Visserman wil zijn schip terug, maar met de Lemster in zijn kielzog krijgt hij niets gedaan. Totdat de man een tijdje weg is. ,,Ik ben toen naar een Nederlandse officier gegaan en heb hem verteld wat die aannemer allemaal heeft gedaan en dat hij in Nederland werd gezocht. Daarop is de man opgepakt.’’

Als hij laat weten dat hij zijn schip terug wil, wordt Visserman gezegd dat hij naar Hamburg moet gaan om het schip vrij te krijgen. In juni of juli 1945, dat weet hij niet precies, is de Actief weer van hem. Dankzij zijn connecties kan hij dit zo snel voor elkaar krijgen, een paar maanden na de oorlog. ,,Bij schippers die de officiële weg moesten bewandelen, heeft het veel langer geduurd.’’

De Actief was er slecht aan toe. Het moest eerst compleet worden gerepareerd. Dat gebeurde bij scheepswerf Bijlsma in Warten. Pas een jaar later voer de Actief weer. Visserman en echtgenote, die samen drie kinderen kregen, voeren tot 1956 met het schip. Toen lieten ze een ander schip bouwen: de Alfosi. De naam is een samenvoeging van de eerste twee letters van de namen van de drie kinderen.

Overval van de KP op het Huis van Bewaring in Leeuwarden. 51 gevangenen bevrijd. Lange tijd had Tineke Quarré-Spoelstra, uit Kollum niet door welke rol haar vader precies had gespeeld in de oorlog. Inspecteur van politie Gatze Spoelstra, was niet zo mededeelzaam over die periode; een ware politieman die zich aan zijn ambtseed hield. Pas op latere leeftijd kwamen er steeds meer verhalen los. En toen drong het door dat haar vader in die donkere oorlogsjaren als politieman een dubbelrol speelde én welk aandeel hij had in de overval op het Huis van Bewaring in Leeuwarden op 8 december 1944. Gisteren stonden zij en haar zuster Janneke de Schiffart-Spoelstra met zo’n honderd anderen stil bij de zestigste herdenkingsdag van De Overval met een bijeenkomst in gevangenis Blokhuispoort.

,,Op latere leeftijd vertelde hij wel iets meer over zijn werk. Omdat ‘het toch verjaard’ was, zei hij dan. Maar over de oorlog vertelde hij niet zo veel’’, zegt Tineke Quarré-Spoelstra. Hij zat natuurlijk ook in een lastige positie. Een vaderlandslievende politieman die werkte onder de Duitse bezetter. Janneke de Schiffart-Spoelstra, beseft dat haar vader in zijn functie als politie-inspecteur veel hoorde en die informatie kon doorspelen aan het verzet. ,,Een dubbelrol die hij zwijgend volbracht, de hele oorlog door. Dat zal niet gemakkelijk zijn geweest’’, aldus De Schiffart-Spoelstra.
Gatze Spoelstra en andere verzetslieden hadden één duidelijke ‘opdracht’: ,,Men diende te zwijgen. Alles wat je wist, kon tegen je gebruikt worden en dat kon mensenlevens kosten.’’

Politie-inspecteur Spoelstra, speelt in het einde van 1944 een belangrijke rol in de voorbereiding van de overval op het Huis van Bewaring door het verzet. De verzetslieden hebben het boude plan om een overval te plegen op de strafgevangenis, maar nog geen antwoord op de vraag: op welke manier komen we geweldloos binnen? Dat antwoord komt van politieman Spoelstra. Wanneer arrestanten van het politiebureau naar de gevangenis worden overgebracht, moet een insluitingbevel worden overhandigd. Spoelstra, zorgt voor een bevel, dat wordt gekopieerd. ,,Maar de formulieren waren genummerd’’, weet De Schiffart-Spoelstra, ,,dus na het kopiëren moest het origineel worden teruggelegd op het bureau. Dat was ook een taak van mijn vader.’’

Ook is het Spoelstra, die zijn blik laat gaan over de vluchtroute die de mannen van het verzet hebben opgezet. De gevangenen moeten na hun bevrijding in een bootje stappen en via de grachten vluchten. Spoelstra weet dat deze methode veel te veel tijd gaat kosten en keurt die af. De ontsnapping moet over land plaatsvinden en voor spertijd zijn afgerond, vindt hij.

