Bevrijding gevangenis Leeuwarden

Een raar opschrift zult U zeggen. Inderdaad er zit iets in van overvalwagens, van rammelende kettingen en boeventronies van „Grünen", Zwarte of grauwe en met een weinig verbeeldingskracht ziet ge de deuren van de gevangenis opnieuw opengaan. Wees echter gerust, het betreft hier een heel onschuldig iets, er moet gekiekt worden. 

De opdracht luidde: „Bertus moet op stap met Stukken". Stukken om pasfoto's te nemen en Bertus om de adressen aan te wijzen waar de patiënten zijn ondergedoken, die voorzien moeten worden van nieuwe P.B.'s, waarop wel de goede foto komt, maar een andere naam en een ander adres.

We gaan op stap en komen al gauw bij de eerste patiënte; Aukje in de Lijsterstraat. Een druk op de bel en Mevr. komt voor. Bertus noemt het nu geldende woord: „Ik kom van Piet" en de deur staat voor ons open. Stukken neemt z'n fototoestelletje uit zijn fietstas en we gaan het operatieterrein in. Aukje zit op een schrijfmachine te hameren, vermoedelijk een brief aan haar verloofde, want bij ons vertrek vraagt zij of deze bezorgd kan worden, hetgeen haar beloofd wordt.

Maar eerst over de foto. Op het achterplaatsje wordt tegen de serre-deuren een laken gehangen. De patiënte komt zelf al met een stoel aanzetten, neemt plaats en daarna goede houding (alles moet vlug gaan met het oog op de buren) en knip.... de operatie is gelukt.

Vlug weer naar binnen en nu vragen wat de patiënte alzo nodig heeft. Stukken neemt z'n notitieboekje en gaat schrijven. Schoenen (maat 38), kleding graag iets warms en graag wat geld, want dit laatste is ook in de petoet achtergebleven en zal wel ten bate van de W.H.N. komen. Dus ook geld moet er zijn. Bij de mannelijke patiënten was steeds de eerste vraag „rokerij". We gaven in de meeste gevallen alvast maar onze privé-voorraad, meestal ongevraagd, want we wisten wat het betekende, een rokertje na die spanning.

Na geval no. 1 gingen we naar Thea en Francisca (mooie namen). Hier een herhaling van het bovenstaande. Ook gebrek aan schoeisel, kleding en geld. „Wordt voor gezorgd dames".

Francisca is met minder tevreden, want die wil graag een paar schoenen gerepareerd hebben. Bertus gaat even naar de schoenmaker, die op z'n deur heeft staan „Gesloten wegens tewerkstelling" en de zaak is voor elkaar. Van de gastheer waar deze dames waren, kregen we elk een heerlijk pak beschuit mee en namen afscheid om onze tocht knippende te vervolgen.

Nu gaat het naar de Pelikaanstraat. Hier huist de heer Esselink. Na het noemen van het Woord, volgt hartelijke kennismaking. Deze patiënt is heel rustig en heeft z'n tweede adres al te pakken. Gisteravond is hij hier per fiets gebracht uit het Oosten der stad. Hij heeft het hier best naar z'n zin, alleen het vertrek is onverwarmd waar hij moet verblijven.

We beloven echter voor brandstof te zullen zorgen. Van hier gaan we weer verder naar de Ibisstraat. De gastheer en gastvrouw waar deze patiënt is ondergebracht zijn oude mensen, die na het uitgesproken woord „Kom van Piet", direct vertellen, dat de enveloppe geen bonkaart bevatte. Zeker vergeten.

Het wordt ook direct genoteerd en nu de patiënten. Dit zijn twee spoormannen op leeftijd, die gesnapt zijn op klompen en ook vrij zijn gekomen op klompen. Bij hun vlucht uit de gevangenis nebben ze die klompen onder de arm genomen en kwamen zo ook op hun adres aan.

Waarschijnlijk deden ze dit om harder te kunnen lopen of om niet teveel lawaai te maken en zodoende de aandacht van de Grünen op zich te vestigen. Toen wij hun schoenen beloofden, zei kleine de Boer: „Net te lyts meheer, want ik hè lest van eelt op 'e futen". — ,,'t Komt in orde de Boer". Ook hier was de vraag tabak en ook verschoning. Deze beide mannen zijn nog dikwijls verplaatst.

Weet je nog Gerrit, dat we deze beide op een avond hebben weggehaald achter op de fiets; jij moest naar het andere einde der stad, ik naar het Westen. Zo hebben we deze mannen dikwijls opgebracht.

Bij kleine de Boer ben ik kort geleden nog eens geweest in de Bernardus Bumastraat. Het beviel hem daar nu best en hij beloofde daar nu te blijven tot alles achter de rug was.

Nu nog even naar de Nieuwestad. Hier is het woord: „We komen de Chrysanten halen". Twee mannelijke patiënten zijn op dit adres en zitten juist aan de maaltijd (bruine bonen).

„Onderbreken heren. Even naar een lichte kamer." Eén van de heren ziet Bertus aan. Een herkennen. Er was eens een samenwerking in verband met de „tweede stamkaart" van Rauter. Rauter wou de onderduikers geen stamkaart geven, doch zij gaven er wel één. Soms vervelend zo'n herkennen.

Ze zien elkaar in de ogen en weten dat ze zullen zwijgen. Niemand merkt er iets van. De andere patiënt had nogal erg veel noten op zijn zang. Tegen hem voelde ik me gerechtigd te zeggen, dat men in sommige gevallen meer bereikt met vragen dan met te eisen.

Zo hebben we deze dag doorgebracht met het nemen van foto's, het beloven van het gevraagde en het beantwoorden van vragen. Bergen moesten worden verzet om alles te doen slagen, we deden het echter met veel plezier en toewijding.

BERTUS.
Leeuwarden, 25 December 1944.

Het grote „oorlogsgeweld" is aan Friesland voorbij gegaan en wij Friezen zijn daar dankbaar voor. In andere vorm hebben de Duitsers ons gewest danig in beroering gebracht, daarbij naarstig geholpen door N.S.B.-ers,moffenknechten enz.

Hun poging de Friezen murf te krijgen, hebben ondanks maandenlange terreur en vervolging gefaald. Zij stuitten in Friesland, het onderduikgewest bij uitnemendheid, op een muur van verzet.

Wel gelukte het af en toe kleine bressen, ja somwijlen een grote bres in de muur te slaan en dan vielen er slachtoffers. Eenmaal in de klauwen van de menselijke hyena's, was geen loskomen meer mogelijk.

Totdat op 8 December 1944 de Friese K.P. in samenwerking met de gevechtsgroepen der Leeuwarder N.B.S., de pijnlijk nauwkeurig voorbereide putch op het HvB. te Leeuwarden uitvoerde en op meesterlijke wijze 51 ingeslotenen wist te bevrijden, w.o. vooraanstaande illegale strijders, stakende spoormannen en onderduikers.

Eerst nadat de bezetting ons land had verlaten kon men er eens rustig over nadenken en zich realiseren, welk een perfecte organisatie aan deze gedenkwaardige avond is verbonden. Immers het vrijlaten alleen was niet voldoende. De bevrijden moesten ook nog dezelfde avond onderdak worden gebracht.

Ook dit klopte als een bus. En daarmede was de zaak van de K.P. en N.B.S. beëindigd en werd de L.O. verzocht de verdere verzorging over te nemen.

Wat viel er nu zoal nog te doen. Allereerst moesten al de bevrijden van goede papieren worden voorzien. De fotograaf van de L.O. viel de eer te beurt alle bevrijden voor een pasfoto te fotograferen. Derhalve was hij bekend met de adressen van alle in Leeuwarden en omgeving ondergebrachten en werd hem opgedragen ook de verdere verzorging op zich te nemen.

Illegale werkers. 26. Douma, Bergum; 27. R. Sijbrandij, Leeuwarden; 28. Ch. de Vries, Leeuwarden; 29. K. Leijenaar, Leeuwarden; 30. S. Jonker, Leeuwarden; 31. Dr. J. Renema, Leeuwarden; 32. J. Dreeuws, Leeuwarden; 33. W. Fokkema, Leeuwarden; 34. E. Tiemersma, Huizum; 35. J. Barens. Leeuwarden; 36. R. Schootstra, Leeuwarden; 37. S. Veenbaas, Munnikeburen; 38. K. v. Wieren, Leeuwarden; 39. J. A. v. d. Wal, Leeuwarden; P. v. d. Woude, Leeuwarden; R. K . Fokkema, Leeuwarden; G. Fokkema Jr., Leeuwarden en S. Brandsma, Wolvega, zijn niet gefotografeerd.

41 Foto's werden gemaakt en naar het „Fabu" (falcificatiebureau) gezonden. De falseurs stonden voor de moeilijke opgave bij iedere foto een passend beroep te zoeken.

Ze zijn daar zeer behoorlijk in geslaagd en na korte tijd konden al de bevrijden in het bezit van een P.B. worden gesteld. Het laat zich denken, dat „Fabu" heel wat moeilijkheden had te overwinnen alvorens de P.B.'s klaar waren.

Vanaf de „Fabu" gingen de P.B.'s weer via het L.O.C.-bureau naar een tweetal medewerkers, wien de verdere verzorging uiteindelijk werd opgedragen. Een rondgang langs alle kosthuizen was de volgende stap. Introductie, wachtwoorden enz. en dan konden de vingerafdrukken worden genomen, zegels geplakt en het P.B. uitgereikt worden. Waar nodig was een Ausweis bijgevoegd.

Bij deze rondgang werd gelijktijdig een onderzoek ingesteld naar kleding, schoeisel, financiën enz. Verschillende personen werden destijds onvolledig gekleed opgepakt, of hadden alleen pantoffels of klompen aan de voeten. Het eerste werk van de verzorgers was nu te trachten zoveel mogelijk in deze behoeften te voorzien.

Zakenlieden in de stad werden bezocht en omzichtig gepolst of zij zouden kunnen en willen helpen. Het lukte, het lukte zelfs wondergoed. Ettelijke paren schoenen (oude kwaliteit) werden beschikbaar gesteld. Herencostuums, dames- en herenondergoed. Kortom vrijwel alles wat nodig was, werd aan de vragers afgestaan. Op een bovenslaapkamer werd een magazijn ingericht en het groeide uit tot een klein warenhuisje.

Steeds kwamen er weer medewerkers, die van een of andere bevriende relaties wat hadden los gepeuterd. Vervolgens werd voor iedere bevrijde een pak paling afgegeven, ook deze partij kwam in het magazijn.

Plotseling kwam een mededeling, dat voor de kwartiergevers voor iedere gast 5 pond suiker werd aangeboden. De suiker moest van de andere kant der stad afgehaald worden. Dat was geen gemakkelijke opgave.

Een bevriend taxibedrijf stelde welwillend een auto met chauffeur beschikbaar en in de avondschemering reden de verzorgers naar het opgegeven adres. Hier verbleven z.g. „zware jongens" en het verschijnen van een auto op deze plaats en tijd was een dermate ongebruikelijke gebeurtenis, dat in dit kamp het signaal „weest op Uw hoede" geblazen werd.

De verzorgers werden op hun bellen binnen gelaten en even later kwamen van buitenaf drie manspersonen aanslenteren die op ons — ingewijden — niet direct de indruk maakten alleen een zakdoek in hun broekzak te dragen.