Op 8 december 1944, kwart voor zes, arriveren politieman Joop Willemse (schuilnaam "Berend") en een collega met drie ‘gevangenen’ en het insluitingbevel bij de poort van de gevangenis in Leeuwarden. Kort daarvoor is de wacht van het Huis van Bewaring door een handlanger telefonisch gemeld dat drie zwarthandelaren worden gebracht. De drie zijn in feite leden van de Knokploeg (KP): Piet Oberman, Jelle Visser en Wim Stegenga. Eenmaal binnen overmeesteren ze de wachten, laten ze hun kompanen binnen en bevrijden ze in totaal 51 gevangenen.

Zestig jaar later wordt nog altijd stilgestaan bij die dag. Goffe Hoogsteen (84) uit Surhuizum was de enige verzetsstrijder die deze herdenking kon meemaken. De twee andere nog levende ‘overvallers’ Hylke Pauw en Hendrikus Rypkema wonen in Canada en waren niet aanwezig.

Hoogsteen legde gisteren een krans bij de gedenksteen aan de Keizersgracht. Verder werd de bijeenkomst bijgewoond door nabestaanden en notabelen. Het doet Tineke Quarré-Spoelstra verzuchten: ,,Het zou wel eens de laatste herdenking kunnen zijn.’’
Dat zal niet gebeuren als het aan burgemeester Dales van Leeuwarden ligt. ,,Moed tot verzet is ook in ons land een actueel thema: het verzet tegen de aantasting van de vrijheid van meningsuiting’’, aldus Dales. ,,De bedreiging van de vrijheid is niet weg. Het is goed dat we De Overval jaar in jaar uit blijven herdenken.’’

Tekst: Gedenksteen aan de Keizersgracht
'8 DESIMBER 1944
51 FERSETSSTRIDERS BEFRIJD
TROCH DE
FRYSKE K.P.'

Zie: www.4en5mei.nl


Gerben Oppewal (1919-1998) was werkzaam bij de marechaussee te Franeker; vanaf 1942 was hij als buitenlid van de verzetsgroep Lever vooral op K.P.-gebied actief. Hij was onder meer betrokken bij de eerste overval op een distributiekantoor in Joure in oktober 1942, later bij de overval op het kantoor in Workum en ook bij de bekende overval op de gevangenis in Leeuwarden. Daarnaast verzorgde hij als chauffeur van een vluchtauto het transport van neergekomen piloten. Hij vervulde de functie van Districtsleider van de Binnenlandse Strijdkrachten. Hieruit is voortgekomen dat hij een vertrouwensfunctie kreeg bij de stichting 1940-1945, waarvan hij ook bestuurslid werd.

Jitske van der Laan werd door de Duitsers in Leeuwarden op gepakt. Jitske bracht geheime boodschappen rond per fiets door Noord Fryslân. Met de Overval op de gevangenis in Leeuwarden, 8 december 1944, werd zij met 50 ander gevangen bevrijd. Ook was er haar broer Jo van der Laan, hij deed Knokploeg werk en spionage. Met Gerrit Wondaal en vrienden heeft hij de lood zware brandkast uit het gemeentehuis van Ternaard gehaald.

In deze brandkast zaten voedselbonnen om eten in de winkels te kunnen kopen. Het geld en andere dingen hebben ze nooit gebruikt. Want ze waren geen dieven.
Na de oorlog hebben ze de brandkast weer terug gebracht. Twee van zijn vrienden waren hier niet meer bij, zij waren in de oorlog doodgeschoten. Voor de Rabobank gaat u de Schoolstraat in. In 1945 zou u hier door het weiland lopen. Als u de Schoolstraat uit loopt slaat u rechts af de Wânswerterdyk weer in.


Wilhelm Artur Albrecht - Duitse SD-chef met tientallen executies op zijn naam. Wilhelm Artur Albrecht (roepnaam Artur) werd geboren in het Duitse Penzig, in 1903. Voor de oorlog werkte hij als politiecommandant, eerst bij de gewone politie en vanaf 1935 bij de Gestapo. Als SS-Hauptsturmführer werkte hij tijdens de oorlog op verschillende plekken in het almaar uitdijende Duitse Rijk.