Na de gebruikelijke introductie werd de suiker vlot ingeladen, en te bestemder plaats even vlot uitgeladen. Aan de hand van een opgemaakte behoefte-staat werden de aanwezige goederen verdeeld en konden de verzorgers hun reizen door de stad opnieuw aanvangen. Eerst met koffers en fietstassen vol paling, daarna suiker en tenslotte kleding. Er was heel wat geschipper nodig om ieder datgene te geven wat paste en wat gevraagd was.

Inmiddels kreeg het verzorgingsduo ook de beschikking over een kas en kon worden overgegaan tot de betaling van zak- en kwartiergelden. Het was mooi werk en tussen verzorgers en verzorgden bestond de best denkbare verhouding. Door maandelyks het kwartiergeld uit te keren, bleef het contact bestaan en bestond de mogelijkheid eventueel gerezen moeilijkheden te hespreken, noodzakelijke verplaatsingen te regelen en een enkele maal in een conflict tussen de bevrijde en zijn kwartiergever te bemiddelen.

Zoetjes aan vloeiden verschillende hier ondergebrachten naar elders af. Toen de bevrijding een feit was, waren nog een 20-tal personen in verzorging. Weinigen hebben wij nadien weer ontmoet. Zij zijn hun eigen vrije weg weer gegaan en hebben zich gevoegd in hun eigen huiselijke kring.

Ongetwijfeld zullen zij — evenals hun verzorgers — nog vaak aan deze episode terugdenken en zich herinneren dat de L.O. al het mogelijke heeft gedaan hun onvrijwillig verblijf zo aangenaam mogelijk te maken.

Hun en hun kwartiergevers komt dank toe voor de wijze waarop zij hebben medegewerkt deze prachtige daad te doen uitgroeien tot een manifestatie van saamhorigheid en wederzijds vertrouwen.

STUKKEN-GROEN.
Huizum, Mei 1945.

Eigenlijk moest het zijn: Graaf, Baron of Jonker Julius van Merode, doch niets van dat alles. Geen eigenaar van Kasteel of Burcht, doch wel van een boerderij. Een waas van mystiek omgeeft die naam, er zit iets romantisch in. En waar mystiek en romantiek onwaar zijn, is deze naam ook niet echt. De ware naam van dezen persoon kunt U vinden in het mengsel van IJs met Brandewijn.

Hij was één van hen die op zekere Vrijdagavond werd bevrijd uit het HvB. aan de Ged. Keizersgracht. Ondergebracht in een stille straat in het Westen van de stad, ging alles oorspronkelijk goed. De nieuwe kostbaas was zeer tevreden over hem en de lotgenoot van Us niet Brandewijn, die daar ook was ondergebracht. Totdat Julius op een dag.... (hoe kwam ze d'r achter), zijn eigen vrouw opdook en hem opeiste.

Hem overhaalde mee te gaan naar hun stille boerderij ergens in het wijde ruime Friese veld. Vond zij, z'n vrouw, de omgeving waarin hij noodgedwongen moest toeven misschien te burgerlijk en zag zij het gevaar niet, waarin zij haar echtvriend bracht en niet alleen hem doch ook de mensen, die hem bevrijdden en hen die hem nu verzorgden? Hoe het ook zij, hij ging mee, hij deserteerde.

Dit geschiedde de tweede Kerstdag, 's Middags kwam H. bij mij thuis en deelde mij het voorgevallene mede. Wat nu te doen? Er direct achteraan. Even informeren naar het adres, 't Valt mee. Een half uurtje fietsen. Dus opgestapt.
Een zon doorweven winterdag nadert snel z'n voltooiing. De lucht doet vrieskoud aan. Over het land-ijs van één nacht zwieren de schaatsenrijders. Ik hobbel over de hardgevroren kluiten van een landweg en stap af bij het hek over de heemsloot.

Een dertigtal passen lopen naar de achterdeur, de klink opgelicht en dan: „Volk in?" De vrouw komt voor en vraagt wat ik moet. „Uw man spreken". Een verwonderd kijken. „Ja, uw man is in gevaar". Nu noodt zij mij uit verder te komen en ik kom tussen de overige familie terecht.

Wantrouwende blikken beloeren mij. Je hoort tegenwoordig zulke gekke dingen over verraad en Gestapo en meerdere lieflijkheden. En dan Pa is thuis. Zeker heeft hij ergens achter een gordijn gestaan en mijn persoon herkend (ik was namelijk éénmaal bij hem geweest voor het nemen van een pas-foto), want nu komt mijnheer zelf te voorschijn.

Er volgden zijnerzijds allerlei verontschuldigingen over dat clandestiene weglopen en de familie, probeert de toestand zo gunstig mogelijk voor te stellen. Och, ik moest toch begrijpen, dat Pa hier thuis ook wel veilig was, anders hadden zij, de familie, hem toch niet teruggehaald. En Pa? Hij beaamde alles en zoog gemoedelijk aan een sigaar met héél witte asch.

Hier moest een paardemiddel gebruikt worden. En het gebeurde. Kort en bondig vertelde ik hem, dat hij tijdens de reis naar zijn huis door „verkeerden" was gezien, die hem kenden en dat er nu zekerheid bestond, dat hij de komende nacht opnieuw gearresteerd zou worden en nu natuurlijk ook de verdere familieleden.

Dit gaf de doorslag. Algemene consternatie volgde. Er was onrust en er kwamen tranen. Pa moest dan onmiddellijk weg en de zoons ook (dit zei Moeder). En Pa? Hij zag bleek en vroeg of ik dit alles heel zeker wist. Dat wist ik zeker. „En "fluisterde ik hem stiekum in het oor, „als U gesnapt wordt en U noemt namen, dan gaat de boerderij in vlammen op." Nu zat de schrik er in. Diezelfde avond werd IJs met Brandewijn overgebracht naar een plaats ergens in de Bildthoek.

„M'n beste wensen Julius van Merode".

BERTUS.
Leeuwarden, 28 Dec. 1944.

Het is Vrijdagavond pl.m. 6 uur. Het eten is rond gebracht en ik tref de eerste voorbereidingen voor de nacht, die bestaan uit het opmaken van mijn bed en nog een kleine wandeling door de cel; vier passen in de lengte en twee in de breedte.

In mijn gedachten laat ik de afgelopen dag aan mijn geestesoog voorbijgaan. Voor mijn doen was het een drukke dag. Vanmorgen eerst slechte berichten. De S.D. heeft weer een inval in een bepaald gebouw in de stad gedaan en hoewel uit de ontvangen berichten nog niet precies valt op te maken, wat men gevonden heeft, is het toch wel duidelijk, dat men weer bepaalde gegevens in handen heeft gekregen.

Bijna een week is er nu reeds verstreken onder verhoor. Een week, waarin ik weer een beetje op verhaal ben gekomen, maar nu zal het wel niet lang meer duren, voordat het volgende zal plaats vinden. Hopelijk komen er vanavond of morgenvroeg nog meerdere gegevens over deze laatste inval van de S.D.. opdat het weer mogelijk zal zijn het spel te spelen, dat nu al drie weken heeft geduurd.

Een spel, dat alle energie van ons vraagt, een spel, waarbij men niet meer aan zichzelf denkt, maar waarbij één gedachte overheerst: hoe kunnen we onze kameraden redden uit de klauwen van de S.D., om hen te vrijwaren voor de onmenselijke verhoren, die we zelf moesten ondergaan.
Plotseling gaat de celdeur open en een bewaarder treedt binnen. „Jas aantrekken, voor verhoor", zegt hij veelbetekenend. Dus toch! Ik voel een kleine rilling door mijn ledematen gaan, maar dan herstel ik mij direct. Ik trek mijn overjas aan en zet mijn hoed op. Buiten de cel gekomen, zegt de bewaarder: „Wacht hier maar even, je kameraad moet ook mee."

Dit belooft niet veel goeds, flitst het door mijn brein, maar dan begin ik direct het spel weer, het spel, dat tot het bittere einde doorgespeeld zal moeten worden.... Ik geef den bewaarder nog vlug een paar instructies en berichten voor de buitenwereld. Controleer mijn zakken, of er niets verdachts in zit en wacht de komende dingen af.

Daar komt mijn kameraad reeds aan, langzaam lopend, nog niet geheel hersteld van de laatste verhoren. Wij geven elkaar een hand en wensen mekaar sterkte toe voor de komende nacht. Wij worden overgeleverd aan een andere ons zeer bekende bewaker en beginnen onder zijn geleide de tocht van de Bijz. Strafgevangenis naar het HvB.

Het is een stikdonkere avond en het regent een weinig. Bij het HvB. aangekomen, moet onze geleider aanbellen, want hij heeft geen sleutel van de deur, die ons toegang moet verschaffen tot het HvB. Hij helt aan, de deur gaat prompt open en wij worden binnengelaten. De bewaarder gaat na ons naar binnen. „Handen hoog" klinkt het commando aan zijn adres. „Jullie vlug doorlopen" tot ons beiden.

Het is of we dromen. De grote gang is gevuld met kameraden, zwaar bewapend en gemaskerd.
„Och heden, nu worden we doodgeschoten", fluistert mijn metgezel. Maar ik besef plotseling, wat er staat te gebeuren en ik realiseer mij de veelbetekenende woorden in het briefje van mijn vrouw van vanmorgen: „Moed houden, jongen, alles kan nog ten goede keren". Mijn antwoord aan mijn metgezel is dan ook prompt: „Welnee kerel, kom mee, we worden er uitgehaald."

Wij lopen door de gang, om de meter staat een zwaarbewapende K.P.-e r; het wordt een ware zegetocht. Handen worden gedrukt, schouders worden geslagen.
Wat is dat? Twee mannen in hun onderkleding? Ik herken onmiddellijk de beul van de S.D., een bokser uit Antwerpen. Een beestmens, maar nu is hij zo mak als een lam en loopt gedwee met de handen in de nek voor twee K.P.-ers uit.

Een gevoel van welbehagen doortrilt mij. Daar is Piet, de commandant. Hij feliciteert ons en wij hem. Rustig staat hij bij de deur, alsof hij bezig is de gasten van een bruiloft uit te laten. Twee bij twee gaan ze naar buiten, voorzien van een bonkaart en het adres van de schuilplaats. Ook wij gaan naar huilen. Men kan geen hand voor de ogen zien en wij strompelen voorwaarts, onze begeleider bij de hand vasthoudend.

Door de straten van Leeuwarden lopend beginnen we te beselfen, wat er voor grootse daad door onze mannen is verricht. Ik stap stil voort naast mijn vriend, die mij het leven redde. Ik moet even de tranen de vrije loop laten, als ik bedenk, hoe groot de kameraadschap en opofferingsgezindheid onder ons als illegalen is. Ieder in het duister werkend, alleen elkaars schuilnaam kennend, is er toch één grote band, die ons allen verbindt, n.l. de liefde voor ons Vaderland en de vrijheid en de haat tegen het nationaal socialisme.

Bij ons schuiladres aangekomen, nemen wij met een warme handdruk afscheid van elkaar, onder de belofte spoedig eens even na te kaarten, voor zoover het werk en de veiligheid het toelaten.
Wat hebben we die eerste nacht heerlijk geslapen in ons lits-jumeaux!