Via het Belgische Gent kwam hij in september 1944 in Nederland terecht, in Leeuwarden. Daar leidde hij tot vlak voor het einde van de oorlog het zogenaamde ‘Aussenkommando’ van de Sicherheitsdienst en Sicherheitspolizei. Hij was in die functie verantwoordelijk voor de handhaving van de orde in de provincie Friesland. Geen eenvoudige klus, want in de laatste oorlogsmaanden was het verzet daar in volle gang.

Zijn zoon Wolfgang, heeft hem in 1943 voor het laatst gezien. Hij herinnert zich: “Voor ons kinderen was hij lief, maar streng. Er was geen kwestie van tegenspraak, zoals nu bij mijn eigen kinderen”. Een autoritaire man, maar ook “zeer intelligent en zeer kunstzinnig”.
Goffe Hoogsteen, een oud-verzetsman uit Friesland, is minder genuanceerd over Albrecht: “Hij was een echte rotmof, laten we het zo maar zeggen.” Hoogsteen was betrokken bij de legendarische overval op de Leeuwarder gevangenis in december 1944 (bekend van de film De Overval).

Hij kent verschillende mannen die door het Aussenkommando van Albrecht zijn geëxecuteerd. Zelf is hij mishandeld tijdens een verhoor op het kantoor van Albrecht. Hoogsteen herinnert zich: “Ik was nog maar net binnen en er kwam zo’n dikke Belg op me toe [meegekomen uit Gent] en hij zei tegen me: ‘Jij bent een terrorist’. Ik zeg: ‘Wat is dat, een terrorist?’ Hij zei: ‘Dat weet je dondersgoed.’ En toen heeft hij mij heel de strot naar binnen geslagen.” Ruim zestig jaar later heeft hij er nog steeds last van.

Albrecht zat er bij en keek er naar. Zelf deelde hij ook geregeld klappen uit bij verhoren, maar het meeste werk liet hij door zijn ondergeschikten uitvoeren. Net als bij Pieters kwam het toebrengen van brandwonden regelmatig voor, maar ook het bijna verdrinken van gevangenen in een grote bak water, om hen aan de praat te krijgen. In de strijd tegen het verzet leidde Albrecht niet alleen zulke ‘verscherpte verhoren’, maar voerde hij ook het bevel over represaille-executies.

Elke keer wanneer het verzet een geslaagde actie pleegde antwoordde de SD met een genadeloze represaille. In de laatste oorlogsmaanden executeerde het ‘Aussenkommando’ van Albrecht zo tientallen verzetsstrijders en andere gevangenen, die vaak betrekkelijk willekeurig uit de gevangenis waren geplukt. De grootste massa-executie was in Dokkum, waar Albrecht op 22 januari 1945 twintig man buiten in de sneeuw liet fusilleren.

Op 14 april 1945 – Pieters zat net een dag in Loosdrecht – vluchtte Albrecht weg uit Leeuwarden. Friesland was al voor de helft bevrijd; de komst van de Canadezen was nog maar een kwestie van uren. Omdat de weg naar het oosten was afgesloten, reed Albrecht met een paar collega’s naar het westen van Nederland waar ze zich tot het einde van de oorlog schuil hielden. Op 5 mei werd Albrecht in Aerdenhout gearresteerd. Hij droeg het uniform van een onderofficier, maar het duurde niet lang voor hij werd herkend als de beruchte SD-chef uit Leeuwarden. Vier jaar later begon zijn proces voor het Bijzonder Gerechtshof van Leeuwarden.

De Bijzondere Strafgevangenis en het Huis van Bewaring te Leeuwarden vormen één geheel. De
ingang van het H. v. B, ligt aan de achterzijde waar het complex begrensd wordt door het water
van de Oosterkade. Van de Gedempte Keizersgracht uit voert een brug naar de oprit, die doorloopt
tot aan de deur van het Huis van Bewaring.

Langs het water loopt een plantsoen, dat zich, voorbij de deur verbreedt en daar door een laag hek is afgesloten. Op deze ingang is alle aandacht geconcentreerd, want de politieke gevangenen
zijn, op enkele na, niet in de Bijz. Strafgevangenis, doch in het Huis van Bewaring ondergebracht.


TOP