Zaterdagmorgen zeven uur: alarm, éénmaal, tweemaal, driemaal. Dat betekent razzia! Wij het bed uit en de goed ingerichte schuilplaats in, ons intussen met angst in het hart afvragend, of er misschien nu toch nog slachtoffers zouden vallen en dan voor ons Maar gelukkig, na enige tijd komen er gunstige berichten binnen, alleen maar een stempel op het P.B.

Veertien dagen onder K.P.-ers te verkeren is een voorrecht, dat niet ieder te beurt valt; wat hebben we in ons tweede kosthuis veel met elkaar gesproken, over de dagelijkse strijd en ook over de toekomst van ons Vaderland en steeds weer was de conclusie, ook straks na de bevrijding samen aanpakken, samen doen en samen bouwen aan de toekomst van Nederland!

Drie weken later. Het is de eerste keer, dat ik weer op pad ben; ergens in Friesland hebben we ons beraden over ons werk en vandaag zullen we beginnen met de uitvoering van onze besluiten.

Aangekomen bij vrienden in Tijnje zitten we al spoedig midden in het verhaal van de dag: de ontsnapping uit de gevangenis. Plotseling rumoer. Vlucht! De S.D.! Wij naar buiten, maar het is reeds te laat. Van alle kanten klinken schoten en we moeten ons overgeven. Dit is dus het laatste, nu is de strijd gestreden en wacht mij alleen nog de kogel.

In dit besef loop ik naar de overvalwagen met de handen omhoog, 's Avonds, precies drie weken na mijn bevrijding uit Leeuwarden, zit ik met nog drie kameraden in de S.D.-gevangenis te Groningen en wacht af....
Ik heb drie maanden gewacht, maar er gebeurde niets. De S.D. in Groningen vond mij blijkbaar niet de moeite waard en wist tenslotte geen betere plaats voor mij dan Wilhelmshafen, waar ik onze vriend van Dijk, destijds met mij in Tijnje opgepakt, weer terugvond.

U kunt zich voorstellen, wat dit weerzien voor ons beiden betekende! Wij hielden nauw contact met elkaar en na 14 dagen deed zich een gelegenheid voor om te vluchten, met het gevolg, dat we vlak na de bevrijding weer in Friesland terug waren.

Zo was de laatste episode uit de bezettingstijd een zeer spanningsvolle tijd voor mij, maar de bevrijding uit de gevangenis te Leeuwarden zal mij toch steeds als HET hoogtepunt bijblijven, daarbij beseffend hoeveel dank wij onze oude K.P. verschuldigd zijn.

KLAAS.
Leeuwarden, October 1945.

Nadat ik in den nacht van 18 op 19 November 1944 door de Duitsche S.D. in een perceel aan den Harlingerstraatweg was gearresteerd tengevolge van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, werd ik dienzelfden nacht gebracht naar het S.D.-gebouw, de Spaarbank, aan het Zaaiiand alhier. Hier werd ik14 dagen vastgehouden en moest vele mishandelingen ondergaan.

Op Zaterdag 2 December 1944 werd ik per arrestantenauto onder geleide van eenige Rexisten overgebracht naar de Bijzondere Strafgevangenis te Leeuwarden en aldaar opgesloten in cel 60.

129.jpg

De cellen van 42-60: Achter deze deuren hebben Dreeuws en Leijenaar minder prettige dagen beleefd.

Aangezien ik vrijwel geradbraakt was, tengevolge van de vele mishandelingen en vermoeienissen — ik was 14 dagen opgesloten geweest in een kleine cel van 1 x 1 Meter en had zeer weinig voedsel gehad — werd mij toegestaan dat ik zoo lang als het noodig was het bed mocht houden.

Het was voor mij een gevoel of ik van de hel in den hemel was gekomen. Het gevangenispersoneel was mij over het algemeen zeer welwillend. Sommigen deden alles wat in hun vermogen lag om mij terwille te zijn. Na 2 dagen reeds kreeg ik uit een militair eetketeltje geregeld een lekkere warme maaltijd, waarvan ik zeer opknapte. Ik ben al deze menschen wel zeer dankbaar. Ook de dokter stopte mij van alles toe om weer op krachten te komen. Zoo gingen enkele dagen voorbij.

Vrijdagsmorgens d.a.v. kreeg ik middels een bewaker bericht, dat getracht was me los te koopen, doch dat zulks mislukt was. Dat was voor mij een onaangename gewaarwording, daar de S.D. er niet op ingegaan was en toen wellicht de gedachte kon hebben gekregen, dat er nog veel meer achter zat dan alleen het vrijlaten van een gevangene. Gelukkig hebben ze de juiste draad nooit te pakken kunnen krijgen.

Dien Vrijdagmiddag (8 December) was ik voor het eerst een paar uur op geweest en ging om ongeveer 5 uur weer op mijn krit liggen. Tegen 6 uur kwam plotseling een bewaker binnen en deelde me mede, dat ik onmiddellijk moest opstaan en in liet HvB. komen voor een verhoor. De S.D. was daar.
Ik dacht, wat hangt me nu weer boven het hoofd. Ik haastte me niet, zoodat de bewaker nog 2 maal kwam om me tot meer spoed aan te zetten, daar ze inmiddels in het HvB. erg ongeduldig waren en blijkbaar kwaad over mijn lange wegblijven. Het kon me op dat moment weinig meer schelen en dacht, dat het mijn laatste gang wel zou zijn.

Had ik geweten wat er in het HvB. gaande was, dan zou ik me wel vlugger hebben aangekleed. Toen ik eindelijk buiten de cel was en in de cellengang was gekomen, stond daar Klaas Leijenaar, die op 2 December ook in de Bijzondere Strafgevangenis was opgesloten, doch in een andere cel, reeds op me te wachten.

„Waar blijf je wel", zeide hij tegen me. Ik antwoordde: „Dit is niet best jong". „Dat denk ik ook niet", zei Klaas. Door 2 bewakers werden wij vervolgens geleid naar de achterzijde van het HvB. Een der bewakers drukte op een bel, waarna de deur onmiddellijk werd opengedaan.

 

Bij de deur stond een persoon, die tegen de bewakers riep: „Handen omhoog". Hij was gewapend met een sten. Klaas liep een paar passen voor me uit. Mijn eerste gedachte was: „We worden hier doodgeschoten".
Ik zie nog in een wazig licht de ijzeren trap in den benedengang van het gebouw. Nadat ik een paar schreden was voortgeloopen, kon ik wat beter zien (ik zag nog slecht vanwege het 14 dagen opgesloten zijn in een donkere cel in het S.D.-gebouw) en ontwaarde allemaal kerels met maskers voor en zwaar bewapend.

Op dat moment begon er een licht in mij op te gaan. Ik had echter geen gelegenheid om verder na te denken, want Klaas kwam op me toe en zei: „Man, ze halen ons er uit". Op hetzelfde moment kwamen een paar van die gemaskerde mannen op me toeloopen en deden hun masker omhoog. Ik herkende enkele van die jongens. Wat er op dat moment in mij om is gegaan, kan ik niet onder woorden brengen.

De verandering van mijn gelaatuitdrukking zal wel groot zijn geweest (ik hoorde dat later van enkele van de bevrijders), doch ik kan dat zelf niet beoordeelen. De plotselinge gewaarwording, dat ik bevrijd zou worden, onmiddellijk volgende op de gedachte dat ze me zouden doodschieten daar in het HvB., moet wel een diepe indruk op me gemaakt hebben.

Ik moest echter meteen doorloopen naar de gang leidende naar de buitendeur. In deze gang stonden heel wat menschen opgesteld. Toen ik hen voorbijliep, herkende ik enkelen en bleek mij dat het allemaal politieke gevangenen waren.
Vele malen werd ik aan mijn jas getrokken, zoodat ik bijna een mouw verspeelde. Al die gevangenen, voor wie over enkele oogenblikken de deur van de gevangenis zou worden opengezet, waren natuurlijk overgelukkig en stonden kennelijk te trillen van emotie.

Ongeveer op de helft van de gang passeerden mij twee personen, die alleen een hemd aan hadden en gevolgd werden door een paar van onze bevrijders. Ze werden in looppas naar achteren gebracht. Een van die kerels herkende ik als een Rexist, die mij mede had bewaakt in het S.D.-gebouw aan het Zaailand. Het deed mij werkelijk plezier hem zoo te zien passeeren. Ik dacht aanvankelijk: „Die kan nu zijn testament wel even maken".

Nadat ik met Leijenaar in het administratiekantoor van het HvB. was gekomen, zagen wij daar o.m. de Commandant van de K.P. Piet Kramer staan, die rustig bezig was de namen van degenen, die bevrijd moesten, af te roepen.

Wim was daar bezig de uniformen, die ze de Rexisten blijkbaar hadden laten uittrekken, in te pakken. De rust waarmede de heeren te werk gingen was bewonderenswaardig. De reactie zal later ook wel bij hen zijn gekomen. Dat is menschelijk en begrijpelijk.

Leijenaar en ik werden daarna naar buiten gebracht. Bij de deur trof ik tot mijn groote verwondering nog de agent Willemse, die glimlachend op me toe kwam en zei: „Dat had U zeker niet gedacht, meneer". Inderdaad had ik dat niet gedacht.
Wij werden door een der bevrijders weggeleid. Buiten was het pikdonker. Bij de brug strompelde ik en botste tegen iemand aan. Ik greep me vast en bleek een sten in mijn handen te hebben. „Een beetje kalm", werd me toegesproken. Hij bleek een van de mannen te zijn, die buiten op wacht stond voor eventueele gebeurtenissen.

U kunt wel begrijpen, dat er heel wat in me om ging, toen ik daar weer vrij op straat liep. Langs verschillende straten werden we geleid. Op het laatst kon ik niet meer lopen en werd ik achter op een fiets gezet. Zoo kwamen we in een perceel aan den Harlingerstraatweg, vlak naast de Duitsche tandarts.

Hier zijn Leijenaar en ik dien nacht en de daarop volgenden dag gebleven. Des morgens om 7 uur loeiden de sirenes en kregen we de bekende razzia's. Dat was wel een tijd van uiterste spanning.
We hadden evenwel een goede schuilplaats en rolden er ondanks de huiszoeking van 5 moffen, prachtig door.

Zaterdagavond 9 December werden we weer afgehaald door een paar K.P.-ers. Er werden mij twee pistolen in de hand gedrukt. Risico's konden er toen niet meer worden genomen.

Zo werden wij bij Van Dijk in de Roekstraat ondergebracht, waar we evenals op het 1e adres buitengewoon liefderijk werden ontvangen. Hulde aan al die menschen.

Woensdag 13 December 1944 werd ik, nadat mijn persoonsbewijs klaar was, door een viertal K.P.-ers en een koerierster, per rijwiel naar Swichum gebracht. Bij Haije en Wietske heb ik daar ongeveer 4 weken vertoefd en raakte al aardig in de huishouding thuis. Piet Kramer was daar ook in het begin, doch vertrok na ongeveer een week weer naar de stad.
Doordat de S.D. onzen chef-staf Camping bijna te pakken kregen op zijn nachtadres Boonstra in Goutum, moest ik Swichum weer verlaten. De bedoeling was ook, dat ik daar niet steeds zou blijven, doch naar opperwachtmeester de Graaf in Oudega (Sm.) zou gaan.

Het moest echter nog weer onverwachts gaan. Het was dien avond noodweer met storm en regen. Hoe moesten we de posten bij de Garijperbrug passeeren? De Graaf was in uniform en ik moest dan maar doorgaan voor schapendief. Inderdaad werden wij bij bedoelde brug door de Duitsche posten aangehouden. Ons spelletje gelukte wonderwel en zoo werd ook die klip weer omzeild.

Doornat kwamen we in Oudega aan. Hier ben ik ondergedoken gebleven tot de dag van de bevrijding. In huize de Graaf heb ik een prettige tijd gehad. De verzorging was, evenals in Swichum, buitengewoon.

Wij hebben daar heel wat uitgespookt in die maanden. Het ligt niet op mijn weg over het ondergrondsche werk daar te praten. Dat kan Van der Kouwe (Kooistra) beter doen. Ik heb zoojuist gezegd, dat ik daar steeds ben gebleven. Dat is niet helemaal juist. Toen de Wit (Pander), die Gewestelijk Operatieleider (de z.g. GOL) in Friesland was, ergens in Friesland was gearresteerd (hij is jammer genoeg met meer anderen later bij Zwolle doodgeschoten), ben ik nog een 4 weken ondergedoken geweest bij De Vries aan den weg naar de Hooidammen onder Oudega.
De Wit had met zijn staf namelijk een tijdlang zijn kwartier opgeslagen gehad bij de Graaf en hij wist ook dat ik daar was. Daarom moest de grootst mogelijke voorzichtigheid worden in acht genomen. Hij heeft echter niets gezegd, zoodat ik later weer naar De Graaf terugkeerde.

Uit het vorenstaande ziet U dat onderduiken ook nog altijd niet gemakkelijk is en men steeds in spanning verkeert. Toen we daar in Oudega op 14 April 1945 waren bevrijd en ik den volgenden dag, toen ik hoorde dat de eerste tanks Leeuwarden binnen waren getrokken, met de Graaf op zijn motor omstreeks 3 uur in den namiddag het bevrijde Leeuwarden binnenreed, kunt U zich wel indenken, wat dat voor mij beteekende.
Een dag om nooit te vergeten!

DREEUWS
Leeuwarden, October 1945.

De overvallers verlieten om 6.35 uur het HvB., nadat alle administratief personeel en bewakers waren opgesloten in twee lege cellen. De deuren in het gebouw werden niet gesloten.

Om 6.45 uur arriveerde aan de voordeur een officier van de S.D. Deze was geopend, hij kon zo binnen komen, vond niemand binnen, doch hoorde in één der cellen de bewakers geluid maken. Hij heeft toen de B.S.G. opgebeld, die met de sleutels kwamen, waarop de celdeuren ontsloten werden en de Adj.-Directeur het relaas van de overval moest geven.

Om 6.50 uur werd de S.D. van de overval verwittigd; onmiddellijk werden alle S.D.-ers en een deel van de militaire macht te Leeuwarden gewaarschuwd en begon in Leeuwarden het zoeken naar de overvallers en de bevrijden.

Nog diezelfde avond werd in de stad alles afgezocht, de uitgangen uit de stad werden streng gecontroleerd, de plantsoenen doorzocht enz. Alle bewakers werd een verhoor afgenomen, doch niemand kon iets positiefs mededelen.

De verdenking viel algemeen op de bewaarder Tiemersma, die door de Overvallers was meegenomen. Tegen acht uur was de S.D. reeds bij de woning van Tiemersma, doch aangezien de vrouw niet thuis was, ging men zo weer weg.

Dezelfde avond werden er nog huiszoekingen gedaan bij enkele adressen van bevrijden en familieleden van hen, doch alles zonder resultaat.
Er werd door de S.D. een verslag uitgebracht naar de S.D. te Groningen, welke adviseerde een strenge represaille te houden. De S.D. te Leeuwarden kon daar niet mee accoord gaan, zodat nog dezelfde avond een speciale koerier naar Den Haag ging om advies wat of er moest gebeuren.

De S.D. te Leeuwarden was er voor, dat er geen represailles zouden plaats hebben, gezien de prima voorbereiding van deze overval en de zeer sportieve manier waarop hij was uitgevoerd.

Het antwoord van Den Haag was GEEN represaille. Wel werd de andere morgen om 7 uur de gehele stad afgezet en alle huizen aan een huiszoeking onderworpen. Enkele duizenden jonge mensen werden opgebracht naar het Zaailand, waar in de loop van de middag de P.B.'s en bescheinigungen van een stempel werden voorzien, doch alle mensen werden weer vrijgesteld.

Men had alles afgezocht, doch niet één der bevrijden, welke toch allemaal in de stad waren ondergebracht kunnen vinden. De bevrijders waren op enkele na des avonds van te voren allen uit de stad vertrokken direct na de overval en over de provincie verspreid.

De S.D. heeft nog lang alles in het werk gesteld om een draad van deze overval in handen te krijgen, doch het is hun nimmer gelukt. Een speciaal uit Den Haag afkomstig commando heeft enkele weken in Friesland vertoefd, doch ook zonder resultaat. Het is hun niet gelukt om ook maar één der bevrijders of bevrijden in handen te krijgen.

In het laatst van December is nog wel gearresteerd geworden in de omgeving van Heerenveen de bevrijde heer Leijenaar, welke toen echter leefde onder de naam van Looyenga. Hij werd opgesloten in het Scholtenhuis te Groningen en later weggebracht naar het strafkamp te Wilhelmshaven. Zijn ware identiteit is niet bekend geworden. Hij is na de bevrijding weer gezond in Leeuwarden teruggekomen.
De namen der vijf arrestanten welke 's middags omstreeks 5 uur waren binnengebracht en door ons weer losgelaten, zijn: IJ. Botma te Nijkerk; T. Epema te Kollumerzwaag; H. Hospes
te Rauwerd; Sj. de Vries te Surhuisterveen en H. Jager te Heerenveen.

Van Jodocus heb ik nog vernomen dat den heer J. W. Theil, die volgens mijn rapport van 12 Dec. '44 zal behoort hebbend bij de drie door de S.D. pas binnengebrachte arrestanten, door hem uit een cel is gehaald, ondanks het feit dat hij niet op zijn lijst voorkwam. Aangezien hij met Theil ergens in de provincie had ondergedoken gezeten ging het Jodocus aan zijn hart als hij hem nu niet mee zou nemen. Hierdoor wordt het aantal der bevrijden dus nog met 1 vermeerderd.

Jodocus, van de overvalploeg, werd op 29 Jan. '45 door 2 S.D.-ers in zijn kosthuis gearresteerd als onderduiker, hij wist te ontvluchten, doch werd tijdens de achtervolging dodelijk door een kogel getroffen.

Van de N.B.S.-medewerkers werden op 7 April '45 S. van Dam, Joh. Nieuwland en op 8 April E. M. Wierda uit Leeuwarden nog door de S.D. gearresteerd en in het Burmaniahuis aan zware verhoren onderworpen. Ondanks dat van Dam nog naar de gevangenisoverval werd gevraagd, liet hij hierover niets los. Alle drie werden op 11 April met 10 anderen te Dronrijp gefusilleerd.

120.jpg

Joh. Nieuwland, geb. 1-6-1907. Gefusilleerd te Dronrijp 11 April 1945. Van de waarschuwingsploeg is alleen „Joop" kort voor de bevrijding nog door de S.D. gearresteerd en ten slachtoffer gevallen aan hun wraakzucht. De herinnering aan hem zal bij zijn N.B.S.- vrienden vast blijven voortleven.

121.jpg

E. M. Wierda, geb. 26-4-1918. Gefusilleerd te Dronriip 11 April 1945. Hij verzorgde voor de N.B.S. enkele belangrijke inlichtingen en was op de dag der bevrijding op eigen initiatief in staat een verdwaald groepje bevrijden op te pikken en onderdak te brengen. Zijn makkers zullen hem zeker nooit vergeten.

Deze vier medewerkers hebben helaas de grote bevrijding van de Duitse terreur, welke voor Leeuwarden op 15 April aanbrak, niet mogen beleven.

In het begin van 1945 zijn nog drie K.P.-ers gearresteerd en in de gevangenis te Leeuwarden opgesloten. Johan en Theo werden na enige tijd tewerkgesteld in Drenthe en wisten daar te ontvluchten, terwijl Chris op de dag der bevrijding door de N.B.S. uit de gevangenis is gehaald.

Van de afvoerploeg zijn ook nog drie man in handen der Duitsers gevallen. Foppe werd eveneens in Drenthe tewerk gesteld, doch zag ook kans de benen te nemen. Sem bleef als gevaarlijker persoon in Leeuwarden opgesloten en werd gelijk met Chris op 15 April bevrijd. Terwijl Peke na ruim drie weken opgesloten te zijn geweest door de S.D. werd losgelaten. Helaas werd hij gelijk met S. van Dam en Joh. Nieuwland op 7 April weer gearresteerd.

Op 10 April zou hij te Ritzumazijl als represaille met nog iemand anders gefusilleerd worden; door zijn heldhaftig optreden, gelukte het hem onderweg de 2 S.D.-ers buiten gevecht te stellen, waardoor hij en zijn medegevangene konden ontsnappen.

De S.D. heeft in al deze personen, uitgezonderd S. van Dam, nooit één der overvallers gezien.

Al met al heeft de kraak op de gevangenis te Leeuwarden een zeer gunstig verloop gehad. Er is geen schot gevallen, geen droppel bloed is door deze overval vergoten en alle bevrijden hebben de vrijheid en het leven kunnen behouden.

EPPIE.
Leeuwarden, Mei 1945.

De op de plattegrond aangegeven figuren in zwart/wit zijn de K.P.-ers hoofdzakelijk daar aangebracht waar zij vóór en tijdens'de operatie waren opgesteld. De witte figuren in de cellen en aan de voor- en zijkant van het gebouw zijn de gevangenen en 2 S.D.-ers en 3 bewakers. 

Op de voorgrond der tekening zijn op de begane grond 1e en 2e etage van het HvB. met stippen de gevangenen in hun cellen en met cirkeltjes de K.P.-ers aangegeven, op de plaats van hun opstelling (de dubbele cirkel stelt de leider der  operatie voor op de begane grond) terwijl de rij stippen om de vrijheidsboom weer de 51 bevrijden zijn, geflankeerd door , de 19 K.P.-ers welke in het gebouw zijn geweest.

Links: Verzetsman Piet Kramer, commandant van de Friese Binnenlandse strijdkrachten in een jeep naast een Canadese militair voor het stadhuis in Dokkum.

Bij de muur aan de Keizersgracht van de Leeuwarder strafgevangenis te Leeuwarden onthult mevr. Ymkje van der Veen-Sas tijdens de veertig jarige herdenking, de gedenksteen voor "De Overval" op dezelfde gevangenis. Leden van de Friese KP (knokploeg) bevrijdden daarbij 51 verzetsstrijders. Naast mevr. van der Veen, haar echtgenoot, oud-KP-er Taco van der Veen, één der "overvallers".


De Overval is een Nederlandse zwart-wit film uit 1962. Het is een van succesvolste films in de Nederlandse cinema met ca. 1.474.000 bezoekers. Het heeft als internationale titel The Silent Raid.
Dr. Lou de Jong, schreef het scenario naar aanleiding van een waar gebeurd verzetsverhaal, dat wel tot een van de grootste verzetsdaden tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt gerekend....


Het verhaal van Gerrit Fokkema

TOP